Voortgezet onderwijs

Zij-instromer is vakexpert, maar nog geen klassenexpert

Zij-instromers worden binnengehaald tegen het lerarentekort, maar scholen benutten hun ervaring lang niet altijd goed. Dat blijkt uit onderzoek van Gerard den Hertog, Monika Louws, Anke Tigchelaar, Martine van Rijswijk en Jan van Tartwijk van de Universiteit Utrecht. Zij laten zien dat vakkennis uit eerdere loopbanen vaak snel bruikbaar is in de klas, terwijl didactiek, klassenmanagement en sociale interactie met leerlingen een gerichte vertaalslag vragen.
leraar voor de klas

Juist daar ligt een taak voor schoolleiders en mentoren: zij moeten herkennen wat zij-instromers al kunnen, maar ook waar eerdere expertise niet vanzelf werkt in het onderwijs.

Zij-instromers beginnen niet blanco aan het leraarschap. Ze hebben vaak jarenlang gewerkt als IT’er, onderzoeker, projectmanager, ondernemer of specialist in een ander vakgebied. Die ervaring kan waardevol zijn voor de klas en voor de schoolorganisatie, maar het onderzoek maakt duidelijk dat die waarde niet vanzelf zichtbaar wordt. Wie zij-instromers uitsluitend ziet als starters die nog moeten leren lesgeven, mist het professionele kapitaal dat zij meenemen. Wie daarentegen veronderstelt dat ervaring buiten het onderwijs vanzelf goed onderwijs oplevert, onderschat hoe specifiek het werk in de klas is.

Een manier om lerarentekorten te verlichten

De Utrechtse wetenschappers onderzochten hoe zij-instromers hun eerdere professionele expertise zelf ervaren en gebruiken in hun nieuwe werk als leraar. De onderzoekers sluiten daarmee aan bij een praktische vraag in het onderwijsbeleid. In veel landen, waaronder Nederland, worden zij-instromers gezien als een manier om lerarentekorten te verlichten. Maar als scholen deze groep goed willen begeleiden en behouden, moeten zij beter begrijpen wat er met eerdere expertise gebeurt zodra iemand voor de klas staat.  

Voor het onderzoek interviewden de onderzoekers dertien zij-instromers op dertien verschillende Nederlandse middelbare scholen. De deelnemers hadden gemiddeld negentien jaar werkervaring buiten het onderwijs en gemiddeld twee jaar ervaring als leraar.

Alternatief certificeringstraject voor zij-instromers

Hun eerdere loopbanen lagen onder meer in de IT, het bedrijfsleven, onderzoek en zelfstandig ondernemerschap. Zij gaven vakken als scheikunde, informatica, economie, Engels, wiskunde, natuurkunde, onderzoek en ontwerpen, en natuur, leven en technologie. Alle deelnemers volgden een alternatief certificeringstraject voor zij-instromers of hadden dat recent afgerond.

De onderzoekers vroegen de deelnemers bij welke taken zij hun eerdere ervaring konden gebruiken en hoe zij dat deden. Daarbij onderscheidden zij drie vormen van overdracht. Soms kan eerdere expertise direct worden toegepast. Soms helpt die expertise vooral om anders te denken of sneller te leren. En soms ontstaat wederkerige aanpassing: de zij-instromer past zich aan de schoolcontext aan, of de schoolpraktijk verandert door de expertise die de zij-instromer meebrengt.

Uit de interviews blijkt dat eerdere expertise vooral direct bruikbaar is bij de vakinhoud. Een voormalige ICT’er kan zijn kennis van informatica gebruiken, een zij-instromer met ervaring in de chemie kan putten uit praktijkvoorbeelden, en anderen gebruiken ervaringen uit hun eerdere werk om leerlingen te laten zien waarom lesstof buiten school relevant is. Op dit punt is de overdracht relatief eenvoudig: de inhoud van het oude beroep sluit aan bij het vak dat zij nu geven.

Vakkennis kan voor scholen echter ook misleidend zijn

Die zichtbare vakkennis kan voor scholen echter ook misleidend zijn. Omdat deze expertise snel zichtbaar wordt, lijkt het alsof de meerwaarde van zij-instromers vooral daar ligt. Het onderzoek laat juist zien dat dit maar een deel van het verhaal is. Bij didactiek en klassenmanagement werkt eerdere ervaring minder direct. Zij-instromers kunnen wel voortbouwen op wat zij eerder hebben geleerd, maar moeten die ervaring eerst vertalen naar het werken met leerlingen.

Dat komt duidelijk naar voren in de interviews. Een deelnemer die gewend was projectmatig te werken, merkte dat hij in de klas anders moest handelen dan in zijn vorige beroep. “Het grote verschil is dat ik nu mensen iets moet leren, dus ik moet steeds meer uitleggen. Ik kan niet zomaar beginnen zoals ik vroeger deed, want zij weten er echt nog niets van, dus ik moet lessen voorbereiden.” Later omschreef hij zijn aanpak als een combinatie van eerdere werkervaring en nieuwe didactische kennis: “Als ik die projecten nu doe, is het fiftyfifty gebaseerd op mijn ervaring van de afgelopen jaren en op professionele kennis over hoe je lesgeeft.”

In de klas bleek dat niet goed te werken

Een andere zij-instromer beschreef een verschuiving in zijn manier van begeleiden. In zijn eerdere werk was hij gewend om aan te wijzen waar het probleem zat. In de klas bleek dat niet goed te werken. Leerlingen leerden daar volgens hem “niets” van. Hij moest leren niet meteen het antwoord te geven, maar leerlingen via vragen verder te helpen. Daarmee werd eerdere expertise niet overboord gezet, maar aangepast aan de logica van onderwijs.

