Voortgezet onderwijs

Denominatie kleurt les over pleziergerichte seksuele vorming en homoseksualiteit

Seksuele vorming is in Nederland wel verplicht op school, maar wat leerlingen daar precies over leren, verschilt nog altijd sterk per school en soms zelfs per docent. Die variatie is vooral groot bij onderwerpen als seksueel plezier en LGBTQI+-diversiteit, laten onderzoekers Jenneke van Ditzhuijzen en Margaretha de Looze van de Universiteit Utrecht zien.

Zij laten zien dat die verschillen niet alleen samenhangen met de kennis van individuele docenten, maar ook met de context van de school waarin zij werken. Juist dat maakt de vraag urgent hoe goed docenten in het voortgezet onderwijs zijn toegerust om seksuele vorming te geven die breder is dan voortplanting, anticonceptie en risicovermijding. 

Nederland als gidsland berust op oude data

Die vraag is des te relevanter omdat seksuele vorming internationaal nog vaak risicogericht en cis-heteronormatief blijft, terwijl jongeren zelf geregeld aangeven dat lessen te weinig aandacht besteden aan seksueel plezier en aan LGBTQI+-diversiteit. Volgens de auteurs geldt dat probleem ook voor Nederland. Het beeld van Nederland als gidsland op het gebied van seksuele gezondheid onder jongeren berust voor een belangrijk deel op oudere cijfers.

Intussen zijn er meer zorgen ontstaan, onder meer over afnemend condoomgebruik, en is seksuele vorming op scholen onderwerp geworden van maatschappelijke tegenreacties. In 2021 besteedde slechts 22 procent van de Nederlandse middelbare scholen aandacht aan seksueel plezier, 68 procent aan seksuele oriëntatie en 58 procent aan genderdiversiteit. 

Volgens de onderzoekers ligt onder die verschillen een structureel probleem. Relationele en seksuele vorming maakt wel deel uit van het curriculum in het voortgezet onderwijs, maar er zijn geen nationale richtlijnen voor de precieze inhoud en ook niet voor de scholing van docenten die dit onderwijs verzorgen.

Veel hangt van de school, lesmethode en de docent

Daardoor hangt veel af van de school, de gebruikte lesmethode en soms zelfs van de individuele docent. Het gevolg is dat de kwaliteit en reikwijdte van seksuele vorming sterk uiteenlopen, tussen scholen en ook binnen scholen. Sommige leerlingen krijgen daardoor brede, inclusieve seksuele vorming, terwijl anderen vooral onderwijs krijgen dat beperkt blijft tot reproductie en anticonceptie. 

In het artikel spelen daarbij twee schoolkenmerken een opvallende rol: religieuze denominatie en culturele diversiteit. Eerder onderzoek laat zien dat religieuze denominatie kan samenhangen met meer of juist minder steun voor pleziergerichte en LGBTQI+-inclusieve seksuele vorming

In multiculturele scholen kunnen specifieke spanningen ontstaan

Daarnaast kunnen in multiculturele scholen specifieke spanningen ontstaan wanneer scholen informatie aanbieden waar ouders bezwaar tegen hebben, of wanneer school en thuis vanuit verschillende waarden naar seksualiteit kijken. Juist daarom wilden de onderzoekers niet alleen weten hoe het staat met kennis, houding en vaardigheden van docenten, maar ook hoe die samenhangen met schoolcontexten. 

Voor het onderzoek vulden 508 docenten seksuele vorming in het voortgezet onderwijs in november 2022 een online vragenlijst in. De vragenlijst duurde gemiddeld 23 minuten. De onderzoekers maten kennis met stellingen over seksueel plezier en LGBTQI+-diversiteit, houdingen met schalen over beide onderwerpen en vaardigheden via zelfrapportage.

De data werden geanalyseerd met lineaire regressie. De meeste deelnemers waren biologiedocent en meer dan de helft gaf al meer dan tien jaar seksuele vorming. Van de scholen waar de docenten werkten had 27 procent meer dan 30 procent leerlingen uit etnische minderheidsgroepen, en iets meer dan de helft van de scholen was openbaar of algemeen bijzonder; de rest had een religieuze denominatie. 

De basis leek echter beperkt

Gemiddeld scoorden docenten voor kennis over pleziergerichte seksuele vorming 6,12 op een schaal van 1 tot 10. Voor LGBTQI+-kennis was de gemiddelde score 5,83 op een schaal van 1 tot 8, wat neerkomt op 7,29 op een tienpuntsschaal. Op enkele concrete kennisvragen bleek de basis echter beperkt. Zo wist slechts 38 procent van de docenten dat de clitoris ongeveer even groot is als een penis.

Ook wist maar 46 procent dat de stelling onjuist is dat iemand intersekse is wanneer die persoon zich geen man of vrouw voelt. De houding van docenten tegenover pleziergerichte en LGBTQI+-inclusieve seksuele vorming was overwegend positief.

Bekwaam in het scheppen van een veilig klimaat

De gemiddelde score bedroeg 5,97 voor seksueel plezier en 5,74 voor LGBTQI+-diversiteit, beide op een schaal van 1 tot 7. Voor vaardigheden lag de gemiddelde score op 5,32. Docenten voelden zich vooral bekwaam in het scheppen van een veilig klimaat in de klas. Minder sterk scoorden zij op het zich vertrouwd maken met voor leerlingen herkenbare LGBTQI+-personen. 

