Dat blijkt uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Erasmus Universiteit. Het effect treedt vooral op wanneer meer dan ongeveer een derde van het netwerk uit mensen van de eigen herkomstgroep bestaat.
Beide ouders uit het buitenland
De onderzoekers Fijnanda van Klingeren, Jan van der Laan en Marjolijn Das van de Erasmus Universiteit en het CBS analyseerden de taal- en rekenscores van ruim dertigduizend in Nederland geboren kinderen van wie beide ouders in het buitenland zijn geboren. Zij gebruikten daarvoor gegevens uit de schooljaren 2014-2015 en 2015-2016. De taalvaardigheid is gemeten met het taalonderdeel van de Centrale Eindtoets in groep 8. Het schooladvies van de leerkracht is meegenomen als indicator voor de overgang naar het voortgezet onderwijs.
Voor het in kaart brengen van het sociale netwerk maakten de onderzoekers gebruik van een unieke, landelijke netwerkdatabase van het CBS. Deze zogenoemde persoonsnetwerken zijn gebaseerd op administratieve gegevens over familieleden, huisgenoten, buren, klasgenoten en collega’s. Met behulp van een zogenoemde ‘random walk’ door dit netwerk berekenden zij per kind een isolatiescore: het gewogen aandeel mensen van dezelfde herkomstgroep in zowel directe als indirecte contacten.
Alle onderzochte kinderen zijn zelf in Nederland geboren
Het onderzoek richtte zich op de tien grootste herkomstgroepen in deze periode: Marokko, Turkije, Suriname, de Nederlandse Cariben, Afghanistan, Irak, Somalië, Bosnië-Herzegovina, China en Egypte. Alle onderzochte kinderen zijn zelf in Nederland geboren.
Uit de analyses blijkt dat hogere niveaus van netwerkisolatie samenhangen met lagere scores op het taalonderdeel van de eindtoets. Dat verband wordt zichtbaar vanaf het vijfde of zesde deciel van de isolatiescore. In die groepen bestaat ongeveer 35 tot 38 procent van het netwerk uit mensen van de eigen herkomstgroep. In de hoogste tien procent van isolatie liggen de taalscores gemiddeld ruim vijf percentielpunten lager dan in de laagste tien procent.
De onderzoekers corrigeerden in hun modellen voor verschillende achtergrondkenmerken, waaronder het opleidingsniveau van beide ouders, het huishoudinkomen, de gezinssamenstelling, geslacht en herkomstgroep. Daarnaast werd gecorrigeerd voor de rekenscore op de eindtoets. Die correctie is bedoeld om taalvaardigheid zo veel mogelijk los te trekken van algemene leerprestaties en cognitieve vaardigheden.
Ook na deze correcties blijft het verband tussen netwerkisolatie en lagere taalvaardigheid zichtbaar. De grootte van het effect is vergelijkbaar met dat van sociaaleconomische kenmerken. Zo hangt het verschil tussen de laagste en hoogste isolatiegroep samen met een verschil in taalscore dat in dezelfde orde van grootte ligt als het verschil tussen kinderen van wie de moeder een masteropleiding heeft afgerond en kinderen van wie de moeder alleen basisonderwijs heeft gevolgd.
Is er samenhang met het schooladvies?
Vervolgens onderzochten de auteurs of netwerkisolatie via taalvaardigheid samenhangt met het schooladvies voor het voortgezet onderwijs. In het Nederlandse systeem is het advies van de leerkracht in groep 8 de doorslaggevende factor bij de plaatsing in het voortgezet onderwijs. In structurele-vergelijkingsmodellen blijkt dat taalvaardigheid een duidelijke positieve samenhang heeft met het adviesniveau. Een hogere taalpercentielscore gaat gepaard met een grotere kans op een hoger schooladvies.