Ook bij sociale interacties in de klas is eerdere werkervaring bruikbaar, maar niet vanzelf. Zij-instromers herkennen soms situaties uit hun vorige werk, zoals weerstand, spanning of ongemotiveerde mensen. Die ervaring kan helpen om rustiger te reageren of beter te luisteren. Een deelnemer verbond zijn ervaring met consultative selling aan het contact met leerlingen: “Je wilt iets verkopen, maar je verkoopt het door de ander te laten praten en heel goed te luisteren naar wat die wil.” In de klas hielp die houding hem om beter te begrijpen wat er werkelijk speelde.

Overlevingsstrategie

Buiten de klas wordt de bestuurlijke relevantie van het onderzoek nog duidelijker. Alle geïnterviewde zij-instromers gaven aan dat eerdere ervaring hielp bij het organiseren van hun nieuwe werk. Dat was vooral belangrijk in de periode waarin zij lesgeven combineerden met een certificeringstraject. Planning, prioriteiten stellen en omgaan met werkdruk kwamen daarbij vaak terug. Een deelnemer noemde zijn prioriteringsvaardigheden een “overlevingsstrategie”: hij moest “nee” zeggen tegen extra taken om zich te kunnen richten op zijn ingroei in het beroep.

Daarnaast zien zij-instromers mogelijkheden om bij te dragen aan de bredere schoolorganisatie. Een deelnemer ontwikkelde een planningsoverzicht dat later door collega’s werd overgenomen. Een ander gebruikte een professioneel netwerk om leerlingen in contact te brengen met externe partijen voor hun profielwerkstuk of loopbaanoriëntatie. Ook kwamen voorbeelden naar voren waarin zij-instromers meedachten over ICT, leveranciers of praktische organisatie.

Zij-instromers kunnen meer zijn dan extra handen voor de klas

Daarmee laat het onderzoek zien dat zij-instromers meer kunnen zijn dan extra handen voor de klas. Zij brengen kennis, werkwijzen en netwerken mee die ook voor de school als organisatie relevant kunnen zijn. Dat gebeurt echter niet vanzelf. Beginnende leraren voelen zich niet altijd zeker genoeg om hun eerdere expertise schoolbreed in te zetten. Ook kan hun bijdrage buiten beeld blijven als collega’s of leidinggevenden hen vooral zien als nieuwkomers die zich eerst moeten bewijzen.

De onderzoekers concluderen daarom dat het onderscheid tussen onmiddellijke en uitgestelde overdracht belangrijk is voor de begeleiding van zij-instromers. Vakkennis is vaak direct inzetbaar. Didactiek, klassenmanagement en sociale interactie vragen meestal een tussenperiode waarin eerdere vaardigheden worden aangepast aan de onderwijscontext.

Dat onderscheid kan verklaren waarom schoolleiders soms vrezen dat zij-instromers te sterk leunen op hun vakinhoud, terwijl lerarenopleiders bij hen juist sterke klassenmanagementvaardigheden kunnen waarnemen. Beide observaties kunnen naast elkaar bestaan: sommige expertise is meteen zichtbaar, andere expertise wordt pas zichtbaar na begeleiding en oefening.

Begeleiding op wat ze nog niet kunnen

Voor mentoren betekent dit dat zij zij-instromers niet alleen moeten begeleiden op wat zij nog niet kunnen, maar ook op de vraag hoe eerdere ervaring bruikbaar kan worden gemaakt. Voor schoolleiders betekent het dat zij-instromers bestuurlijke aandacht vragen op twee niveaus: als beginnende leraren die ondersteuning nodig hebben, en als ervaren professionals die iets kunnen toevoegen aan de school.

Het onderzoek is beperkt van omvang en gebaseerd op de percepties van dertien zij-instromers, maar het maakt wel duidelijk dat zij-instroom niet ophoudt bij werving. De meerwaarde ontstaat pas na binnenkomst, wanneer scholen eerdere expertise herkennen, bespreken en gericht helpen vertalen naar de praktijk van het onderwijs.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor schoolleiders laat dit onderzoek zien dat zij-instromers niet alleen als beginnende leraren moeten worden benaderd. Hun vakkennis kan vaak snel worden ingezet, maar andere ervaring blijft onbenut als scholen niet expliciet kijken hoe die ervaring past bij taken in de klas en in de schoolorganisatie.

Voor mentoren is vooral het verschil tussen vakkennis en didactiek belangrijk. Eerdere inhoudelijke expertise werkt vaak direct door in de les, terwijl klassenmanagement, uitleg geven en sociale interactie met leerlingen een gerichte vertaalslag vragen.

Voor scholen die zij-instromers inzetten tegen het lerarentekort maken de resultaten duidelijk dat werving alleen niet genoeg is. De meerwaarde van zij-instromers ontstaat pas wanneer hun eerdere ervaring wordt herkend, besproken en verbonden met concrete taken in het onderwijs.

Bron: Den Hertog, G., Louws, M., Tigchelaar, A., Van Rijswijk, M. & Van Tartwijk, J. (2026). Exploring where and how second-career teachers utilise their previous professional expertise, Teaching and Teacher Education, 178, 105577. DOI: https://doi.org/10.1016/j.tate.2026.105577

Ontdek meer onderwerpen