Klassen met leerlingen uit verschillende sociale milieus laten meer verscheidenheid zien in democratische opvattingen dan sociaaleconomisch homogene klassen. Dat blijkt uit onderzoek van Nikki P. Dekker, Anke Munniksma, Remmert Daas, Han L. J. van der Maas en Bert N. Bakker van de Universiteit van Amsterdam onder bijna tweeduizend eerstejaars leerlingen in het Nederlandse voortgezet onderwijs. Etniciteit, religie en geslacht spelen een beperktere rol. De samenhang tussen burgerschapsonderwijs en variatie in democratische opvattingen blijkt in dit onderzoek wisselend en niet eenduidig.
De onderzoekers wilden weten of demografische diversiteit in de klas samenhangt met de mate waarin leerlingen uiteenlopende democratische opvattingen hebben. Aanleiding is de zorg over onderwijssegregatie. In veel westerse landen, ook in Nederland, zitten leerlingen met vergelijkbare sociaaleconomische en etnische achtergronden vaak bij elkaar op school of in dezelfde klas. Daardoor kunnen klassen veranderen in wat de onderzoekers “bubbles of like-mindedness” noemen: omgevingen waarin leerlingen vooral omgaan met leeftijdgenoten die op hen lijken en daardoor minder vaak met andere perspectieven in aanraking komen.
Scholen worden vaak gezien als oefenplaats voor democratisch burgerschap. Leerlingen kunnen er leren omgaan met verschillen, andere opvattingen horen en hun eigen standpunt vormen tegenover dat van anderen. Als klassen sterk homogeen zijn samengesteld, kan die functie onder druk komen te staan. Daarom onderzochten de UvA-wetenschappers niet alleen de samenstelling van de klas, maar ook twee aspecten van burgerschapsonderwijs: de mate waarin leerlingen het klimaat in de klas als open voor discussie ervaren, en hoe vaak leraren met leerlingen spreken over maatschappelijke en politieke kwesties.
De steekproef omvat zowel vmbo als havo/vwo
Het onderzoek is gebaseerd op gegevens uit de eerste meting van het Dutch Adolescents Panel on Democratic Values, een longitudinaal cohortonderzoek naar democratische waarden onder Nederlandse scholieren. De data zijn verzameld in het schooljaar 2018/2019. Het gaat om 1.925 twaalfjarige leerlingen in 154 klassen op 40 middelbare scholen. De steekproef omvat zowel vmbo als havo/vwo.
Democratische opvattingen werden gemeten aan de hand van zeven dilemma’s. Leerlingen moesten daarbij telkens positie kiezen tussen twee conflicterende democratische waarden. Zo kregen zij vragen over de spanning tussen vrijheid van meningsuiting en bescherming tegen kwetsende uitspraken, tussen privacy en veiligheid, tussen het algemeen belang en persoonlijk voordeel, en tussen Nederlandse wetgeving en religieuze regels. De onderzoekers keken vervolgens niet naar één gemiddelde houding per klas, maar naar de mate waarin antwoorden binnen een klas uiteenliepen.
Voor die spreiding gebruikten zij de Shannon Equitability Index. Dat is een maat die laat zien hoe gelijkmatig antwoorden over verschillende antwoordcategorieën verdeeld zijn. Hoe hoger de score, hoe groter de variatie in opvattingen binnen een klas. Demografische diversiteit werd berekend op basis van sociaaleconomische status, etnische achtergrond, religieuze overtuiging en geslacht. De analyses hielden rekening met het feit dat klassen binnen scholen zijn gegroepeerd.
Verschillen in democratische opvattingen
Sociaaleconomische diversiteit bleek de sterkste en meest consistente voorspeller van verschillen in democratische opvattingen. Voor alle zeven dilemma’s gold dat klassen met meer sociaaleconomische verscheidenheid ook meer variatie in democratische attitudes lieten zien. Anders gezegd: in klassen waarin leerlingen uit uiteenlopende sociale milieus samenkomen, verschillen leerlingen vaker van elkaar in hoe zij democratische waarden tegen elkaar afwegen.
Voor andere demografische kenmerken was het beeld minder algemeen. Etnische diversiteit hing samen met meer variatie bij het dilemma over regels volgen, maar juist met minder variatie bij het dilemma over culturele aanpassing aan de Nederlandse samenleving. Religieuze diversiteit was alleen van betekenis bij twee inhoudelijk verwante kwesties: de verhouding tussen religieuze regels en Nederlandse wetgeving, en het dilemma over culturele aanpassing. Geslachtsdiversiteit had geen aantoonbare samenhang met variatie in democratische opvattingen.
Ook het beeld bij burgerschapsonderwijs was beperkt en wisselend. Een opener discussieklimaat hing bij het dilemma over wettelijke voordelen samen met minder variatie in opvattingen, terwijl bij het privacydilemma juist meer variatie werd gevonden. Voor de andere dilemma’s was er geen significant verband. De frequentie waarmee leraren met leerlingen spraken over maatschappelijke of politieke kwesties hing in geen van de analyses significant samen met meer of minder variatie in democratische opvattingen.
Minder variatie in democratische opvattingen
Daarnaast vonden de onderzoekers verschillen naar onderwijsniveau. Voor drie van de zeven dilemma’s lieten havo/vwo-klassen minder variatie in democratische opvattingen zien dan vmbo-klassen, ook nadat rekening was gehouden met demografische achtergrond. Het ging om de dilemma’s over wettelijke voordelen, religieuze regels tegenover Nederlandse wetgeving, en verschillen tussen arm en rijk.
De onderzoekers concluderen dat onderwijssegregatie gevolgen kan hebben die verder reiken dan leerprestaties. Sociaaleconomisch homogene klassen laten ook minder verscheidenheid in democratische opvattingen zien. Daarmee kan de school als oefenplaats voor burgerschap worden beperkt. De rol van andere demografische kenmerken lijkt sterker afhankelijk van het onderwerp. Als een dilemma inhoudelijk raakt aan een bepaald achtergrondkenmerk, zoals religie, wordt diversiteit op dat kenmerk relevanter.
Niet vast te stellen of een open discussieklimaat leidt tot meer variatie in opvattingen
Tegelijk benadrukken de onderzoekers dat hun studie geen uitspraken over causaliteit mogelijk maakt. Het onderzoek is cross-sectioneel van opzet. Daardoor is niet vast te stellen of een open discussieklimaat leidt tot meer variatie in opvattingen, of dat klassen met meer of minder variatie juist anders worden ervaren door leerlingen. Ook omvat burgerschapsonderwijs veel meer dan de twee onderzochte aspecten. Longitudinaal onderzoek is nodig om te begrijpen hoe klassensamenstelling, gesprekken in de klas en democratische opvattingen zich door de schoolloopbaan heen tot elkaar verhouden.
Voor leraren ligt volgens de onderzoekers een belangrijke taak in het bewust omgaan met de samenstelling van de klas. Zij adviseren leraren om bij klassikale discussies rekening te houden met de sociaaleconomische verscheidenheid in de groep en te letten op de vraag of een onderwerp verbonden is met specifieke achtergrondkenmerken van leerlingen. Leraren kunnen bijdragen door meerdere perspectieven actief in het gesprek te brengen en een klimaat te scheppen waarin leerlingen zich vrij voelen hun mening te geven. Daarbij is een open klasklimaat op zichzelf niet genoeg. Het kan zowel ruimte geven aan verschillende opvattingen als bijdragen aan meer consensus. Juist daarom moeten leraren erop letten dat meerdere perspectieven zichtbaar blijven, zeker in groepen waar eenvormigheid dreigt te overheersen.