Voortgezet onderwijs

Kwaliteitsborging van taal- en leesinterventies schiet tekort

Nederlandse kwaliteitsborging van onderwijsinterventies voor taal en lezen schiet tekort, blijkt uit een analyse van de Nederlandse quasi-markt voor onderwijsmethoden. Artikel 23 geeft scholen veel keuzevrijheid, maar door het ontbreken van vaste kwaliteitscriteria kunnen commerciële claims zwaarder wegen dan wetenschappelijk bewijs, zo blijkt uit onderzoek van Tijana Prokic-Breuer van Maastricht University, en Ilja Cornelisz en Geertje van Bergen van de Vrije Universiteit.

Deze onderwijsvrijheid werkt ook door in de markt voor taal- en leesinterventies. De overheid financiert de scholen, maar de ontwikkeling en verkoop van veel interventies liggen bij private aanbieders. Scholen besteden dus publiek geld in een grotendeels commerciële markt. Omdat aanbieders niet altijd volgens dezelfde wetenschappelijke maatstaven hoeven aan te tonen dat hun product werkt, biedt de ruime keuze geen garantie dat scholen ook een aantoonbaar effectieve interventie selecteren.

Publiek geld, private aanbieders

De onderzoekers beschrijven de markt voor onderwijsinterventies als een quasi-markt. De financiering komt grotendeels van de overheid, terwijl scholen zelf beslissen welke producten en diensten zij inkopen. Private partijen concurreren om de aandacht van scholen en bieden uiteenlopende methoden aan voor taalontwikkeling, lezen en de aanpak van taal- en leesproblemen.

Dat gevarieerde aanbod ondersteunt in beginsel de keuzevrijheid. Scholen kunnen een interventie zoeken die past bij hun onderwijsdoelen en bij de behoeften van hun leerlingen. Het aanbod loopt uiteen van programma’s voor de vroege taalontwikkeling tot hulpmiddelen voor oudere leerlingen die moeite hebben met lezen.

De analyse richt zich op de manier waarop financiering, regelgeving en ondersteunende diensten deze markt vormgeven. Vervolgens bekijken de onderzoekers wat dit betekent voor vier publieke doelen: keuzevrijheid, doelmatigheid, gelijke kansen en sociale cohesie.

Vrij kiezen zonder vaste kwaliteitsmaatstaf

De grote keuzevrijheid heeft volgens de analyse een duidelijke beperking. Nederland kent geen algemeen beoordelingskader waarmee scholen de kwaliteit en effectiviteit van alle beschikbare interventies op dezelfde manier kunnen vergelijken. Ook worden begrippen als ‘evidencebased’ en ‘evidence-informed’ niet door alle aanbieders op dezelfde manier gebruikt.

Daardoor is niet altijd duidelijk hoeveel wetenschappelijk bewijs achter een methode of programma zit. Een aanbieder kan naar onderzoek verwijzen zonder dat daarmee vaststaat dat de aangeboden interventie in deze vorm effectief is. Voor scholen wordt het zo lastig om onderscheid te maken tussen een wetenschappelijk onderbouwde aanpak en een product dat vooral overtuigend in de markt wordt gezet.

Tijdens het Nationaal Programma Onderwijs moesten scholen voor het wegwerken van door de coronapandemie ontstane achterstanden kiezen uit een menukaart met interventies. Die menukaart was grotendeels gebaseerd op de Teaching and Learning Toolkit van de Britse Education Endowment Foundation. Bewijs voor de effectiviteit van een aanpak speelde daarbij een belangrijke rol. Buiten dergelijke programma’s ontbreekt echter een vergelijkbaar, breed toepasbaar kader.

Weinig zicht op werking, prijs en aanbod

Ook de doelmatigheid staat volgens de onderzoekers onder druk. Scholen hebben niet altijd toegang tot betrouwbare en actuele informatie over de werking, prijs en beschikbaarheid van interventies. Daardoor kunnen zij producten moeilijk vergelijken en kost het veel tijd om het aanbod te beoordelen.

Een gebrek aan publieke kwaliteitsborging met duidelijke gevolgen voor aanbieders maakt het bovendien mogelijk dat interventies op de markt blijven waarvan de effectiviteit beperkt of onvoldoende aangetoond is. Tegelijkertijd bieden verschillende partijen soms vergelijkbare programma’s aan. Die overlap kan ertoe leiden dat scholen veel tijd en middelen besteden aan het zoeken, vergelijken en invoeren van interventies.

