Voortgezet onderwijs

Conservatieve lhbtiq-opvattingen nemen toe, en niet alleen bij één groep jongeren

“De dingen die soms goed voelen, zijn niet altijd even effectief. Dat is een grote opdracht voor beleidsmakers. En ook voor de wetenschap.” Met die waarschuwing vatte Bert Bakker, universitair hoofddocent politieke psychologie, dinsdag in de Tweede Kamer de kern samen van het rapport over lhbtiq-opvattingen onder jongeren: conservatieve opvattingen zijn breed verspreid en vragen om beleid dat niet alleen goed voelt, maar aantoonbaar werkt.

Ruim vier op de tien jongeren vinden niet dat alle mensen gelijkwaardig zijn, ongeacht op wie zij verliefd worden. Dat blijkt uit een empirische studie naar de lhbtiq-opvattingen van jongeren, die dinsdag in de Tweede Kamer werd toegelicht door de onderzoekers achter het rapport. De bevindingen zijn volgens hen niet terug te voeren op één groep, één geloofsovertuiging of één schooltype. Conservatieve opvattingen over gender en seksualiteit komen breed voor onder Nederlandse scholieren.

Dat was ook de boodschap waarmee Bert Bakker, universitair hoofddocent politieke psychologie en leider van het onderzoeksteam, de Kamercommissie toesprak. Wetenschappelijk onderzoek leidt lang niet altijd tot politieke belangstelling, zei hij. “Het doen van wetenschappelijk onderzoek en de rapporten die je schrijft, dat leidt niet altijd tot evenveel aandacht en of interesse.” In dit geval was dat anders. “Het rapport wat we voor het ministerie van Onderwijs hebben mogen schrijven in opdracht van uw Kamer trekt interesse. En het is heel fijn om te zien dat we over dit belangrijke onderwerp met jullie mogen praten.”

Zo eerlijk mogelijk te vertellen zoals het is

Bakker benadrukte dat het onderzoeksteam de resultaten zo open mogelijk wilde bespreken. “We hebben het rapport geprobeerd zo toegankelijk mogelijk en zo eerlijk mogelijk te vertellen zoals het is, wat onze data ons vertellen op basis van de analyses die we hebben gedaan.” Daarbij wilde hij de Kamerleden nadrukkelijk uitnodigen tot doorvragen. “Er zijn wat mij betreft geen stomme of domme vragen. Het is hier een uur om hopelijk wat verder licht te schijnen en met jullie daarover van gedachten te wisselen.”

Onderzoekster Nikki Dekker, promovenda op het thema polarisatie onder jongeren, nam de Kamerleden vervolgens mee door de opzet van het onderzoek. De studie is gebaseerd op twee datasets. De eerste is de SMOJ-data, voluit Sociaal Maatschappelijke Opvattingen van Jongeren. Die dataset werd in 2024 eenmalig verzameld onder 1.656 leerlingen van negen VO-scholen, in de leeftijd van twaalf tot en met achttien jaar. De tweede dataset bestaat uit burgerschapsmeetdata van meer dan 30.000 leerlingen van 114 VO-scholen verspreid over Nederland. Die data zijn afkomstig uit drie meetmomenten, in 2021, 2022 en 2023, en richten zich op onderbouwleerlingen van twaalf tot en met vijftien jaar.

Dekker plaatste daar meteen een kanttekening bij. “Beide datasets zijn niet volledig representatief. Er is een kleine onder- en oververtegenwoordiging van specifieke demografische kenmerken, maar alle groepen zijn wel substantieel vertegenwoordigd. Dus we kunnen wel betrouwbare uitspraken doen over deze groepen.” In de SMOJ-data zijn vwo-leerlingen en niet-religieuze jongeren oververtegenwoordigd. Leerlingen met een migratieachtergrond en vmbo-scholieren zijn juist ondervertegenwoordigd.

