Voortgezet onderwijs

‘Van de Bijbel mag het niet’: hoe religie homonegatief gedrag in de klas kan legitimeren

Drie lessen over homoseksualiteit kunnen op orthodox-protestantse middelbare scholen het gesprek veranderen, maar niet de overtuigingen. Leerlingen gaan voorzichtiger met elkaar om, terwijl religie een doorslaggevende rol blijft spelen in hoe homoseksualiteit wordt beoordeeld.

Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Henriëtte Boersma., die vandaag aan de Vrije Universiteit haar proefschrift verdedigde over de effecten van de lesmethode Homo in de klas.

Boersma onderzocht de impact van een korte lessenserie bij 636 leerlingen uit de derde klas havo-vwo op vier gereformeerde scholengemeenschappen in Groningen, Zwolle, Amersfoort en Rotterdam. De conclusie van haar onderzoek is voorzichtig maar duidelijk: de effecten zijn klein, maar betekenisvol. “Een aantal leerlingen werd zich ervan bewust dat ze met scheldwoorden anderen kwetsen, ook onbedoeld,” zei zij tijdens haar verdediging. “En ook werden ze zich ervan bewust dat homoseksualiteit geen keuze is.”

In de Bijbel heeft de regenboog een totaal andere betekenis dan in de samenleving

De aanleiding voor het onderzoek ligt in een spanning die voor deze leerlingen zeer concreet is. Binnen hun religieuze context staat de regenboog in de Bijbel symbool voor Gods trouw en geduld, terwijl diezelfde regenboog in de samenleving vooral wordt geassocieerd met seksuele diversiteit.

“Deze jongeren groeien op met een duidelijke religieuze overtuiging,” aldus Boersma. “Die geeft richting, maar die kan ook spanning oproepen.” Eerder onderzoek laat zien dat orthodox-protestantse jongeren gemiddeld negatiever staan tegenover seksuele diversiteit dan veel van hun leeftijdsgenoten.

Een man mag niet met een man slapen

Een belangrijk spanningspunt in het onderzoek vormt de manier waarop leerlingen kennismaken met bijbelteksten uit Leviticus die traditioneel worden gebruikt om homoseksualiteit af te wijzen. In de lessen kwamen met name Leviticus 18 en Leviticus 20 aan bod. In deze hoofdstukken worden verschillende seksuele relaties en handelingen verboden.

Zo staat in Leviticus 18 dat een man niet met een man mag slapen “zoals men met een vrouw slaapt”, een passage die vaak centraal staat in kerkelijke afwijzing van homoseksualiteit. In hetzelfde hoofdstuk wordt echter ook expliciet verboden om gemeenschap te hebben met een vrouw tijdens haar menstruatie.

Leerlingen zitten in klassen en klassen in scholen

Methodologisch koos Boersma voor een quasi-experimenteel onderzoeksontwerp, dat de klassieke experimentele opzet uit de medische wereld zo dicht mogelijk benaderde, legde ze uit. Klassen werden verdeeld over een experimentele groep en een controlegroep, met voor- en nametingen om veranderingen vast te stellen. “Leerlingen zitten in klassen en klassen in scholen,” lichtte zij toe. “Dat zorgt voor onderlinge beïnvloeding. Daarom een quasi-experimenteel onderzoek.”

Alleen gegevens waarvan de voor- en nameting individueel en anoniem gekoppeld konden worden, werden meegenomen in de analyse. Die koppeling gebeurde via een deel van het mobiele telefoonnummer van de leerling.

In haar analyse onderscheidde Boersma vier uitkomsten waarop zij de effecten van de lessen onderzocht: religieuze percepties, stereotypering en empathie, intenties en bespreekbaarheid. Volgens haar lopen deze aspecten sterk in elkaar over, met religieuze normativiteit als rode draad. “Het religieuze aspect is geen achtergronddecor,” zei zij. “Het is een element dat overal terugkomt, aanwezig is en spanning oproept.”

De kans is groot dat leerlingen dat als een grondhouding met zich meedragen

Die religieuze normativiteit fungeert volgens Boersma ook als legitimatie voor homonegatief gedrag. “De homonegativiteit op deze scholen is heel lang ingegeven door religieuze overtuigingen,” stelde zij. “En de kans is groot dat leerlingen dat als een grondhouding met zich meedragen. Dat van de Bijbel mag het niet, om het maar even populair te zeggen.” Tegelijkertijd laten interviews zien dat sommige leerlingen zich juist losmaken van die redenering en expliciet afstand nemen van bijbelteksten die zij als onrechtvaardig ervaren.

Docenten hebben er nog wel het meest van geleerd

De grootste verandering zag Boersma overigens niet bij de leerlingen, maar bij de docenten die de lessen verzorgden. “Misschien een beetje onorthodox, maar mijn indruk is wel eens geweest dat bij de docenten de grootste winst behaald is,” zei zij tijdens het opponentendebat.

