Gezinssamenstelling speelt daarbij een belangrijke rol: kinderen die opgroeien bij beide ouders profiteren meer van zo’n verhuizing, terwijl veelvuldig verhuizen het zwaarst weegt voor kinderen in gezinnen waar dat niet het geval is.
Onderzoekster Joeke Kuyvenhoven van de Universiteit van Amsterdam onderzocht hoe woonmobiliteit en blootstelling aan armoede in de woonomgeving samenhangen met het al dan niet behalen van een middelbareschooldiploma. De studie brengt twee processen samen die in eerder onderzoek vaak los van elkaar werden bekeken: het mogelijke voordeel van verhuizen naar een betere buurt en de ontwrichtende gevolgen van herhaaldelijk verhuizen tijdens de jeugd. Daarbij keek Kuyvenhoven ook naar de duur van de blootstelling aan achterstandsbuurten gedurende de jeugd.
Achtergestelde buurten van de grootstedelijke gebieden
Het onderzoek richtte zich op kinderen die in 1995 werden geboren in de twintig procent meest sociaaleconomisch achtergestelde buurten van de grootstedelijke gebieden van Amsterdam en Stockholm. Voor Amsterdam ging het om 2.248 kinderen, voor Stockholm om 3.897. Met behulp van bevolkingsregisters van het CBS en Statistics Sweden werd hun woonomgeving gevolgd van geboorte tot het zestiende levensjaar. Vervolgens werd op 21-jarige leeftijd gekeken of zij minimaal een mbo-2-, havo-, vwo- of Zweeds gymnasiumdiploma hadden behaald.
De onderzoekers deelden de kinderen in op basis van verhuisfrequentie en de duur van hun verblijf in achterstandsbuurten. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen kinderen die niet verhuisden, kinderen die één of twee keer verhuisden en kinderen die drie keer of vaker verhuisden. Ook werd gekeken of zij minder dan negen jaar of juist negen jaar of langer in achterstandsbuurten woonden. Om te voorkomen dat verschillen vooral het gevolg zouden zijn van uiteenlopende sociaaleconomische achtergronden van gezinnen, gebruikte Kuyvenhoven een statistische methode die de groepen zo vergelijkbaar mogelijk maakt.
De meeste kinderen in de onderzoeksgroep verhuisden minstens één keer tijdens hun jeugd: 84 procent. Veelvuldig verhuizen kwam duidelijk vaker voor in Stockholm dan in Amsterdam. In Stockholm verhuisde 28 procent van de kinderen drie keer of vaker, tegenover 13 procent in Amsterdam. Kinderen uit achterstandsbuurten behaalden bovendien minder vaak een diploma dan gemiddeld in de grootstedelijke gebieden. In Amsterdam had 75 procent van de kinderen uit achterstandsbuurten op 21-jarige leeftijd een diploma, tegenover 82 procent van alle kinderen in het grootstedelijk gebied. In Stockholm lagen die percentages op respectievelijk 81 en 88 procent.
Uit de analyses bleek dat kinderen die één of twee keer verhuisden naar een minder arme buurt aanvankelijk betere onderwijsuitkomsten hadden dan kinderen die in achterstandsbuurten bleven wonen. Voor Amsterdam verdween dat verschil echter nadat rekening werd gehouden met de sterkere sociaaleconomische positie van de gezinnen die naar betere buurten verhuisden. In Stockholm bleef er na die correctie nog wel een beperkt positief verband over. Kinderen die daar één of twee keer verhuisden naar een minder arme buurt hadden een iets grotere kans om hun middelbareschooldiploma te behalen dan leeftijdgenoten die in achterstandsbuurten bleven wonen.
Langdurig in achterstandsbuurten
Een ander patroon was zichtbaar bij kinderen die vaak verhuisden én langdurig in achterstandsbuurten bleven wonen. In beide steden hing die combinatie samen met een kleinere kans op het behalen van een diploma, ook nadat rekening was gehouden met verschillen in gezinsachtergrond. In Amsterdam wijzen de onderzoekers er wel op dat die groep relatief klein was, waardoor de resultaten daar voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd.
De rol van gezinssamenstelling was vooral zichtbaar in Stockholm. Kinderen die hun hele jeugd bij beide ouders woonden en één of twee keer verhuisden naar een minder arme buurt hadden daar een kans van 93 procent op het behalen van een diploma. Voor kinderen uit niet-intacte gezinnen die vaak verhuisden en langdurig in achterstandsbuurten verbleven, lag die kans op 70 procent. In Amsterdam was een vergelijkbaar patroon zichtbaar, maar kleiner en statistisch niet significant: 77 procent tegenover 68 procent.
Volgens Kuyvenhoven hangen verhuispatronen sterk samen met de sociaaleconomische positie van gezinnen. Kinderen met een migratieachtergrond en kinderen uit sociaaleconomisch zwakkere gezinnen verhuizen vaker binnen of tussen achterstandsbuurten, terwijl gezinnen met meer middelen vaker naar minder arme buurten kunnen verhuizen. Veelvuldig verhuizen gecombineerd met langdurige blootstelling aan achterstandsbuurten leidt volgens de onderzoekster tot een opeenstapeling van nadelige omstandigheden tijdens de jeugd.
De studie benadrukt dat geen causale conclusies kunnen worden getrokken. Mogelijk spelen ook andere, niet gemeten factoren een rol. De onderzoekster pleit daarom voor vervolgonderzoek naar de mechanismen achter deze verbanden, zoals schoolwisselingen, veranderingen in sociale netwerken en verstoringen in de gezinssituatie.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor gemeenten en woningcorporaties laat dit onderzoek zien dat herhaaldelijke verhuizingen in combinatie met langdurig wonen in achterstandsbuurten samenhangen met lagere kansen op het behalen van een diploma. Alleen verhuizen naar een andere buurt lijkt niet automatisch voldoende om onderwijsachterstanden te verkleinen.
Voor scholen en onderwijsprofessionals maken de resultaten duidelijk dat veelvuldige verhuizingen tijdens de schoolloopbaan kunnen samengaan met extra risico’s voor leerlingen, zeker wanneer ook sprake is van instabiele gezinssituaties. De onderzoekers wijzen daarbij op het mogelijke belang van schoolwisselingen en veranderingen in sociale netwerken.
Voor beleidsmakers onderstrepen de bevindingen dat verschillen in onderwijsuitkomsten niet alleen samenhangen met individuele kenmerken van leerlingen, maar ook met langdurige blootstelling aan sociaaleconomische achterstand in de woonomgeving. Tegelijk benadrukt de studie dat causale conclusies niet mogelijk zijn en dat vervolgonderzoek nodig blijft.
Bron: Kuyvenhoven, J. (2026). Completion of secondary education among children born in deprived neighbourhoods in Amsterdam and Stockholm: The role of residential mobility and exposure to neighbourhood deprivation, Urban Studies. DOI: https://doi.org/10.1177/00420980261442414