De onderzoekers bekeken langs welke weg het Nederlandse taalgebruik tussen ouders en kinderen kan samenhangen met schoolprestaties. Ze onderscheidden twee mogelijke verklaringen.
Volgens de eerste verklaring helpt regelmatig Nederlands spreken kinderen om hun taalvaardigheid te ontwikkelen. In dat geval zou vooral een verband met taalprestaties te verwachten zijn en minder met rekenen.
Volgens de tweede verklaring weerspiegelt het spreken van Nederlands een bredere gerichtheid van ouders op de Nederlandse samenleving en het onderwijs. Daarbij denken de onderzoekers onder meer aan contact met leraren, toezicht op huiswerk en kennis van onderwijsprocedures. Als deze verklaring opgaat, zouden zowel taal- als rekenprestaties hoger moeten zijn. Ook zou taalgebruik thuis rechtstreeks moeten blijven samenhangen met latere onderwijsuitkomsten, nadat rekening is gehouden met eerdere schoolprestaties.
Wat dit onderzoek toevoegt
Eerder onderzoek liet al zien dat de taal die thuis wordt gesproken samenhangt met de schoolprestaties van kinderen van immigranten. Veel van dat onderzoek vergeleek taalgebruik en prestaties echter op hetzelfde moment. Daardoor bleef onduidelijk hoe taalgebruik tijdens de basisschoolleeftijd samenhing met latere stappen in de schoolloopbaan.
In dit onderzoek werd het taalgebruik van ouders gekoppeld aan later geregistreerde schoolresultaten. Bovendien analyseerden de onderzoekers taal en rekenen afzonderlijk. Daardoor konden zij nagaan of de gevonden verschillen specifiek waren voor taalvaardigheid of zich over meerdere schoolvakken uitstrekten.
Ook volgden zij de kinderen over verschillende onderwijsfasen: van de eindtoets in het basisonderwijs via het behaalde niveau in het voortgezet onderwijs tot de inschrijving in het hoger onderwijs. De analyse richtte zich daarbij op verschillen tussen immigrantengezinnen, niet op een vergelijking met kinderen zonder migratieachtergrond.
Enquêtes gekoppeld aan onderwijsregisters
De onderzoekers combineerden vijf enquêtes onder immigrantengroepen met gegevens uit school- en bevolkingsregisters. De enquêtes waren gehouden tussen 2004 en 2015 en omvatten onder anderen Afghanen, Chinezen, Iraniërs, Irakezen, Marokkanen, Polen, Somaliërs en Turken.
De uiteindelijke onderzoeksgroep bestond uit 3.132 kinderen uit tweeoudergezinnen, gekoppeld aan 2.265 ondervraagde ouders. De kinderen maakten tussen 2006 en 2017 de eindtoets van het basisonderwijs. De ouder was maximaal acht jaar vóór die toets ondervraagd.
Aan de ouders was gevraagd hoe vaak zij Nederlands spraken met hun kinderen: nooit, soms of vaak tot altijd. De onderzoekers koppelden deze antwoorden aan de percentielscores voor taal en rekenen, het behalen van een havo- of vwo-diploma binnen zes jaar en de inschrijving in het hoger onderwijs.
In de analyses hielden zij onder meer rekening met het opleidingsniveau van de ouders, het huishoudinkomen, de gezinsgrootte, het land van herkomst en kenmerken van ouder en kind.
Verschil bij taal, niet aantoonbaar bij rekenen
Gemiddeld behaalden de kinderen het 38e percentiel voor taal en het 46e percentiel voor rekenen. Van de ouders sprak 44 procent vaak of altijd Nederlands met de kinderen, 44 procent deed dit soms en 12 procent nooit.
Kinderen met wie vaak of altijd Nederlands werd gesproken, scoorden gemiddeld 4,9 percentielpunten hoger voor taal dan kinderen met wie nooit Nederlands werd gesproken. Het verschil bleef overeind nadat rekening was gehouden met de andere gemeten kenmerken.