De interessantste uitkomst van het onderzoek zit in de verschillen tussen scholen. Docenten op scholen met meer dan 30 procent leerlingen uit etnische minderheidsgroepen scoorden gemiddeld hoger op kennis, houding en vaardigheden dan docenten op minder cultureel diverse scholen. In de regressieanalyses hing culturele diversiteit vooral samen met positievere houdingen en hogere vaardigheidsscores.

Cultureel diverse scholen kennen niet per definitie meer problemen

De auteurs noemen dat een opvallende bevinding, juist omdat zij in de inleiding nog wijzen op mogelijke spanningen in multiculturele schoolcontexten. Het onderzoek laat dus niet zien dat cultureel diverse scholen per definitie meer problemen kennen bij seksuele vorming, maar juist dat docenten daar gemiddeld op meerdere punten hoger scoren. 

Bij religie ligt het beeld genuanceerder. Docenten die zelf religieus waren of religie belangrijk vonden, scoorden lager op kennis en hadden minder ondersteunende houdingen tegenover pleziergerichte en LGBTQI+-inclusieve seksuele vorming. Voor scholen met een religieuze denominatie gold een minder eenduidig patroon.

Docenten op niet-religieuze scholen hoger scoorden

In de regressieanalyses hing religieuze denominatie vooral samen met houding, niet met vaardigheden. Voor LGBTQI+-kennis werd juist een positief verband met religieuze schooldenominatie gevonden, wat het beeld verder nuanceert. De auteurs benadrukken daarom dat religieuze achtergrond op docentniveau belangrijker kan zijn voor kennis en vaardigheden dan religieuze denominatie op schoolniveau. Tegelijk laten de gemiddelden wel zien dat docenten op niet-religieuze scholen hoger scoorden op de attitude-schaal voor seksueel plezier. Voor houding tegenover LGBTQI+-diversiteit werd op schoolniveau geen significant verband met denominatie gevonden.

Ook de mate waarin seksuele vorming structureel in de school was ingebed, bleek van belang. Scholen waar seksuele vorming beter was verankerd, bijvoorbeeld via nascholing, overleg, peerreflectie, duidelijke ondersteuning voor leerlingen en initiatieven als een Gender & Sexuality Alliance of Paarse Vrijdag, hadden docenten die zichzelf vaardiger achtten. Volgens de onderzoekers onderstreept dat dat goede seksuele vorming niet alleen afhangt van individuele motivatie of kennis, maar ook van de vraag of de school er als organisatie ruimte voor maakt. 

Geen gelijke toegang tot pleziergerichte en LGBTQI+-inclusieve seksuele vorming

De auteurs concluderen dat de kennis, houding en vaardigheden van docenten gemiddeld genomen net voldoende zijn, maar dat er aanzienlijke ruimte is voor verbetering. Belangrijker nog: de verschillen tussen docenten en scholen betekenen waarschijnlijk dat leerlingen in Nederland geen gelijke toegang hebben tot pleziergerichte en LGBTQI+-inclusieve seksuele vorming.

Daarom pleiten zij voor een meerlagige aanpak: sterkere initiële opleiding en nascholing van docenten, een inclusiever schoolklimaat en duidelijke landelijke leerdoelen. Juist zulke nationale leerdoelen zouden volgens hen kunnen voorkomen dat de inhoud van seksuele vorming te afhankelijk blijft van individuele docenten, schoolcultuur, denominatie of lokale context. Het onderzoek kent wel beperkingen: de gegevens zijn gebaseerd op zelfrapportage en door het cross-sectionele ontwerp kunnen geen causale verbanden worden vastgesteld.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen en schoolleiders laat dit onderzoek zien dat de kwaliteit van seksuele vorming niet alleen afhangt van individuele docenten, maar ook van de manier waarop het onderwerp in de school is verankerd. In scholen waar seksuele vorming structureel is ingebed — via nascholing, intervisie, duidelijke ondersteuning voor leerlingen en initiatieven als een Gender & Sexuality Alliance — voelden docenten zich beter toegerust om pleziergerichte en LGBTQI+-inclusieve lessen te geven.

Voor lerarenopleidingen en nascholing laten de resultaten zien dat investeren in kennis van docenten naar verwachting zowel directe als indirecte effecten heeft op de kwaliteit van de lessen. De onderzoekers wijzen er daarbij op dat onderwerpen als de anatomie en functie van de clitoris en wat het betekent om intersekse te zijn in bestaande opleidingsprogramma’s weinig aandacht krijgen, terwijl kennis samenhangt met positievere houdingen.

Voor beleidmakers onderstreept het onderzoek dat landelijke kerndoelen houvast kunnen bieden over wat belangrijk is om te onderwijzen, en seksuele vorming op een duurzamere en minder docentafhankelijke manier kunnen verankeren. De onderzoekers bevelen aan pleziergerichte en LGBTQI+-inclusieve benaderingen in die kerndoelen op te nemen.

Bron: Van Ditzhuijzen, J. & De Looze, M. E. (2026). Beyond the birds and the bees: teacher knowledge, attitudes, and skills needed for pleasure-based and LGBTQI+ inclusive sexuality education in the Netherlands, Sex Education. DOI: 10.1080/14681811.2026.2646619

Ontdek meer onderwerpen