De promovenda, die zelf in het voortgezet onderwijs werkt, plaatste haar onderzoek tegen de achtergrond van het wereldwijde lerarentekort. Volgens cijfers uit een Unesco-gerelateerde publicatie uit 2025 zijn wereldwijd 130 miljoen leraren nodig om ieder kind kwalitatief goed onderwijs te kunnen bieden. Er staan echter nog geen 90 miljoen leraren voor de klas. Het tekort bedraagt daarmee ongeveer 44 miljoen.
“De cijfers vormen de enigszins mismoedige opmaat voor de wereldwijde worstelingen van politici, schoolbesturen, onderwijskundigen, onderzoekers en docenten zelf”, zei De Jong-Kroon tijdens haar toelichting. Haar onderzoek richt zich niet op het aantrekken van nieuwe leraren, maar op het voorkomen dat zittende docenten vertrekken. “Het is vrij zinloos om een bad te vullen met water als er een gat in de bodem zit.”
Daarbij koos zij specifiek voor het voortgezet onderwijs. Scholen in deze sector zijn anders georganiseerd dan basisscholen, bieden uiteenlopende vakken aan en hebben te maken met examens en verschillende groepen leerlingen. Bovendien is het lerarentekort er volgens haar al sinds de jaren negentig relatief groot. Ook haar eigen werkervaring speelde mee: “Ik ben zelf in deze sector werkzaam en de zaak gaat me nogal aan het hart.”
Blijven en vertrekken zijn niet hetzelfde
Het proefschrift bestaat uit vier deelstudies. In de eerste bracht De Jong-Kroon door middel van een systematische literatuurstudie in kaart welke factoren binnen scholen samenhangen met het blijven of vertrekken van leraren. Zij onderscheidde onder meer professionele ontwikkeling, de inhoud van het werk, de relaties met collega’s, leerlingen en ouders en de werkomstandigheden. Daarnaast keek zij naar werkdruk, werktevredenheid, betrokkenheid en motivatie.
In de tweede studie vergeleek zij twee theoretische modellen: de zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan en het Integrated Behavior Prediction Model. Ook onderzocht zij een combinatie van beide. Voor deze studie werden gegevens verzameld van 199 leraren in het Nederlandse voortgezet onderwijs.
Het geïntegreerde gedragsmodel bleek de vertrekintentie het beste te voorspellen. Vooral de houding van leraren tegenover vertrek en de norm die zij in hun omgeving ervaren, waren van belang. Het gecombineerde model sloot statistisch minder goed aan op de gegevens.
Een opvallende uitkomst was dat blijven en vertrekken niet simpelweg elkaars tegenpolen zijn. In de literatuur worden ze geregeld omschreven als “twee zijden van dezelfde medaille”, maar volgens De Jong-Kroon vragen beide om een eigen verklaring. De factoren die maken dat iemand wil blijven, zijn dus niet automatisch het spiegelbeeld van de factoren die tot een vertrekintentie leiden.
Relatie met leidinggevende
In de derde studie werd het sterkste gedragsmodel uitgebreid met leiderschap, de factor die in de literatuurstudie het nadrukkelijkst naar voren kwam. De resultaten laten zien dat niet alleen het gedrag van een schoolleider telt, maar vooral de kwaliteit en wederkerigheid van de relatie tussen de leraar en diens leidinggevende.
Die relatie hangt indirect samen met de vertrekintentie, via de houding en de ervaren sociale norm van leraren. “Daarmee werd de kwaliteit van de relatie tussen leidinggevende en docent onderstreept”, aldus De Jong-Kroon. Leraren blijken bij vragen over leiderschap doorgaans vooral hun directe leidinggevende voor ogen te hebben, omdat dit degene is met wie zij het leiderschap in de dagelijkse praktijk ervaren.
De vierde studie maakte duidelijk dat een vertrekintentie geen onveranderlijk gegeven is. De Jong-Kroon benaderde leraren die twee jaar eerder een sterke wens om te vertrekken hadden uitgesproken. Twee van hen hadden het onderwijs daadwerkelijk verlaten. Twee anderen waren binnen het onderwijs van werkplek of functie veranderd: één ging naar een andere school en één naar het hoger beroepsonderwijs. Acht leraren stonden na twee jaar nog altijd voor de klas.
“Uit de interviews bleek duidelijk dat vertrekintenties niet stabiel zijn, maar door de tijd kunnen veranderen als reactie op ervaringen op schoolniveau”, zei De Jong-Kroon. Verbeteringen in leiderschap en collegiale samenwerking gingen samen met een afname of zelfs een omkering van de vertrekintentie. Ineffectief leiderschap en een gebrek aan erkenning en ervaren autonomie konden die intentie juist versterken. “Dat is misschien de meest hoopvolle boodschap van deze middag: vertrekintenties zijn omkeerbaar en beïnvloedbaar.”
Ruimte voor twijfel
Tijdens de verdediging vroegen de opponenten onder meer aandacht voor de spreiding binnen de onderzochte groep, de invloed van leeftijd en loopbaanfase en de begrenzing tot factoren binnen de school. Een opponent vergeleek die keuze met iemand die zijn verloren sleutels alleen onder een lantaarnpaal zoekt omdat daar licht is, ongeacht of de sleutels daar werkelijk liggen.
De Jong-Kroon erkende dat persoonlijke kenmerken altijd een rol spelen, maar benadrukte dat scholen daarop minder invloed kunnen uitoefenen. Factoren binnen de school bieden volgens haar meer handelingsruimte.
Ook haar stelling “In scholen waar blijven de norm is, ontwikkelen zich vaker vertrekintenties” leidde tot discussie. De Jong-Kroon maakte daarbij onderscheid tussen een positieve cultuur waarin leraren graag blijven en een klimaat waarin nauwelijks ruimte bestaat om twijfel over blijven of vertrekken uit te spreken. In dat laatste geval kan de norm juist averechts werken. Dan wordt belangrijk hoeveel erkenning en ruimte een leidinggevende biedt.
Rob Martens, hoogleraar onderwijswetenschappen aan de Open Universiteit, noemde het mondiale tekort van 44 miljoen leraren “echt choquerend”. Hij vroeg daarnaast aandacht voor het verschil tussen een vertrekintentie en daadwerkelijk vertrek. Juist de laatste deelstudie laat volgens De Jong-Kroon zien hoe groot die afstand kan zijn.
Dit onderzoek laat zien dat leiderschap vooral relationeel is
“Vertrek is geen abrupt moment”, vatte zij haar onderzoek samen. Het ontstaat niet uitsluitend door individuele kenmerken, maar in een proces van dagelijkse ervaringen en de manier waarop leraren hun werk, collega’s en leidinggevende beleven. “Dit onderzoek laat zien dat leiderschap vooral relationeel is en dat vertrekintenties niet onvermijdelijk zijn.”
Naast haar proefschrift schreef De Jong-Kroon een fictief praktijkboek over leraren die wel of niet blijven. Daarin vertaalt zij haar onderzoeksbevindingen op een speelse en interactieve manier naar de schoolpraktijk. Het boek is online en in de boekhandel verkrijgbaar.