Volgens Exalto is met de aandacht voor meetbare effecten een belangrijk onderdeel van de pedagogiek minder zichtbaar geworden: het nadenken over de vorming van kinderen tot verantwoordelijke personen. Juist in de beroepspraktijk, waaronder de lerarenopleidingen, bestaat volgens hem behoefte aan zo’n richtinggevende pedagogiek.
Een vakgebied met veel verschillende stemmen
De academische pedagogiek heeft nooit uit één duidelijke school bestaan. Sinds het vak zich kort voor 1920 aan Nederlandse universiteiten vestigde, bestonden verschillende opvattingen naast elkaar. Sommige pedagogen zagen pedagogiek vooral als een praktisch vak voor onderwijzers. Anderen wilden er een empirische wetenschap van maken, nauw verbonden met geneeskunde of psychologie.
Een van de invloedrijkste Nederlandse pedagogen was Philipp Kohnstamm. Vanaf 1919 ontwikkelde hij een brede visie op pedagogiek. Daarin was ruimte voor empirisch en historisch onderzoek, maar ook voor didactiek en voor vragen over het doel van opvoeding. Tot ongeveer halverwege de jaren zestig gaf zijn model richting aan de Nederlandse academische pedagogiek.
Niet alleen de aanpak, maar ook het doel
Voor Kohnstamm stond persoonsvorming centraal. Pedagogiek moest volgens hem niet alleen onderzoeken met welke middelen bepaalde onderwijsdoelen konden worden bereikt. Het vak moest ook zichtbaar maken welke opvattingen over mens, samenleving en opvoeding aan die doelen ten grondslag lagen.
Hij zag opvoeding als gewetensvorming: het begeleiden van mensen bij hun ontwikkeling tot verantwoordelijke persoonlijkheden die zelfstandig beslissingen kunnen nemen. Daarbij ging hij uit van drie vooronderstellingen. Opvoeding is mogelijk, omdat het geweten van een kind gevormd kan worden. Opvoeding is noodzakelijk en bovendien een recht, omdat mensen zonder opvoeding niet volwaardig kunnen deelnemen aan de menselijke cultuur. Ten slotte is opvoeding altijd verbonden met waarden en idealen, ook wanneer die niet uitdrukkelijk worden benoemd.
Kohnstamm vond niet dat één opvoedingsvisie voor iedereen moest gelden. Verschillende levensbeschouwelijke uitgangspunten konden tot verschillende opvattingen over opvoeding leiden. De normatieve pedagogiek moest die uitgangspunten en hun gevolgen volgens hem zo consequent mogelijk doordenken.
De opkomst van meetbaar onderwijs
Na het midden van de jaren zestig kreeg binnen de academische pedagogiek een empirisch-analytische benadering steeds meer de overhand. De eerdere continentale traditie, die sterk verbonden was met filosofie en geesteswetenschappen, maakte plaats voor een Angelsaksisch georiënteerde wetenschapsbeoefening. Die stond dichter bij psychologie, geneeskunde en onderwijskunde.
Daarmee verschoof de aandacht naar meetbare onderwijsresultaten, effectiviteit en de vraag wat werkt. Tegelijkertijd groeiden specialismen zoals orthopedagogiek, ontwikkelingspsychologie en onderwijskunde. Onderzoeksprogramma’s en financiering richtten zich volgens Exalto steeds sterker op deze deelgebieden.
Ook in pedagogische vaktijdschriften werd deze ontwikkeling zichtbaar. Onderzoekers beoordeelden bijvoorbeeld of bepaalde onderwijsdoelen werden bereikt, maar bespraken steeds minder of die doelen zelf wenselijk waren. De opvoedende taak van de school en de vorming van kinderen tot deelnemers aan de menselijke cultuur raakten daardoor in de dominante wetenschappelijke stroming buiten beeld.
Een oude vraag in een actuele discussie
Exalto baseert zijn analyse mede op het werk van pedagoog Martinus Langeveld. Die waarschuwde in 1958 al dat de pedagogiek door de groei van verschillende specialismen uiteen dreigde te vallen. Volgens Langeveld hadden pedagogen de verantwoordelijkheid om de vorming van de persoonlijkheid centraal te blijven stellen.
Exalto presenteert Kohnstamm en Langeveld niet als voorbeelden die zonder meer moeten worden nagevolgd. Een deel van hun werk is volgens hem verouderd. Wel vertegenwoordigen zij een generatie die nadrukkelijk vroeg hoe kinderen op een verantwoorde manier kunnen worden ingewijd in de menselijke cultuur.
Die vraag klinkt volgens Exalto tegenwoordig sterker in de beroepspraktijk dan aan de universiteit. Op hbo-opleidingen spreken studenten en docenten bijvoorbeeld over hun morele kompas en professionele identiteit. Ook de discussie over burgerschapsvorming biedt ruimte om te praten over persoonsvorming en de richting van opvoeding. Tegelijkertijd wordt ook burgerschap vaak benaderd als iets waarvan vooral de afzonderlijke competenties meetbaar moeten worden gemaakt.
Exalto concludeert daarom dat de pedagogiek opnieuw moet nadenken over haar opdracht. Onderzoek naar ontwikkeling en effectieve onderwijsmethoden blijft van belang, maar daarnaast is volgens hem de vraag nodig waarom en waartoe kinderen worden opgevoed.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor leraren maakt Exalto’s historische reflectie duidelijk dat onderwijskeuzes niet alleen draaien om de vraag welke aanpak aantoonbaar werkt. In de omgang met leerlingen speelt ook mee waartoe het onderwijs hen wil vormen en welke waarden daarbij richting geven.
Voor schoolteams en lerarenopleidingen sluit dit aan bij gesprekken over professionele identiteit en het morele kompas van de leraar. Zulke gesprekken gaan over de mens- en kindbeelden achter het dagelijkse handelen en over de opvoedende taak van de school.
Voor burgerschapsonderwijs wijst het artikel op ruimte om niet alleen afzonderlijke competenties te meten, maar ook te bespreken in welke richting scholen kinderen willen vormen. Exalto stelt daarbij geen bepaalde richting voorop, maar vraagt aandacht voor de onderliggende pedagogische keuzes.
Bron: Exalto, J. (2026). Hoe pedagogisch is de Nederlandse academische pedagogiek? Een historische reflectie. Pedagogiek, 46(2), 184–201. DOI: https://doi.org/10.5117/PED2026.2.003.EXAL