Van der Aa en Van der Meer lichtten in de Tweede Kamer een onderzoek toe dat in opdracht van de Kamercommissie OCW is uitgevoerd door CAOP, het ROA van de Universiteit Maastricht en zelfstandig onderzoeker Marc van der Meer. Hun hoofdvraag was welke lessen te trekken zijn uit de historische analyse van het beleid sinds 1993, en wat dat betekent voor toekomstig beleid.
Sleutelfiguren in en rond het lerarenbeleid
Daarvoor keken zij naar de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van lerarenopleidingen, analyseerden zij ruim zeventig beleidsmaatregelen uit de periode 1993-2025 en voerden zij zeventien interviews met sleutelfiguren in en rond het lerarenbeleid. De analyse richtte zich vooral op vier thema’s: loonvorming, lerarenopleidingen, beroepsvorming en onderwijsregio’s.
Een eerste belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat het lerarentekort niet los te zien is van de bredere economische conjunctuur. De werkloosheid onder afgestudeerde leraren en het aantal vacatures in het onderwijs bewegen volgens de onderzoekers in belangrijke mate mee met de algemene ontwikkeling van de arbeidsmarkt.
De bredere conjuncturele golfbeweging in Nederland
Van der Aa liet zien dat de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van lerarenopleidingen op sommige momenten relatief gunstig was, bijvoorbeeld rond 2011 tot 2014, terwijl in andere perioden de spanning juist opliep. Ook de vacatureontwikkeling in het onderwijs volgt volgens hem grotendeels de bredere conjuncturele golfbeweging in Nederland.
Dat legt tegelijk een grens aan wat beleid vermag. “Er ontstaat al snel concurrentieverhoudingen”, zei Van der Aa later in het gesprek met de Kamerleden, als verschillende sectoren proberen “zoveel mogelijk uit de pool te vissen, te halen, waar ook andere partijen dan, zeker als het gaat om tekorten.”
Jaren 80 en 90 hebben langdurig negatief doorgewerkt
Daar komt nog bij dat politieke en financiële keuzes lang doorwerken. Van der Aa memoreerde dat “ongeveer 85% van de uitgaven van het onderwijs” naar leraren gaat en noemde het daarom “een belangrijke kostenpost”. Juist daardoor hebben de bezuinigingen uit de jaren tachtig en deels ook uit de jaren negentig volgens hem “lange tijd in negatieve zin doorgewerkt op de aantrekkelijkheid van het leraarschap”.
Het huidige tekort sleept dus ook een geschiedenis van arbeidsvoorwaarden en bestuurlijke keuzes met zich mee. Wie het lerarentekort van nu wil begrijpen, moet daarom verder terugkijken dan de meest recente crisismaatregelen
Een opeenstapeling van kleinere maatregelen, heeft het complexer gemaakt
Volgens de onderzoekers is het lerarenbeleid in de loop der jaren breder en vollediger geworden. “Je ziet een wat vollediger, een completer arbeidsmarktbeleid eigenlijk aan het ontstaan in de loop der jaren”, zei Van der Aa. Tegelijk benadrukte hij dat het beleid “overwegend incrementeel van karakter” is gebleven: geen grote koerswijzigingen, maar kleine stappen op basis van eerdere inzichten, met als gevolg een toenemende complexiteit en stapeling van regelingen op verschillende niveaus.
Marc van der Meer, die eerder bijzonder hoogleraar Onderwijsarbeidsmarkt was, pakte die lijn vervolgens op met een analyse van vier verschillende sturingsvormen binnen het lerarenbeleid. Bij de loonvorming sprak hij van “verplaatste sturing”, omdat de overheid de verantwoordelijkheid in belangrijke mate heeft neergelegd bij sociale partners in cao-onderhandelingen. De vraag die daar volgens hem steeds terugkeert, is fundamenteel: “Als de overheid het budget kan toewijzen, blijft ze dan blijvend op afstand of kan ze toch in dit proces sturend optreden?”
Academische vrijheid bleek te prevaleren boven de belangen van scholen
Die vraag keert in andere vorm ook terug bij de lerarenopleidingen. Daar noemde hij de sturing “normaliserend”. De overheid stelt normen aan kwaliteit en bevoegdheden, maar die sturing stuit op de autonomie van instellingen. Onder verwijzing naar voormalig minister Jet Bussemaker wees hij op de spanning die daarbij ontstaat.
Zij schreef in haar boek volgens Van der Meer dat het voor haar moeilijk was “een vinger te krijgen achter de deur van de lerarenopleidingen”. Volgens Bussemaker was “het wetenschappelijk belang en de academische vrijheid van de instelling groter dan de urgentie van scholen.”