Het directe verband tussen netwerkisolatie en schooladvies blijkt niet significant wanneer taalvaardigheid in het model is opgenomen. Dat wijst erop dat de samenhang tussen isolatie en advies verloopt via taalvaardigheid. Met andere woorden: hogere isolatie hangt samen met lagere taalvaardigheid, en lagere taalvaardigheid hangt samen met een lager schooladvies.
40,4 procent van de kinderen krijgt een advies voor het laagste niveau
Een aanvullende analyse met voorspelde kansen laat zien dat in de laagste isolatiegroep 36,1 procent van de kinderen een advies krijgt voor het laagste niveau in het voortgezet onderwijs. In de hoogste isolatiegroep stijgt dit aandeel naar 40,4 procent. Het aandeel kinderen met een advies op havo- of vwo-niveau daalt in dezelfde vergelijking van 36,8 naar 33,1 procent. Deze verschillen zijn gebaseerd op modelschattingen waarin isolatie het totale effect weergeeft.
Het onderzoek vergelijkt uitsluitend migrantenkinderen onderling. Of deze percentages hoger of lager liggen dan bij kinderen met in Nederland geboren ouders, blijkt niet uit deze analyse.
De onderzoekers voerden verschillende gevoeligheidsanalyses uit om de robuustheid van de bevindingen te toetsen. Zo zijn aparte analyses uitgevoerd naar geslacht, stedelijkheid en herkomstgroep. Voor jongens en meisjes en voor verschillende mate van verstedelijking bleven de patronen grotendeels vergelijkbaar. Voor afzonderlijke herkomstgroepen varieerden de uitkomsten: bij de twee grootste groepen waren de patronen vergelijkbaar met de hoofdanalyse, terwijl bij vluchtelingengroepen geen significante verbanden werden gevonden.
De resultaten bleven in grote lijnen overeind
Daarnaast testten de auteurs verschillende instellingen van de technische parameter in de netwerkanalyse en controleerden zij voor het aantal directe contacten in verschillende netwerklagen. De resultaten bleven in grote lijnen overeind.
Het onderzoek kent ook beperkingen. De gebruikte netwerkgegevens bevatten geen informatie over informele contacten, zoals via sportverenigingen of religieuze gemeenschappen, en geven geen inzicht in de kwaliteit of intensiteit van relaties. Familieleden in het buitenland zijn per definitie niet opgenomen. Ook ontbreekt informatie over de daadwerkelijk gesproken taal binnen het netwerk. Verder kan met deze observationele gegevens geen volledige causaliteit worden vastgesteld. Niet-waargenomen factoren kunnen zowel samenhangen met netwerkisolatie als met taalvaardigheid.
De auteurs concluderen echter wel dat niet alleen het gezin, maar ook het bredere sociale netwerk samenhangt met taalvaardigheid en, via die route, met het schooladvies aan het einde van de basisschool. Daarmee wijzen zij op het belang van de sociale context waarin kinderen opgroeien voor hun positie bij de overgang naar het voortgezet onderwijs.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen en schoolbesturen laat dit onderzoek zien dat verschillen in taalvaardigheid niet alleen samenhangen met het gezin, maar ook met de bredere sociale omgeving van leerlingen. Het schooladvies in groep 8 hangt via taalvaardigheid samen met de mate van netwerkisolatie.
Voor gemeenten en beleidsmakers suggereert het onderzoek dat woon- en schoolsegregatie indirect kunnen samenhangen met onderwijskansen, doordat zij samenhangen met de samenstelling van netwerken waarin kinderen opgroeien.
Voor onderzoekers en onderwijsprofessionals onderstrepen de resultaten het belang van aandacht voor de sociale context buiten het gezin, omdat taalvaardigheid een centrale rol speelt bij de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs.
Bron: Van Klingeren, F., Van der Laan, J. & Das, M. (2026). The role of network isolation on language proficiency of children of migrants, Research in Social Stratification and Mobility. DOI: https://doi.org/10.1016/j.rssm.2026.101138