Voortgezet onderwijs

Scholen moeten jongeren niet vooral leren zichzelf als probleem te zien

Scholen zijn steeds vaker de plek waar psychische problemen bij jongeren vroeg moeten worden herkend. Leerlingen krijgen lessen over mentale gezondheid, leren signalen van stress en somberheid benoemen en worden sneller doorverwezen als er zorgen ontstaan. Die onderwijsrol is begrijpelijk, maar niet zonder risico, schrijft Geertjan Overbeek van de Universiteit van Amsterdam in een kritische beschouwing over jeugdpreventie.

Als onderwijs vooral wordt ingezet om problemen op te sporen, kan het eraan bijdragen dat gewone spanning, ongemak of verdriet sneller als psychisch probleem wordt gezien.

Overbeek, verbonden aan het Research Institute Child Development and Education van de UvA, stelt dat preventie in het jeugdbeleid steeds meer het karakter heeft gekregen van probleemopsporing. Dat raakt het onderwijs direct, omdat scholen een belangrijke plek zijn voor universele preventie: programma’s die niet alleen op kwetsbare jongeren zijn gericht, maar op alle leerlingen. Decennia van preventie-inspanningen hebben volgens hem niet geleid tot minder psychische klachten onder jongeren. Ze zijn juist samengegaan met een sterke stijging van het gebruik van professionele jeugdzorg. In Nederland ontving vijftig jaar geleden één op de vijfentwintig jongeren professionele jeugdzorg; inmiddels is dat één op de zeven.

Tevreden jongeren, en toch meer klachten

De aanleiding voor zijn beschouwing is een tegenstrijdigheid in nationaal en internationaal onderzoek. Jongeren rapporteren in veel westerse landen nog altijd een hoge tevredenheid met hun leven, terwijl tegelijkertijd meer psychische klachten, suïcidegedachten en psychosomatische klachten worden gemeld. Uit een PISA-rapport van UNICEF bleek dat in 36 landen twee derde of meer van de vijftienjarigen tevreden was met het leven. Tegelijk lieten studies uit het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en de internationale HBSC-studie zien dat emotionele en psychosomatische klachten onder jongeren zijn toegenomen.

Volgens Overbeek betekent die combinatie niet automatisch dat de geestelijke gezondheid van jongeren werkelijk in dezelfde mate is verslechterd. De stijgende cijfers kunnen ook wijzen op een verbreding van wat als psychisch probleem wordt gezien. Wat eerder werd opgevat als spanning, ongemak of een tijdelijke dip, kan sneller in de taal van mentale problemen terechtkomen.

Bewustwording kan overinterpretatie versterken

Een belangrijk deel van zijn betoog gaat over de vraag waarom jongeren, ouders en professionals steeds meer in psychologische probleemtaal zijn gaan denken. Overbeek bespreekt het begrip ‘concept creep’, waarmee wordt bedoeld dat negatieve begrippen als trauma, pesten of psychische stoornis in de loop van de tijd een bredere betekenis hebben gekregen. Trauma verwees oorspronkelijk naar een levensbedreigende ervaring door lichamelijk letsel, maar kan tegenwoordig ook betrekking hebben op emotionele schade.

Die ontwikkeling sluit aan bij de zogenoemde prevalentie-inflatiehypothese. Die stelt dat bewustwording rond mentale gezondheid niet alleen leidt tot betere herkenning van klachten die eerder onopgemerkt bleven, maar bij een deel van de jongeren ook tot overinterpretatie van milde vormen van onbehagen. Een jongere die denkt sociale angst te hebben, kan sociale situaties gaan vermijden, waardoor daadwerkelijke angstklachten kunnen ontstaan. Scholen, overheden en gezondheidsinstanties reageren vervolgens met nieuwe bewustwordingscampagnes, die de aandacht voor signalen van mentale problemen opnieuw vergroten. Zo kan een zichzelf versterkend proces ontstaan.

Onderwijs als plek om mentale gezondheid te versterken

Juist in het onderwijs komt deze spanning scherp naar voren. Scholen zijn een logische plek voor preventie, omdat zij vrijwel alle kinderen en jongeren bereiken. Overbeek verwijst naar een meta-analyse van 252 programma’s voor sociaal en emotioneel leren, waaruit blijkt dat universele programma’s positieve effecten kunnen hebben op onder meer welbevinden, sociale competentie, geestelijke gezondheid en schoolsucces.