Alles was er om van de beroepsvorming een succes te maken, toch ging het mis
Daarmee kwam ook de botsing tussen kwantiteit en kwaliteit in beeld: gaat het om meer instroom of om de kwaliteit van het leraarschap? Het meest beladen deel van de presentatie ging over de beroepsvorming van leraren. Van der Meer schetste hoe in de afgelopen decennia achtereenvolgens werd gewerkt aan de Stichting Beroepskwaliteit Leraar, de Onderwijscoöperatie en het lerarenregister.
Op papier waren de voorwaarden volgens hem aanwezig. “Alle condities waren er. Op papier. Ze waren er. Adequate mensen, verstandige ideeën. Alles was neergelegd in organisatorische vormen. En in regelgeving. En toch is het niet gelukt.”
Eerder in zijn presentatie had hij die ontwikkeling al getypeerd als “een interessante mislukking” en ook als “professioneel verdriet”: teleurstelling in een sector die er niet in slaagde de beroepsvorming zelfstandig handen en voeten te geven. Volgens Van der Meer ging uiteindelijk de vorm boven de inhoud. In de bestuurlijke constructie ontstond steeds strijd over de vraag wie wie vertegenwoordigde en wie zeggenschap had.
Het lerarenregister is superrelevant
“Waarbij de vorm veel belangrijker ging worden dan de inhoud”, zei hij, waarna uiteindelijk ook nog eens “het kwantitatieve doel belangrijker dan het kwalitatieve” werd. Voor Van der Meer is dat geen voetnoot, maar een kernpunt in de geschiedenis van het lerarenbeleid. Zelf bleef hij het belang van een lerarenregister nadrukkelijk verdedigen. Volgens hem is zo’n register “super relevant” voor de professie, “als referentiekader en als normatief kader”.
In het gesprek met de Kamerleden verschoof de aandacht vervolgens van historische reconstructie naar de vraag wat nu nodig is. Daarbij kwam al snel de nadruk op behoud te liggen. Van der Aa wees op de eerste jaren in het onderwijs als een kwetsbare fase. Juist dan, zei hij, is er door de hoge werkdruk vaak onvoldoende tijd om nieuwe leraren goed te begeleiden. “Ik denk dat daar wel een deel van de winst te behalen valt. Om mensen die op een gemotiveerde manier voor het onderwijs kiezen, ook zo veel mogelijk te behouden.”
Behoud is het nieuwe werven
Van der Meer vatte dat nog kernachtiger samen met een beeld dat bleef hangen: “We vissen in de vijver, maar wat als de vijver leeg is?” In een situatie waarin alle publieke sectoren wedijveren om hetzelfde schaarse potentieel, moet volgens hem de aantrekkelijkheid van het beroep centraal komen te staan. Daarom formuleerde hij het ook als een nieuwe beleidslogica: “Behoud is dus het nieuwe werven.”
Op vragen van Kamerlid Arend Kisteman (VVD) over loopbaanmogelijkheden in het onderwijs erkende Van der Aa dat dit niet expliciet was onderzocht, maar hij nuanceerde tegelijk het vaak gehoorde beeld van vastgelopen carrières. Binnen scholen zijn de verticale doorgroeimogelijkheden beperkt, zeker op kleinere scholen, zei hij. Maar loopbaanontwikkeling hoeft niet alleen verticaal te worden opgevat.
Koersvastheid geen nieuwe stelselwijziging
De onderzoekers eindigden met drie brede aanbevelingen. Allereerst pleitten zij voor koersvastheid: geen nieuwe stelselwijziging, maar coherente en consistente doelstellingen, eventueel vervat in een deltaplan.
Daarnaast vroegen de onderzoekers om veel meer samenhang tussen de losse beleidsdossiers. Van der Meer zei daarover dat hun oproep juist is “om dat meer bij elkaar te brengen. Dus meer in termen van de kwaliteit van de leraar te spreken over, en de kwaliteit van het onderwijs te spreken over dit lerarentekortvraagstuk.”
Vanuit die gedachte pleitten zij er ook voor “om niet te werken in losse dossiers, in losse beleidsdomeinen, maar die meer op elkaar te betrekken vanuit een gezamenlijke definitie van wat onderwijskwaliteit is.” Alleen dan kan volgens hem “veel adequater” worden ingespeeld op de verschillen in lerarentekorten tussen scholen en kan er “op die manier tot een samenhangende regie” worden gekomen.
Bron: Cörvers, F., Somers, M., van der Aa, R., Wisse, R. & van der Meer, M. (2026). Een kwestie van lange adem: Historische analyse van het beleid op het terrein van het lerarentekort. Maastricht University, Research Centre for Education and the Labour Market. ROA Reports No. 002. DOI: https://doi.org/10.26481/umarep.2026002