Voortgezet onderwijs

Hiërarchie in de klas ligt al na drie weken vast, Groningse promotie laat zien waar antipestprogramma’s op stuklopen

De pikorde in een brugklas is sneller bepaald dan veel scholen denken. Al binnen één tot drie weken na de start van het schooljaar liggen de verhoudingen in een klas grotendeels vast. Dat heeft directe gevolgen voor de manier waarop het voortgezet onderwijs pesten probeert aan te pakken, betoogde Elsje de Vries donderdag tijdens haar promotie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verdedigde daar haar proefschrift over GRIP, een antipestprogramma voor het voortgezet onderwijs.

De verdediging leverde een ongemakkelijke conclusie op. GRIP lijkt geen schadelijke effecten te hebben op het daadwerkelijke pestgedrag of op het aantal leerlingen dat gepest wordt. Tegelijkertijd nemen de antipestnormen onder leerlingen die het programma volgen per saldo af. Juist die spanning hield haar opponenten langdurig bezig: als leerlingen na deelname minder sterk tegen pesten gekant zijn, hoe geruststellend is het dan dat het programma niet tot méér pesten leidt?

GRIP is de opvolger van het bekende basisschoolprogramma KiVa en is ontwikkeld voor het voortgezet onderwijs. De Vries volgde leerlingen gedurende hun eerste twee jaar op de middelbare school en onderzocht zowel de werking van het programma als de manier waarop scholen het invoeren.

De verdediging begon bij een onderscheid dat De Vries in haar proefschrift maakt tussen strategische en niet-strategische pesters. Hoogleraar Claire Garandeau uit Finland wees erop dat beide groepen hun populariteit en aantal vrienden behouden. De eerste groep pest aan het begin van de middelbare school en stopt zodra status is verworven; de tweede groep blijft pesten. Waarom zou die tweede groep dan niet óók strategisch zijn?

Het levert geen extra status op en ook geen extra vrienden

De Vries erkende dat het label discussie oproept, maar verdedigde het onderscheid. Niet-strategische pesters blijven volgens haar investeren in gedrag dat hun niets extra’s meer oplevert. “Het levert geen extra status op en ook geen extra vrienden, vergeleken met de pesters die daadwerkelijk zijn gestopt met pesten”, zei zij. Sterker nog, deze groep wordt op den duur iets minder aardig gevonden door klasgenoten. Een werkelijk strategische pester zou dat signaal oppikken en zijn gedrag aanpassen. “Als je de volledig strategische pester wilt zijn, dan pest je alleen wanneer dat nodig is.”

Daarmee kwam meteen een bredere vraag op tafel: is pesten niet per definitie doelgericht gedrag? De Vries antwoordde dat veel afhangt van het doel dat de pester nastreeft. Wie vooral status zoekt, kan daarin slagen. Wie ook aardig gevonden wil worden, loopt vast. Juist dat maakt het onderscheid tussen pesters die stoppen en pesters die doorgaan volgens haar relevant.

Daarna verschoof het gesprek naar een van de opvallendste bevindingen uit het proefschrift: de hiërarchie in een klas staat al heel vroeg vast. Hoogleraar Minne Fekkes van de Universiteit van Amsterdam wees erop dat De Vries dit in haar eigen onderzoek laat zien, terwijl GRIP pas na de kerstvakantie expliciet aandacht besteedt aan groepsdynamica. Dat wringt, vond Fekkes. Als de rangorde al in de eerste weken ontstaat, zou een antipestprogramma dan niet juist daar moeten beginnen?

De eerste weken van het schooljaar zijn volgens haar cruciaal

De Vries gaf hem zonder omwegen gelijk. De eerste weken van het schooljaar zijn volgens haar cruciaal, de zogeheten gouden weken waarin leerlingen elkaar leren kennen en de sociale rangorde feitelijk al wordt bepaald. “Juist omdat die hiërarchie zo snel vastligt, is het belangrijk om daar meteen mee te beginnen, en niet pas later in het programma”, erkende zij. Volgens De Vries zou de mentor vanaf het begin met de klas moeten werken aan een groepsnorm die voor alle leerlingen relevant is.