Bij rekenen bedroeg het geschatte verschil 2,0 percentielpunten. Dit verschil was niet statistisch significant. Ook kinderen met wie soms Nederlands werd gesproken, verschilden op beide onderdelen niet aantoonbaar van kinderen met wie nooit Nederlands werd gesproken.
Deze uitkomsten sluiten aan bij de verklaring dat Nederlands taalgebruik vooral samenhangt met de ontwikkeling van taalspecifieke vaardigheden. De resultaten bieden geen ondersteuning voor een bredere samenhang die zich ook bij rekenen voordoet.
Samenhang met de verdere schoolloopbaan
Van de kinderen behaalde 26 procent binnen zes jaar een havo- of vwo-diploma. Kinderen met wie vaak of altijd Nederlands werd gesproken, hadden een 6,2 procentpunt hogere kans om zo’n diploma te behalen dan kinderen met wie nooit Nederlands werd gesproken.
In totaal stroomde 23 procent door naar het hoger onderwijs. Frequent Nederlands taalgebruik hing samen met een 5,6 procentpunt hogere kans op inschrijving in het hoger onderwijs.
Na toevoeging van de eerdere taalscore werd de samenhang met het behalen van een havo- of vwo-diploma ongeveer gehalveerd en was deze niet langer statistisch significant. Een aanvullende analyse verdeelde deze samenhang ongeveer gelijk over een rechtstreeks en een via de taalscore verlopend deel, waarbij het rechtstreekse deel onnauwkeurig was geschat.
De samenhang met de instroom in het hoger onderwijs verliep volgens de onderzoekers voornamelijk via de eerdere taalscore en het behalen van een havo- of vwo-diploma. Nadat daarmee rekening was gehouden, bleef vrijwel geen rechtstreeks verband met het eerdere taalgebruik over.
Het eigen niveau van gesproken Nederlands van de ouders hing niet aantoonbaar samen met de taal- of rekenscores. Ook vonden de onderzoekers geen duidelijk bewijs dat de samenhang tussen taalgebruik en de taalscore verschilde naar het taalniveau van de ouder. De schattingen waren echter te onnauwkeurig om zo’n verschil volledig uit te sluiten.
Geen bewijs voor een oorzakelijk effect
De onderzoekers benadrukken dat hun resultaten geen oorzakelijk verband aantonen. Hoewel het taalgebruik van de ouders vóór de eindtoets werd gemeten, kunnen ouders hun taalkeuze aanpassen aan de ontwikkeling en voorkeuren van hun kind. Kinderen die door school, leeftijdgenoten, broers of zussen al beter Nederlands spreken, kunnen hun ouders er bijvoorbeeld toe brengen vaker Nederlands te gebruiken.
Daarnaast konden niet alle mogelijke verschillen tussen kinderen en gezinnen worden gemeten. De uitkomsten moeten daarom worden gelezen als samenhangen en niet als bewijs dat vaker Nederlands spreken de hogere schoolprestaties veroorzaakt.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen en onderwijsprofessionals laat het onderzoek zien dat verschillen in taalprestaties aan het einde van de basisschool samenhangen met de verdere schoolloopbaan. In het Nederlandse stelsel loopt die samenhang mede via de vroege keuze voor een niveau in het voortgezet onderwijs.
Voor de beoordeling van gezinnen bieden de resultaten geen steun voor de aanname dat Nederlands taalgebruik thuis een algemene aanwijzing is voor grotere betrokkenheid bij school. De aantoonbare samenhang beperkte zich tot taal en bleef niet rechtstreeks bestaan bij de latere onderwijsuitkomsten.
Voor ouders en beleidsmakers bewijst het onderzoek niet dat een verandering van de thuistaal tot betere schoolresultaten leidt. De onderzoekers bestudeerden bestaande taalpatronen en testten geen interventie waarbij gezinnen vaker Nederlands gingen spreken.
Bron: Cellini, S., Kalmijn, M. & Van Tubergen, F. (2026). Early Parent-Child Use of the Destination Language in Immigrant Families and Children’s Educational Achievement, Research in Social Stratification and Mobility, 101205. DOI: https://doi.org/10.1016/j.rssm.2026.101205