Of je een jongen of meisje bent, staat vast vanaf je geboorte

De jongeren kregen in het onderzoek stellingen voorgelegd over zichtbare lhbtiq-thema’s en over abstractere normen. Over genderidentiteit luidde een van de stellingen: “Of je een jongen of meisje bent, staat vast vanaf je geboorte.” Over schoolpraktijken kregen zij onder meer de stellingen voorgelegd dat alle scholen Paarse Vrijdag moeten vieren en dat minstens de helft van de toiletten op school genderneutraal moet zijn. In de burgerschapsdata ging het om algemenere normen, zoals: “Alle mensen zijn gelijkwaardig, ook mannen die op mannen, vrouwen die op vrouwen en mannen die op vrouwen verliefd worden.” Ook werd gevraagd naar affectieve autonomie: “Je mag zelf weten of je op een jongen of een meisje verliefd bent.”

De uitkomsten waren fors. “Bij genderopvattingen, dus of je een jongen of meisje bent staat vast vanaf je geboorte, zagen we dat in totaal 54 procent van de jongeren het in zekere mate eens was met deze stelling”, zei Dekker. Daarmee plaatsten de onderzoekers deze jongeren aan de conservatievere kant van de stelling. Bij Paarse Vrijdag is 41 procent van de jongeren het in zekere mate oneens met de stelling dat alle scholen die dag moeten vieren. “En maar liefst 61 procent van de jongeren is het in zekere mate oneens met de stelling: minstens de helft van de toiletten op school moet genderneutraal zijn.”

41 procent van de jongeren is van mening dat niet iedereen gelijkwaardig is

Nog scherper zijn de uitkomsten bij de abstracte normen. “Als je het hebt over gelijkwaardigheid, zien we dat 41 procent van de jongeren van mening is dat niet iedereen gelijkwaardig is wat betreft seksualiteit”, zei Dekker. “Dus als je het hebt over affectieve autonomie, dus zelfbeslissingsrecht, zegt 35 procent van de jongeren in zekere mate van mening te zijn dat je niet zelf mag weten of je op een jongen of meisje verliefd wordt.”

Volgens Dekker laten de cijfers vooral zien dat beide kanten van het spectrum nadrukkelijk aanwezig zijn. “Zowel de progressieve kant als de conservatieve kant van de stellingen zijn substantieel vertegenwoordigd.” Dat maakt het onderwerp beleidsmatig ingewikkelder, omdat conservatieve opvattingen niet tot één herkenbare groep zijn te herleiden. Op een vraag uit de Kamer antwoordde Dekker daarom dat het niet volstaat om één specifieke groep aan te wijzen. “Deze getallen laten eigenlijk al zien dat het gaat om een grotere groep. En we dus breder moeten inzetten als het gaat om het vergroten van die acceptatie. Dus we kunnen het niet reduceren tot één kenmerk. We kunnen niet specifiek één groep gaan targeten. We kunnen beter focussen op een integrale aanpak.”

Godsdienst, conservatisme, gender en leerweg

Om te onderzoeken welke factoren samenhangen met lhbtiq-opvattingen gebruikten de onderzoekers onder meer een lasso-analyse. Daarmee lieten zij de data bepalen welke kenmerken relevant zijn. “We wilden dus echt data laten bepalen wat speelt een rol”, zei Dekker. Uit die analyse kwamen onder meer godsdienst, conservatisme, gender en leerweg naar voren.

CDA-Kamerlid Sarath Hamstra vroeg waarom leerweg een rol zou spelen. “Waarom zou je conservatiever zijn als je op het vmbo zit dan op het vwo?” Dekker benadrukte dat de onderzoekers daar geen harde verklaring voor kunnen geven. “Een mogelijke reden is dat we in het vmbo nog meer demografische diversiteit zien dan in het vwo, en dat dat mogelijk ook samenhangt met waarom we conservatievere opvattingen vinden in het vmbo dan op het vwo. Dus mogelijk spelen daar ook andere factoren nog een rol.” Ook noemde zij als mogelijke verklaring dat vwo-leerlingen vaker met politieke discussies in de klas in aanraking komen. “Het is gissen, maar dat zijn mogelijke verklaringen voor waarom we die verschillen nu zien.”

