Voortgezet onderwijs

Leraren willen LGBTQ+-leerlingen helpen, maar de school werkt niet altijd mee

Leraren willen LGBTQ+-leerlingen ondersteunen, maar lopen daarbij vaak tegen grenzen aan die buiten henzelf liggen. Niet hun houding, maar de schoolcontext bepaalt in belangrijke mate wat er mogelijk is. Dat blijkt uit onderzoek van wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit Utrecht.
LGBTQ+-leerlingen

Schoolpersoneel dat LGBTQ+-leerlingen wil ondersteunen, stuit op een breed scala aan drempels die samenhangen met de manier waarop een school is georganiseerd en functioneert. De ruimte die leraren en begeleiders ervaren om steun te bieden, wordt niet alleen bepaald door hun eigen houding, maar ook door beleid, leidinggevenden, collega’s, leerlingen en ouders. Dat blijkt uit kwalitatief onderzoek onder medewerkers in het voortgezet onderwijs en het mbo.

Minder steun van schoolpersoneel

De aanleiding voor het onderzoek ligt in een terugkerende bevinding uit eerder onderzoek: seksueel en genderdiverse leerlingen rapporteren vaker negatieve schoolervaringen, zoals pesten en een lager gevoel van verbondenheid, en ervaren minder steun van schoolpersoneel dan hun heteroseksuele en cisgender leeftijdsgenoten. Tegelijkertijd is bekend dat juist het handelen van personeel een belangrijke rol kan spelen bij het verminderen van die negatieve ervaringen. Om deze kloof te begrijpen, richten de onderzoekers zich niet op individuele leraren, maar op de bredere schoolcontext waarin zij werken. 

Als analytisch kader gebruiken zij het whole school approach-model. Dit model gaat ervan uit dat factoren op verschillende niveaus – zoals beleid, personeelspraktijken en leerlingkenmerken – elkaar wederzijds beïnvloeden. Veranderingen in één onderdeel van de school hebben daarom weinig effect als andere onderdelen ongewijzigd blijven. 

Voor het onderzoek zijn zeventien medewerkers uit het voortgezet onderwijs en het mbo geïnterviewd. In semigestructureerde gesprekken van 45 tot 70 minuten bespraken zij onder meer situaties met homofoob taalgebruik, pesten en vragen rond genderidentiteit. De interviews zijn volledig uitgeschreven en thematisch geanalyseerd.

Invloed van sociale media

Uit de analyse komen tien samenhangende schoolfactoren naar voren die de mogelijkheden en motivatie van personeel om seksueel en genderdiverse leerlingen te ondersteunen beïnvloeden. Zeven daarvan waren al theoretisch verondersteld; drie factoren kwamen naar voren uit de interviews zelf: schoolwaarden, de collegiale omgeving en de invloed van sociale media.

Op institutioneel niveau speelt beleid een rol, maar niet eenduidig. Sommige medewerkers ervaren duidelijke regels als steun bij het ingrijpen, terwijl anderen twijfelen aan de meerwaarde van specifiek beleid voor deze groep leerlingen. Naast formeel beleid blijkt de informele waardencultuur van de school minstens zo bepalend. Begrippen als respect en veiligheid fungeren als gedeelde normen die richting geven aan het handelen van personeel.

Minder vrij om in te grijpen

Ook de dagelijkse onderwijspraktijk zelf blijkt van invloed op de ruimte die personeel ervaart om te handelen. Medewerkers in zorggerichte opleidingen geven aan dat hun vakinhoud aanknopingspunten biedt om sociale en persoonlijke thema’s te bespreken, terwijl collega’s in meer examengerichte vakken vaker tijdsdruk ervaren. Daardoor voelen zij zich minder vrij om in te grijpen bij bijvoorbeeld microagressies tijdens de les.

Binnen die context speelt de schoolleiding een belangrijke rol. Deelnemers beschrijven hoe steun van leidinggevenden – bijvoorbeeld door incidenten serieus te nemen en zichtbaar betrokken te zijn – hun vertrouwen vergroot om op te treden. Omgekeerd werkt een gebrek aan steun juist remmend. Scholing kan dat deels ondervangen, vooral wanneer die aansluit bij de dagelijkse praktijk en ruimte biedt om concrete situaties te oefenen. Tegelijkertijd signaleren deelnemers dat deelname vaak vrijwillig is, waardoor juist medewerkers die minder bekend zijn met het onderwerp vaak buiten beeld blijven. 

