Hoe een kind scoort ten opzichte van klasgenoten bepaalt mede welk schooladvies het krijgt, ook als de absolute leerprestaties gelijk zijn. Leerlingen die relatief hoog in de klas scoren, krijgen vaker een vwo-advies; leerlingen met een lage klassenpositie belanden vaker in het vmbo. Dat effect werkt bovendien door in de verdere onderwijsloopbaan: leerlingen met een hogere positie in de klas hebben later vaker een universitaire opleiding.
Dat blijkt uit onderzoek van econoom Max Coveney van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij onderzocht in hoeverre basisschoolleerkrachten bij het schooladvies niet alleen kijken naar absolute prestaties van leerlingen, maar ook naar hun relatieve positie binnen de klas. Het onderzoek verschijnt in het Journal of Human Resources.
Speelt het schooladvies een centrale rol
In het Nederlandse onderwijssysteem speelt het schooladvies een centrale rol. Aan het einde van groep 8 bepaalt de leerkracht welk niveau volgens hem of haar het beste past bij een leerling: vmbo, havo of vwo. Tegelijkertijd maken leerlingen een landelijke eindtoets met onderdelen als taal en rekenen. Coveney gebruikte die toets als objectieve maat voor leerprestaties en het schooladvies als maat voor het oordeel van de leerkracht over de cognitieve capaciteiten van een leerling. Daardoor kon hij onderzoeken of twee leerlingen met vergelijkbare prestaties toch een ander advies krijgen doordat zij binnen hun klas een andere positie innemen.
Voor de hoofdanalyse gebruikte Coveney administratieve gegevens van ongeveer 460.000 leerlingen die tussen 2006 en 2021 de Cito-eindtoets maakten. Die leerlingen kwamen uit ruim 5.200 scholen en bijna 40.000 schoolcohorten. Daarnaast gebruikte hij gegevens uit het longitudinale PRIMA-onderzoek, waarin bijna 48.000 leerlingen in ruim 11.000 klassen gedurende meerdere jaren werden gevolgd.
Leeftijd, inkomen van ouders, opleidingsniveau van ouders en samenstelling van de klas
De onderzoeker probeerde daarbij zoveel mogelijk andere verklaringen uit te sluiten. In de analyses werden onder meer verschillen tussen gezinnen, scholen en cohorten statistisch gecontroleerd. Ook hield hij rekening met factoren als leeftijd, inkomen van ouders, opleidingsniveau van ouders en samenstelling van de klas. Daarnaast werden broers en zussen met elkaar vergeleken om gezinseffecten verder te beperken.
De resultaten wijzen op een duidelijk zogenoemd rangeffect. Een stijging van tien percentielpunten in de positie van een leerling binnen het schoolcohort vergroot de kans op een vwo-advies met ongeveer 2,5 procentpunt. Tegelijk daalt de kans op een vmbo-advies met ongeveer 1,5 procentpunt. Volgens Coveney komt dat effect ongeveer overeen met het goed beantwoorden van drie extra vragen op de Cito-toets.
Ook wanneer alleen werd gekeken naar kleinere schoolcohorten
Dat effect bleef zichtbaar in verschillende analyses en datasets. Ook wanneer alleen werd gekeken naar kleinere schoolcohorten die waarschijnlijk uit één klas bestonden, bleef het patroon overeind. Bovendien werden vergelijkbare resultaten gevonden in het PRIMA-panel, waarin leerlingen gedurende meerdere jaren werden gevolgd en waarin exacte klasindelingen bekend waren.
Het onderzoek laat ook zien dat het effect niet ophoudt na de overstap naar de middelbare school. Leerlingen met een hogere positie in groep 8 kwamen vaker terecht in academisch georiënteerde brugklassen en hadden later vaker een universitaire inschrijving. Een stijging van tien percentielpunten in de klassenpositie vergrootte de kans op universitair onderwijs met ongeveer 0,4 procentpunt.
Volgens Coveney reageren leerkrachten bovendien niet bij alle leerlingen op dezelfde manier op een lage positie in de klas. Vooral bij beslissingen over vmbo-adviezen blijkt de klassenpositie zwaarder mee te wegen voor leerlingen met een migratieachtergrond en voor leerlingen uit gezinnen met lagere inkomens of lagere opleidingsniveaus. Bij kinderen van universitair opgeleide ouders of ouders met hoge inkomens was het effect van rang op een vmbo-advies statistisch niet meer aantoonbaar.
Zelfvertrouwen, werkhouding, gedrag in de klas en welbevinden
In de aanvullende analyses met het PRIMA-panel keek Coveney ook naar niet-cognitieve factoren zoals zelfvertrouwen, werkhouding, gedrag in de klas en welbevinden. Leerkrachten vulden daar vragenlijsten over in. Het meenemen van die factoren veranderde het rangeffect nauwelijks. Volgens de onderzoeker maakt dat het minder waarschijnlijk dat de gevonden effecten vooral worden veroorzaakt door verschillen in gedrag of motivatie tussen leerlingen.
Coveney concludeert dat leerkrachten waarschijnlijk gebruikmaken van de relatieve positie van een leerling als een soort vuistregel bij het inschatten van diens capaciteiten. Het beoordelen van absolute leervermogens is ingewikkeld, en de vergelijking met klasgenoten lijkt daarbij als referentiepunt te fungeren. Volgens de onderzoeker houden bestaande instrumenten zoals leerlingvolgsystemen geen rekening met dit mogelijke effect van klassenpositie.
De studie sluit aan bij eerdere internationale literatuur over zogenaamde rank effects, waarbij de positie van leerlingen binnen een groep invloed blijkt te hebben op prestaties, schoolloopbanen en verwachtingen van docenten. Het onderzoek van Coveney richt zich specifiek op de rol van leerkrachten als formele poortwachters in een onderwijssysteem met vroege selectie.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor basisscholen en leerkrachten laat dit onderzoek zien dat de relatieve positie van een leerling binnen de klas onbedoeld kan meewegen in het schooladvies. Twee leerlingen met vergelijkbare toetsresultaten kunnen daardoor toch verschillende adviezen krijgen wanneer zij zich in een andere klascontext bevinden.
Voor beleidsmakers en onderwijsorganisaties is relevant dat bestaande hulpmiddelen zoals leerlingvolgsystemen en toetsgegevens volgens het onderzoek geen correctie bevatten voor mogelijke effecten van klassenpositie. De studie wijst erop dat vroege selectie daardoor gevoelig kan zijn voor contextfactoren binnen een klas of schoolcohort.
Voor ouders en leerlingen maken de resultaten duidelijk dat het schooladvies niet uitsluitend samenhangt met absolute prestaties op toetsen. De positie van een leerling ten opzichte van klasgenoten lijkt eveneens invloed te hebben op de kans op vmbo-, havo- of vwo-advies en werkt volgens het onderzoek door in latere onderwijskeuzes.
Bron: Max Coveney (2026). Teacher’s Pet: The Effect of Student Rank on Teacher Ability Beliefs, Journal of Human Resources. DOI: 10.3368/jhr.1224-13980R1