Leerlingen op verschillende leerwegen verschillen ook op andere kenmerken

Onderwijswetenschapper Remmert Daas vulde aan dat dergelijke verschillen tussen schooltypen ook in ander onderzoek worden gezien, maar dat ze voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd. Leerlingen op verschillende leerwegen verschillen ook op andere kenmerken van elkaar, zei hij, zoals sociaal-economische achtergrond. Bovendien zijn de verschillen tussen groepen vaak kleiner dan de verschillen binnen groepen. “Verschillen tussen groepen zijn er wel, maar de variatie binnen groepen is vaak vele malen groter.”

Een opvallende bevinding betreft de combinatie van gender en leerweg. Op het vmbo liggen de opvattingen van jongens en meisjes relatief dicht bij elkaar. Op het vwo is dat anders: daar zijn meisjes duidelijk progressiever dan jongens, en ook progressiever dan meisjes op het vmbo. De onderzoekers zagen daarnaast in de burgerschapsdata dat de opvattingen van jongens over de drie meetmomenten heen vrijwel stabiel bleven, terwijl meisjes licht opschoven richting conservatievere standpunten.

We hebben structurele monitoring nodig

VVD-Kamerlid Alisha Müller vroeg of uit eerder onderzoek al blijkt dat de acceptatie afneemt. Dekker was terughoudend met die vergelijking. Eerdere studies zijn volgens haar niet één op één te vergelijken met deze studie, omdat de vraagstellingen en doelgroepen verschillen. “Eigenlijk moet je dit zien als een soort nieuwe nulmeting.” Bakker sloot daarop aan en pleitte voor structurele monitoring als de Kamer echt wil weten hoe opvattingen zich ontwikkelen. “Nu heb je steeds nieuw onderzoek met net andere vraagstellingen, andere steekproef, dus een andere populatie. Dus als je echt wil, als je binnen het individu verandering over tijd wil zien, dan zal je echt een veel grotere investering moeten doen om een continue monitor op te zetten.”

Het scherpste deel van de gedachtewisseling ging over religie en migratieachtergrond. Het rapport laat zien dat religieuze jongeren gemiddeld conservatiever scoren dan niet-religieuze jongeren. Binnen religieuze groepen scoren islamitische jongeren in het onderzoek op sommige lhbtiq-thema’s conservatiever dan christelijke en niet-religieuze jongeren. DENK-Kamerlid Doğukan Ergin wees erop dat islamitische jongeren in de data ondervertegenwoordigd zijn. Ook vroeg hij of de gebruikte conservatisme-schaal mogelijk scheef kan uitpakken, omdat daar ook stellingen over Israël en Palestina in zitten, thema’s waarop sommige groepen jongeren uitgesproken standpunten hebben.

De data is niet geheel representatief

Dekker antwoordde dat de onderzoekers daarvoor een robuustheidscheck hebben gedaan. Zij gebruikten daarbij een beperktere conservatisme-schaal met vijf items, om te kijken of de uitkomsten overeind bleven. “Over het algemeen zagen we dat de resultaten eigenlijk voor alle lhbtiq-thema’s robuust waren.” Tegelijk erkende zij dat de data beperkingen hebben. “We hebben gedaan wat we konden, maar het is zeker zo dat we geen oververtegenwoordiging van islamitische jongeren hebben in deze data. En dat is wel een beperking van de studie.”