Naast beleid en leiding blijkt ook de collegiale omgeving bepalend. Deelnemers geven aan behoefte te hebben aan een team waarin collega’s elkaar aanspreken, ondersteunen en gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen. In de praktijk is dat niet vanzelfsprekend.

“Paarse Vrijdag, wat is dat? “

Zo beschrijft een deelnemer hoe zij collega’s moet overtuigen om mee te doen aan een initiatief als Paarse Vrijdag: “Paarse Vrijdag, wat is dat? We dragen allemaal paarse lintjes? Hoe belangrijk is dat nou?” Waarop zij reageert: “Wat als één leerling denkt: ze besteden er aandacht aan?” 

Tegelijkertijd ervaren sommige medewerkers weerstand tegen aandacht voor seksuele en genderdiversiteit. Zoals een deelnemer het verwoordt: “Het moet niet te veel een ding worden… ik hoor vaak als verwijt: ‘het is er de hele tijd’.”  In combinatie met een gebrek aan betrokkenheid van collega’s leidt dat ertoe dat sommige medewerkers zich alleen voelen in hun inzet. “Aan de ene kant snapte ik dat ze mij vroegen, omdat ik het had aangekaart en zelf tot de LGBTQ+-gemeenschap behoor. Aan de andere kant voelde het heel eenzaam, omdat ik het weer moest dragen.” 

De relatie tussen leerling en medewerker vormt een andere belangrijke factor. Sterke relaties maken het makkelijker om in te grijpen en vergroten de kans dat leerlingen steun zoeken. Die relaties staan echter niet los van de omgeving buiten de school. Ouders kunnen het handelen van personeel ondersteunen, maar ook bemoeilijken, afhankelijk van hun houding tegenover seksuele en genderdiversiteit. 

Daarnaast wijzen deelnemers op de invloed van sociale media, die de houding van leerlingen mede vormt en daarmee de dynamiek in de klas beïnvloedt. Uitspraken en discussies die online circuleren, vinden hun weg naar het klaslokaal en kunnen de ruimte om in te grijpen verkleinen. 

Medewerkers met een seksuele of genderdiverse identiteit ervaren soms extra drempels

Tot slot speelt ook de positie van het personeel zelf een rol. Medewerkers met een seksuele of genderdiverse identiteit ervaren soms extra drempels, bijvoorbeeld door opmerkingen van collega’s of reacties van ouders. Tegelijkertijd kan hun zichtbaarheid bijdragen aan herkenning en steun voor leerlingen. 

De onderzoekers concluderen dat het ondersteunen van seksueel en genderdiverse leerlingen niet los kan worden gezien van de bredere schoolcontext. Het handelen van personeel wordt gevormd door een geheel aan factoren binnen en buiten de school, die elkaar onderling beïnvloeden. Verbetering van de schoolervaringen van deze leerlingen vraagt daarom om interventies op meerdere niveaus tegelijk, waarin beleid, cultuur, relaties en professionele ondersteuning met elkaar worden verbonden.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen laat dit onderzoek zien dat ondersteuning van seksueel en genderdiverse leerlingen niet alleen afhangt van individuele leraren, maar van de bredere schoolcontext. Maatregelen die zich uitsluitend richten op individuele docenten hebben beperkte impact zonder aanpassingen in beleid, cultuur en samenwerking.

Voor schoolleiders onderstrepen de resultaten het belang van zichtbare en actieve steun. Het serieus nemen van incidenten, deelnemen aan scholing en het uitdragen van inclusieve normen beïnvloeden direct de ruimte die personeel ervaart om op te treden.

Voor teams maken de bevindingen duidelijk dat collegiale samenwerking essentieel is. Een werkomgeving waarin collega’s elkaar aanspreken en ondersteunen vergroot de kans dat personeel daadwerkelijk optreedt tegen discriminatie en leerlingen actief ondersteunt.

Bron: van Vliet, R., van der Ploeg, R., Dietz, M. B. & Baams, L. (preprint). Not Another Brick in the Wall: Understanding How School Staff Support for LGBTQ+ Students is Shaped by the Broader School Context.

Ontdek meer onderwerpen