Niet iedere school kan de markt even goed overzien

De vrije markt voor onderwijsmethoden werkt ook niet voor iedere school hetzelfde. Scholen met een leerlingpopulatie die meer ondersteuning nodig heeft, beschikken niet vanzelfsprekend over voldoende tijd, kennis en personeel om het aanbod te beoordelen en een passende interventie zorgvuldig in te voeren.

Extra financiering alleen is daarom niet altijd voldoende. Scholen hebben ook toegang nodig tot bruikbare informatie, deskundige begeleiding en praktische ondersteuning bij de keuze en uitvoering van een aanpak. Als die ondersteuning ontbreekt, kunnen verschillen tussen scholen blijven bestaan of groter worden.

De analyse wijst daarnaast op aanhoudende verschillen tussen groepen leerlingen. De deelname aan voor- en vroegschoolse educatie onder kinderen van drie tot vijf jaar is hoog, maar er blijven verschillen bestaan tussen kinderen met en zonder migratieachtergrond. De beschikbaarheid van interventies betekent dus niet automatisch dat alle leerlingen daar in gelijke mate van profiteren.

Keuzevrijheid en sociale samenhang

Artikel 23 biedt ouders ruimte om een school te kiezen op basis van onder meer religieuze, levensbeschouwelijke of pedagogische voorkeuren. Volgens de analyse kan die vrijheid tegelijkertijd bijdragen aan een verdeling van leerlingen langs culturele en etnische lijnen. Wanneer verschillende groepen vooral op afzonderlijke scholen terechtkomen, neemt de dagelijkse ontmoeting tussen die groepen af.

Ook de manier waarop scholen worden bekostigd kan hierbij een rol spelen. Een financiering die sterk samenhangt met het aantal leerlingen kan scholen stimuleren om leerlingen aan te trekken die naar verwachting minder ondersteuning nodig hebben. Leerlingen met een grotere ondersteuningsbehoefte kunnen daardoor verder op afstand komen te staan.

De onderzoekers beschrijven de Nederlandse quasi-markt daarmee als een stelsel dat ruimte biedt voor keuze en een gevarieerd aanbod, maar waarin de publieke kwaliteitsborging onvoldoende is uitgewerkt. Vooral het ontbreken van gemeenschappelijke criteria voor wetenschappelijke onderbouwing maakt het voor scholen moeilijk om verantwoorde keuzes te maken.

Een landelijk beoordelingskader kan meer duidelijkheid geven over wat onder ‘evidencebased’ en ‘evidence-informed’ moet worden verstaan. Daarnaast noemen de onderzoekers betere ondersteuning van scholen, professionalisering en samenwerking tussen scholen, onderzoekers en aanbieders. Dat moet scholen helpen om interventies niet alleen te selecteren, maar ook zorgvuldig in de praktijk toe te passen en te beoordelen.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor schoolleiders en schoolbesturen betekent de ruime keuzevrijheid dat zij zelf moeten nagaan welke wetenschappelijke onderbouwing achter een taal- of leesinterventie zit. Begrippen als ‘evidencebased’ of ‘bewezen effectief’ bieden zonder gemeenschappelijke beoordelingscriteria onvoldoende zekerheid.

Voor leraren en andere onderwijsprofessionals maakt de analyse duidelijk dat niet alleen de presentatie van een methode van belang is. Ook het beschikbare bewijs, de aansluiting bij de leerlingpopulatie en de voorwaarden voor een zorgvuldige invoering moeten bij de keuze worden betrokken.

Voor overheid en ondersteuningsorganisaties ligt er een taak om scholen toegang te geven tot onafhankelijke informatie en duidelijke kwaliteitscriteria. Vooral scholen met een uitdagende leerlingpopulatie hebben baat bij praktische begeleiding bij het kiezen, invoeren en beoordelen van interventies.

Bron: Prokic-Breuer, T., Cornelisz, I. & Van Bergen, G. (2026). “Quality Assurance in a Quasi-Market of Education: The Case of Teaching and Learning Interventions in the Netherlands.” In M.K. Camphuijsen, A. Zuurmond & C. van Montfort (red.), Public-Private Entanglement in Education: Mapping, Understanding, and Evaluating, pp. 181–202. Amsterdam: VU University Press. DOI: https://doi.org/10.66742/QLUK1122. ISBN: 978-90-8659-921-9.

Ontdek meer onderwerpen