Docenten gaven aan dat zij in de loop der jaren anders zijn gaan spreken over homoseksualiteit en een nieuwe woordenschat hebben ontwikkeld. “Ze gebruiken daar niet meer omschrijvingen zonder het woord te noemen, maar durven het gesprek expliciet aan te gaan.”

Volgens Boersma verklaart dat mede waarom de schoolleiding vanaf het begin duidelijk maakte dat de lessen onderdeel moesten zijn van het curriculum. “Niet alle lessen die uitgeprobeerd worden, komen gelijk in het curriculum. Dat zegt al heel erg veel.”

Bijbelteksten over naastenliefde kunnen juist richtinggevend zijn

Een terugkerend punt in de oppositie betrof het bespreken van bijbelteksten die homoseksualiteit afwijzen. Die kunnen enerzijds homonegatief gedrag legitimeren, maar anderzijds juist aanleiding geven tot kritische reflectie. Boersma erkende die dubbelheid. “Leerlingen kunnen zeggen: van de Bijbel mag het niet, dus ik mag lelijk doen,” zei zij.

“Maar anderen zeggen juist: dit kan de Bijbel wel zeggen, maar dat neem ik niet voor mijn eigen rekening.” Daarbij wees zij erop dat teksten over naastenliefde vaak nauwelijks worden betrokken in het gesprek over homoseksualiteit, terwijl die juist richtinggevend kunnen zijn voor respectvolle omgang.

Dieper en fundamenteler was de kritiek van UvA-hoogleraar Dijkstra, die tijdens de oppositie expliciet de vraag stelde of religie in dit onderzoek wel terecht als de belangrijkste verklarende factor wordt gezien. Volgens hem hoeft homonegatief gedrag niet primair uit religieuze overtuigingen voort te komen, maar kan het ook samenhangen met bredere conservatief-sociale en maatschappelijke oriëntaties.

Zulke opvattingen spelen volgens Dijkstra in de samenleving op veel plekken een rol, ook buiten religieuze contexten, en kunnen daarmee verklarend sterker zijn dan geloof alleen. Hij vroeg zich af of religie in dit onderzoek niet vooral fungeert als een legitimerend kader, terwijl de onderliggende oorzaken elders liggen.

Ik vind het niet zo erg het homonegatiefgedrag van mijn kind want het staat in de Bijbel

De VU promovendus weersprak die lezing door te wijzen op concrete ervaringen uit de schoolpraktijk die zij tijdens haar onderzoek tegenkwam. Zij benadrukte dat religieuze argumenten niet alleen abstract of discursief aanwezig zijn, maar daadwerkelijk worden ingezet om gedrag te rechtvaardigen.

Zo vertelde zij dat ouders op school waren verschenen naar aanleiding van homonegatief gedrag van hun kinderen. “Er waren ook ouders op school gekomen,” zei zij. “Die ook zeiden van: ja, maar ik vind het niet zo erg hoor wat hij gedaan heeft. Want het staat tenslotte in de Bijbel.” Volgens Boersma laat juist dat soort situaties zien dat religie in deze context niet slechts een achtergrondfactor is, maar actief bijdraagt aan de legitimering van gedrag en daarmee een relevante verklarende rol blijft spelen.

Het beste hè, homo. Dat gaan we niet doen.

Een illustratief voorbeeld van de praktische doorwerking van de lessen gaf Boersma aan het einde van haar verdediging. Zij beschreef hoe zij als adjunct-directeur een klas binnenliep waar een beterschapskaart rondging. Een leerling had daarop geschreven: “Het beste hè, homo.” Een meisje uit de klas greep direct in. “Dat gaan we niet doen,” zei zij. “We hebben afgesproken dat we dit soort woorden niet meer gebruiken. Jij moet een nieuwe kaart kopen.” Voor Boersma was dit een concreet teken dat de lessen hebben geleid tot gezamenlijke afspraken over respectvolle omgang.

De promotiecommissie prees de promovenda uiteindelijk om haar moed om dit gevoelige onderwerp te onderzoeken binnen een orthodox-protestantse context. Haar onderzoek laat zien dat onderwijsinterventies ook daar verandering teweeg kunnen brengen, zij het geleidelijk en zonder religieuze overtuigingen volledig terzijde te schuiven. De winst zit volgens haar niet in snelle ommekeer, maar in kleine verschuivingen richting meer bewustzijn, bespreekbaarheid en sociale veiligheid.

Bronvermelding

Boorsma-de Vries, H. J. (2026). Homo in de Klas: lessen onder de regenboog: Een effectonderzoek naar een bewuste en respectvolle omgang met homoseksualiteit onder scholieren in het gereformeerd onderwijs. [PhD-Thesis – Research and graduation internal, Vrije Universiteit Amsterdam]. https://doi.org/10.5463/thesis.1439

Ontdek meer onderwerpen