Fekkes legde daarna een tweede gevoelig punt bloot. Uit de profielanalyse van De Vries blijkt dat leerlingen die slachtoffer worden van pesten vaak onderaan de hiërarchie blijven hangen, en dat dit patroon al vroeg zichtbaar is. Toch richt GRIP zich vooral op pesters en de middengroep. Moet het slachtoffer zelf dan niet ook iets aangeboden krijgen?

De Vries wilde die kant niet op. Aparte training voor slachtoffers kan volgens haar stigmatiserend werken en het risico op victim blaming vergroten. “Misschien wordt het dan voor de rest van de groep juist nog duidelijker wie de mensen zijn die ze eruit moeten pikken”, waarschuwde zij. Weerbaarheidstrainingen kunnen op zichzelf nuttig zijn, maar horen volgens De Vries niet thuis in een antipestprogramma. De verantwoordelijkheid moet niet bij het slachtoffer komen te liggen.

Het basisonderwijs heeft een meer collegiale teamcultuur

Een ander terugkerend thema was de vraag of scholen in het voortgezet onderwijs wel voldoende zijn toegerust om een programma als GRIP goed uit te voeren. Hoogleraar Timmermans van de RUG wees op De Vries’ eigen bevinding dat het voortgezet onderwijs minder dan het basisonderwijs beschikt over een collegiale teamcultuur, gedeelde waarden en gestructureerde implementatie. Precies die factoren zijn nodig om een interventie te laten landen. Had De Vries die realiteit niet te licht opgevat?

De Vries noemde dat “een van de interessantste vragen en puzzels die er nu liggen”. De inhoud van GRIP en de flexibiliteit van het programma passen volgens haar bij docenten in het voortgezet onderwijs. Het probleem zit eerder in de schoolorganisatie. Als een schoolleider het programma simpelweg oplegt zonder draagvlak in het team, loopt de invoering al snel vast. Er valt volgens De Vries veel winst te boeken nog vóór de implementatie begint, door in schoolvergaderingen meer kennis over de interventie te delen en de beslissing gezamenlijker te maken.

De cyclus van vormen, botsen en normeren

Ook dr. Van den Berg van de Radboud Universiteit kwam uit bij de vraag of GRIP goed aansluit op de werkelijkheid van de school. Zij prees dat De Vries het Tuckman-model had gebruikt, waarin groepsvorming verloopt via herkenbare fases. Tegelijkertijd wees zij op een spanning: Tuckman beschrijft een groepsproces dat in zes weken kan zijn doorlopen, terwijl GRIP die fases over een heel schooljaar verdeelt. Onderschat het programma daarmee niet zijn eigen mogelijkheden? Zou de cyclus van vormen, botsen en normeren niet juist na elke vakantie opnieuw kunnen worden doorlopen?

De Vries erkende dat groepsvorming sneller kan verlopen, maar verdedigde de langere opbouw met een praktisch argument. Een klas heeft tijd nodig om elkaar als geheel te leren kennen. “Ik ben het er helemaal mee eens dat zo’n groep ook sneller kan ontstaan”, zei zij. “Maar ik denk dat het in een klas belangrijk is om daar de tijd voor te nemen.” Wel gaf zij toe dat sommige onderdelen eerder in het jaar zouden kunnen worden ingebouwd. Ook incidenten en perioden van afwezigheid, zoals tijdens de coronapandemie midden in haar onderzoek, kunnen de hiërarchie in een klas opnieuw laten schuiven. “Of het is aan ons om de theorie beter passend te maken bij de werkelijkheid”, concludeerde zij. “Dat is altijd goed om te doen.”

Een gedeelde verantwoordelijkheid

De meest beeldende vraag kwam van professor Koepers, die een gedachte-experiment voorlegde. Stel dat GRIP op twee scholen wordt ingevoerd. Op school A werken uitstekende mentoren die de lessen voorbeeldig geven, de monitor zorgvuldig afnemen en individueel precies doen wat het programma voorschrijft. Maar na schooltijd gaan zij naar huis en praten zij nauwelijks met elkaar. Op school B werken gewone docenten, soms wat minder strak in de voorbereiding, maar het team voelt het welzijn van leerlingen als een gedeelde verantwoordelijkheid en bespreekt onderling hoe het in de klassen gaat. Op welke school zou GRIP dan het beste werken?