De statistische effecten van zulke programma’s zijn doorgaans klein, maar dat is volgens Overbeek geen reden om universele preventie af te schrijven. Bij programma’s die op een hele populatie zijn gericht, kan een klein effect voor veel leerlingen samen toch betekenisvol zijn. Daarbij is van belang welke uitkomsten worden gemeten. Veel onderzoek kijkt vooral naar de afname van risico’s en klachten. Overbeek betoogt dat dit bij universele preventie te smal is.

Hij verwijst naar eigen onderzoek naar Tiger Training, een programma voor sociaal-emotioneel leren dat werd onderzocht in zowel universele als gerichte settings. In een universele setting waren de effecten op individuele maten voor psychosociale problemen afwezig of klein. De effecten op contextgerichte maten waren wel significant: schoolplezier, sociale acceptatie en positieve relaties tussen leerling en leraar. Daar ligt volgens Overbeek een belangrijke les. Als scholen preventie inzetten voor alle leerlingen, moet de opbrengst niet alleen worden gezocht in minder gerapporteerde klachten, maar evengoed in de vraag of leerlingen zich prettiger voelen op school, beter worden opgenomen in de groep en betere relaties hebben met leraren.

Van signaleren naar normaliseren

Het gevaar is volgens Overbeek dat preventie steeds meer een karakter van probleemoplossing krijgt, waarbij vroege signalering vooral wordt gebruikt om risico’s op te sporen en de opbouw van vaardigheden en veerkracht minder aandacht krijgt. Dat heeft gevolgen voor jongeren zelf. Wie milde klachten heeft die ook zonder behandeling hadden kunnen overgaan, kan sneller in een hulptraject terechtkomen, terwijl jongeren met dringende hulpvragen langer moeten wachten.

Daarom pleit hij niet voor minder preventie, maar voor een andere preventie. Een belangrijke richting is het normaliseren van stress, tegenslag en je niet goed voelen. Overbeek pleit voor een andere taal, waarin minder voortdurend wordt gesproken over pathologie en problemen, en meer over veerkracht, sociale verbondenheid en goede geestelijke gezondheid. Die verschuiving vraagt volgens hem ook iets van het onderwijs en de wetenschap. In opleidingen worden studenten naar zijn oordeel nog vaak vooral opgeleid tot klinisch behandelaar en niet tot preventiespecialist, terwijl onderzoek zich nog vaak richt op pathologie en risico in plaats van op kracht en groei bij jongeren.

Preventie is zelf deel van het probleem geworden

In zijn conclusie stelt Overbeek dat preventie van groot belang blijft, maar dat de term zelf problematisch kan zijn, omdat die impliciet verwijst naar het vermijden van ziekte. Daardoor blijft het denken gericht op het opsporen en voorkomen van problemen. Hij bepleit een verschuiving naar salutogenese of gezondheidsbevordering. Voor het onderwijs betekent dat dat de vraag niet alleen moet zijn hoe scholen psychische problemen eerder herkennen, maar ook hoe zij bijdragen aan een omgeving waarin leerlingen zich verbonden voelen en vaardigheden ontwikkelen om met spanning en tegenslag om te gaan. Daarin ligt volgens zijn betoog de kern: niet minder aandacht voor jongeren, maar minder eenzijdige aandacht voor jongeren als dragers van risico’s en problemen.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen laat Overbeeks beschouwing zien dat mentale-gezondheidsprogramma’s niet alleen moeten draaien om het vroeg herkennen van klachten. Bij universele preventie ligt de waarde juist ook in het versterken van schoolplezier, sociale acceptatie en positieve relaties tussen leerlingen en leraren.

Voor leraren en leerlingbegeleiders is vooral de waarschuwing relevant dat milde stress, verdriet of ongemak niet automatisch als psychisch probleem hoeft te worden behandeld. Overbeek pleit voor een houding van volgen en monitoren, waarbij steun mogelijk is zonder dat meteen een professioneel zorgtraject nodig is.

Voor opleidingen en onderzoekers betekent dit dat preventie breder moet worden opgevat dan het verminderen van risico’s en klachten. De nadruk kan sterker liggen op gezondheidsbevordering, veerkracht, sociale verbondenheid en de positieve ontwikkeling van jongeren binnen hun dagelijkse omgeving, waaronder de school.

Bron: Overbeek, G. (2026). Youth prevention in a changing society, European Journal of Developmental Psychology. DOI: https://doi.org/10.1080/17405629.2026.2681816

Ontdek meer onderwerpen