De onderzoekers toetsten drie uit het Engels vertaalde meetschalen op bruikbaarheid in de Nederlandse context: een schaal voor het waarnemen van homofoob gedrag, een schaal voor het zelfvertrouwen om in te grijpen en een schaal voor de verdedigersrol. Die instrumenten blijken overwegend betrouwbaar en valide voor gebruik bij Nederlandse leerlingen.
Steeds vaker homofoob gedrag
De aanleiding voor het onderzoek ligt in de combinatie van twee ontwikkelingen. Enerzijds rapporteren lesbische, homoseksuele en biseksuele jongeren in Nederland vaker homofoob pesten en slachtofferschap. Anderzijds is uit eerder onderzoek bekend dat omstanders een belangrijke rol kunnen spelen bij het terugdringen van stigma en pesten. Positieve opvattingen over seksuele diversiteit leiden echter niet vanzelf tot daadwerkelijk ingrijpen. Juist daarom wilden de onderzoekers nagaan of er goede meetinstrumenten beschikbaar zijn om dat gedrag onder Nederlandse jongeren zorgvuldig in kaart te brengen.
De onderzoekers van de afdeling Pedagogische en Onderwijswetenschappen van de RUG verzamelden in oktober en november 2021 gegevens onder 892 leerlingen uit klas twee en drie van het voortgezet onderwijs. De deelnemers waren gemiddeld 13,7 jaar oud en kwamen uit 48 klassen op 12 scholen. De onderzoekers keken daarbij ook of de schalen op vergelijkbare wijze functioneren bij verschillende onderwijsniveaus en bij verschillende gendergroepen.
Doelwit van homofoob gedrag of hun afkeuring hadden uitgesproken
De schaal voor het waarnemen van homofoob gedrag bestond uit vier items over ervaringen in de afgelopen dertig dagen, zoals het horen van beledigende termen of het zien van geruchten over iemands seksuele oriëntatie. De schaal voor zelfvertrouwen om in te grijpen mat hoe zeker leerlingen ervan waren dat zij bijvoorbeeld konden stoppen wat er gebeurde, een medeleerling konden steunen of een docent konden inschakelen. De schaal voor de verdedigersrol vroeg hoe vaak leerlingen in de afgelopen dertig dagen daadwerkelijk steun hadden gegeven aan een doelwit van homofoob gedrag of hun afkeuring hadden uitgesproken.
Voor verschillen tussen onderwijsniveaus vonden de onderzoekers sterk bewijs dat de instrumenten bij verschillende groepen leerlingen hetzelfde meten. Voor gender gold dat eveneens voor de schaal voor zelfvertrouwen om in te grijpen en voor de schaal voor de verdedigersrol. Bij de schaal voor het waarnemen van homofoob gedrag werd naar gender alleen zwakke meetinvariantie gevonden. Dat betekent dat jongens en meisjes die vragen niet helemaal op dezelfde manier lijken te interpreteren.
De laagste score werd gevonden voor de verdedigersrol
De beschrijvende uitkomsten laten tegelijk een duidelijk patroon zien. Leerlingen rapporteerden gemiddeld een matige mate van waargenomen homofoob gedrag. De gemiddelde score op het zelfvertrouwen om in te grijpen lag eveneens in de middenzone. De laagste score werd gevonden voor de verdedigersrol.
Volgens de onderzoekers wijst dat erop dat maar weinig leerlingen daadwerkelijk ingrepen of als verdediger optraden wanneer zij homofoob gedrag of homofoob pesten zagen. Ook liep de score op het waarnemen van homofoob gedrag behoorlijk uiteen, wat erop kan wijzen dat sommige leerlingen dit gedrag veel vaker tegenkomen dan andere.
Er is een bredere schoolaanpak nodig
De onderzoekers concluderen dat de drie instrumenten bruikbaar zijn voor onderzoek onder Nederlandse jonge adolescenten en mogelijk ook inzetbaar zijn in andere westerse contexten. Zij adviseren vervolgonderzoek op scholen die minder expliciet aandacht besteden aan seksuele diversiteit, om te zien of de uitkomsten daar standhouden.
Ook pleiten zij voor meer real-time dataverzameling, bijvoorbeeld via dagelijkse vragenlijsten op smartphones of via klassenobservaties, om de beperkingen van terugblikkende zelfrapportage te verkleinen. Daarnaast wijzen zij erop dat een effectieve aanpak van homofoob pesten vraagt om een brede schoolaanpak waarin pesters, verdedigers, omstanders, slachtoffers en docenten in samenhang worden benaderd, aangevuld met gerichte training voor leerlingen en leraren.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen laat dit onderzoek zien dat het niet genoeg is om alleen positieve opvattingen over seksuele diversiteit te stimuleren. Leerlingen zien homofoob gedrag wel, maar grijpen vaak niet in. Dat maakt het relevant om in het schoolbeleid niet alleen aandacht te besteden aan acceptatie, maar ook aan wat leerlingen concreet kunnen doen wanneer zij dit gedrag meemaken.
Voor docenten en schoolleiders maken de resultaten duidelijk dat er behoefte is aan een bredere aanpak van homofoob pesten, waarin omstanders, slachtoffers, pesters en docenten gezamenlijk in beeld komen. Volgens de onderzoekers hoort daar ook gerichte training bij voor zowel leerlingen als leraren.
Voor onderzoekers en onderwijsprofessionals bieden de gevalideerde schalen een manier om op Nederlandse scholen beter te volgen hoe vaak homofoob gedrag wordt waargenomen, hoe zeker leerlingen zich voelen om in te grijpen en hoe vaak zij daadwerkelijk als verdediger optreden. Daarmee kunnen verschillen tussen schoolcontexten en interventies nauwkeuriger worden onderzocht.
Bron: Stiekema, E., Warrens, M.J., van Bergen, D.D. & Parlevliet, S. (2026). Assessing intervening behavior against homophobic behavior in young adolescents, Social Sciences & Humanities Open. DOI: https://doi.org/10.1016/j.ssaho.2025.102241