De Vries aarzelde niet. “Ik weet zeker dat school B wint”, zei zij. Pesten in het voortgezet onderwijs is volgens haar voor docenten voor een groot deel onzichtbaar. Als een docent signalen opvangt maar die niet met collega’s deelt, blijft het probleem voortbestaan. “Als de docent denkt: ik heb mijn lessen gegeven, ik heb de monitor afgenomen, ik heb alles gedaan wat ik voor GRIP kon doen, maar ik vertel mijn collega’s niet welke leerlingen het moeilijk hebben in mijn klas, dan moeten die anderen het zelf maar oppikken.” Een sterk team kan volgens De Vries zonder formeel programma al veel oplossen. Een uitstekende docent die achter een gesloten deur alleen opereert, kan dat niet.

De scherpste discussie ontstond rond de conclusie dat GRIP geen ongunstige effecten heeft op pesten en gepest worden. Een opponent uit Groningen verwees naar tabel 5.5 in het proefschrift. Daaruit blijkt dat er inderdaad geen effect is gevonden op pestgedrag, maar dat de antipestnormen onder leerlingen die het programma volgden wél significant daalden. Hoe valt dat te rijmen met de conclusie dat het programma geen schadelijke werking heeft?

Veel antipestprogramma’s in het voortgezet onderwijs kunnen juist averechts uitpakken

De Vries hield vast aan haar formulering. Het uitblijven van schadelijke effecten op pestgedrag zelf is volgens haar al betekenisvol, omdat veel antipestprogramma’s in het voortgezet onderwijs juist averechts kunnen uitpakken naarmate leerlingen ouder worden. De daling van de antipestnormen verklaarde zij deels doordat leerlingen door GRIP voor het eerst expliciet over pesten leren nadenken. Daarnaast wees zij op een bredere trend onder adolescenten. “Dat er dan niet méér gepest wordt terwijl dit is toegenomen, is eigenlijk al winst”, zei De Vries.

De vraag bleef echter ongemakkelijk. Zou GRIP onbedoeld méér begrip voor pesters kunnen kweken, doordat het programma aandacht besteedt aan de status- en emotiemotieven van daders? De Vries ging daarin niet mee. Meer kennis leidt volgens haar doorgaans tot meer terughoudendheid, niet tot minder. Voor de leeftijdsgroep van twaalf tot veertien jaar maakt zij zich op basis van haar bevindingen geen zorgen. “Niet als ik alleen naar dit deel kijk, nee”, antwoordde zij toen de opponent haar opnieuw naar de tabel verwees.

De sociale rangorde in een klas vormt zich razendsnel

Daarmee bleef aan het einde van de verdediging een dubbel beeld staan. GRIP laat zien hoe moeilijk het is om pesten in het voortgezet onderwijs programmatisch aan te pakken. De sociale rangorde in een klas vormt zich razendsnel, slachtoffers zijn vanaf het begin kwetsbaar, en scholen hebben juist in het voortgezet onderwijs niet altijd de teamcultuur die nodig is om signalen te delen en gezamenlijk te handelen. Tegelijk is het programma niet simpelweg mislukt: het leidt niet tot meer pesten, maar roept wel de vraag op of het sterk genoeg en vroeg genoeg ingrijpt in de groepsdynamiek.

Na ruim drie kwartier verdedigen sloot de pedel de zitting. Veenstra droeg de bul voor, waarna Huitsing bij wijze van uitzondering het woord nam voor een laudatio. Hij typeerde zijn promovenda als Friezin: zuinig met woorden, koppig en loyaal. Haar standaardreactie op complexe vraagstukken vatte hij samen als: “Ja, dat.” In de praktijk van deze Groninger promotie bleek dat een opvallend passende samenvatting.

Ontdek meer onderwerpen