Bakker sloot zich daarbij aan en waarschuwde tegen al te stellige conclusies op basis van één onderzoek. “We hebben hier gedegen onderzoek gedaan, daar staan we helemaal voor. Maar het zijn twee datasets waar we ook open over zijn geweest waar die vandaan komen, wat de beperkingen zijn, de vraagstellingen.” Een vervolgonderzoek kan volgens hem andere accenten opleveren. “Het kan best zijn als je een vervolgonderzoek doet, dat je net wat andere patronen gaat vinden.”

Bij religie is het verhaal ook niet simpel

Ook op het punt van religie was het beeld genuanceerder dan een simpele tegenstelling tussen groepen. De onderzoekers benadrukten dat religieuze jongeren gemiddeld conservatiever scoren, ongeacht de religie die zij aanhangen. Daarbij kwamen de grootste verschillen naar geloofsovertuiging juist naar voren bij jongeren zonder migratieachtergrond, en niet bij jongeren met een migratieachtergrond.

D66-Kamerlid Anne-Marijke Podt vroeg vervolgens naar een spanning in het rapport. Aan de ene kant zeggen de onderzoekers dat een integrale aanpak nodig is, omdat conservatieve opvattingen breed voorkomen. Aan de andere kant wijzen praktijkgerichte aanbevelingen uit het literatuurrapport juist op het belang van een doelgroepgerichte aanpak. “Ik was even de draad kwijt”, zei Podt.

Als je een aanpak maakt, moet je die richten op die hele brede groep

Dekker legde uit dat die twee benaderingen elkaar niet hoeven uit te sluiten. “Als je een aanpak maakt, moet je die richten op die hele brede groep. Want we zien dat dit gedeeld wordt door een heel brede groep jonge mensen. Tegelijkertijd, binnen die groep kun je je wel zeker specifieke interventies voorstellen die meer gericht zijn op bepaalde subgroepen.” Bakker benadrukte hetzelfde punt. Er is volgens hem geen eenvoudige knop waaraan beleidsmakers kunnen draaien. “Er is niet een simpele silver bullet, zeg van nou als we aan dit knopje draaien, welke richting je het ook op wil, dan krijg je een bepaalde uitkomst. Menselijk gedrag is heel complex, in groepen is het al helemaal complex.”

Dat betekent volgens Bakker dat interventies moeten aansluiten bij de leefwereld van jongeren. “Neem belangrijke personen of voorbeelden. Dat is voor kinderen in een bepaalde regio, bij een bepaalde sportclub elke keer anders. Bij de hockey is dat anders dan bij de voetbal of de scouting. Om maar even drie stereotypen te nemen.” Juist daar is doelgroepgericht werken zinvol, zei hij. “Je wil de taal spreken van de jongeren met de voorbeelden en de relevante personen. Dus ik denk dat je daar juist wel die doelgroepen moet benaderen.”

Leraren gaan weg, de school heeft een nieuwe directeur

Podt vroeg ook naar de mogelijkheid om jongeren langer te volgen. De burgerschapsdata bestaan uit drie meetmomenten met steeds andere leerlingen, niet uit een longitudinaal onderzoek waarbij dezelfde jongeren door de tijd worden gevolgd. Bakker erkende dat zo’n onderzoek waardevoller zou zijn, maar ook veel moeilijker. “Leraren gaan weg, de school heeft een nieuwe directeur, de prioriteiten vallen weg. Maar dit is wel wat je zou willen hebben.”

Aan het einde vroeg de voorzitter Marjolein Moorman (PRO) wat de onderzoekers de Kamer vooral wilden meegeven voor het komende debat over het rapport. De boodschap was dat de Kamer de complexiteit van het vraagstuk moet blijven zien. Conservatieve opvattingen over lhbtiq-thema’s komen breed voor, maar dat betekent niet dat alle groepen hetzelfde zijn of dat elke interventie overal werkt. Bakker vatte de opdracht voor beleidsmakers en onderzoekers samen in één waarschuwing. “De dingen die soms goed voelen, zijn niet altijd even effectief. Dat is een grote opdracht voor beleidsmakers. En ook voor de wetenschap.”