Hij onderzocht waardoor veertienjarigen leren hun vertrouwen in het parlement, de regering en politieke partijen af te stemmen op de manier waarop hun land wordt bestuurd.
Niet zo veel mogelijk vertrouwen
D’Agostino gaat niet uit van de gedachte dat jongeren zo veel mogelijk vertrouwen in de politiek moeten hebben. Voor een democratie is het volgens de achterliggende theorie vooral belangrijk dat vertrouwen terecht wordt gegeven of ingetrokken. Goede prestaties zouden tot meer vertrouwen moeten leiden, slechte prestaties tot minder. De onderzoeker noemt dat evaluerend politiek vertrouwen.
Eerder onderzoek liet zien dat hoger opgeleide volwassenen hun vertrouwen sterker laten afhangen van de kwaliteit van het bestuur. Dat bewijst echter niet dat onderwijs daarvan de oorzaak is, omdat opleidingsniveau sterk samenhangt met het ouderlijk milieu. D’Agostino onderzocht daarom leerlingen uit hetzelfde leerjaar en keek niet naar hun politieke kennis, die eveneens door hun thuissituatie kan worden beïnvloed, maar naar kenmerken van het burgerschapsonderwijs op school.
Bijna honderdduizend leerlingen
De onderzoeker gebruikte gegevens uit de International Civic and Citizenship Education Study van 2009, 2016 en 2022. De analyse omvatte 95.977 leerlingen van 4.039 scholen in elf landen die aan alle drie de onderzoeksrondes deelnamen. Nederland ontbrak in de hoofdanalyse, omdat voor 2009 de benodigde gegevens van Nederlandse docenten niet beschikbaar waren.
De leerlingen beantwoordden vragen over hun vertrouwen in het parlement, de regering en politieke partijen. De prestaties van hun land werden gemeten aan de hand van corruptie, het bruto binnenlands product per inwoner, economische groei, inflatie, werkloosheid en het begrotingssaldo. D’Agostino maakte daarbij onderscheid tussen structurele verschillen tussen landen en veranderingen binnen een land in de tijd.
Scholieren reageren op corruptie en welvaart
Het politieke vertrouwen van scholieren hing samen met de prestaties van hun land. In structureel beter presterende landen hadden zij meer vertrouwen. Ook binnen landen bewoog het vertrouwen mee wanneer de prestaties verbeterden of verslechterden.
Vooral corruptie en welvaart speelden een rol. Jongeren hadden meer vertrouwen in landen met minder corruptie en een hoger bruto binnenlands product per inwoner. Ook veranderingen in beide factoren binnen een land hingen samen met veranderingen in vertrouwen. Een stijgende werkloosheid ging eveneens samen met minder vertrouwen. Voor economische groei, inflatie en het begrotingssaldo werden geen robuuste verbanden gevonden.
Dat betekent niet noodzakelijk dat jongeren zelf economische cijfers of corruptieniveaus beoordelen. Volgens D’Agostino kunnen zij ook opvattingen van volwassenen in hun omgeving overnemen.
Geen aantoonbaar effect van burgerschapsonderwijs
Vervolgens onderzocht D’Agostino of burgerschapsonderwijs de koppeling tussen prestaties en vertrouwen versterkt. Hij keek naar de mate waarin docenten kranten, tijdschriften en televisie gebruikten bij de voorbereiding van lessen en naar hoe goed zij zich voorbereid voelden om les te geven over politieke stelsels, verkiezingen en burgerrechten.
Geen van beide kenmerken maakte de samenhang tussen de prestaties van een land en het politieke vertrouwen van leerlingen sterker. Op scholen waar docenten vaker nieuwsmedia gebruikten of zich beter voorbereid voelden, stemden jongeren hun vertrouwen dus niet aantoonbaar sterker af op de prestaties van politieke instellingen.
Aanvullende analyses veranderden dat beeld niet. Ook op scholen met veel vrijheid over het curriculum, op scholen waar burgerschap een apart vak was en in landen waar burgerschapskennis formeel werd getoetst, werd geen overtuigend effect gevonden.
Daaruit volgt niet dat burgerschapsonderwijs geen invloed heeft op politieke kennis, opvattingen of gedrag. Het onderzoek toont alleen geen effect aan op de mate waarin jongeren hun politieke vertrouwen laten meebewegen met de prestaties van hun land.
Ouders maken wel verschil
Leerlingen die thuis vaker over politieke en maatschappelijke onderwerpen spraken, hadden gemiddeld iets meer vertrouwen in politieke instellingen. Die gesprekken maakten hun vertrouwen echter niet gevoeliger voor goede of slechte prestaties van hun land.
De sociaaleconomische achtergrond van ouders maakte wel verschil. Die werd vastgesteld aan de hand van hun beroep, opleidingsniveau en het aantal boeken in huis. Jongeren uit een gunstiger milieu stemden hun vertrouwen sterker af op structurele verschillen tussen landen. In slecht presterende landen hadden zij minder vertrouwen dan minder bevoorrechte leeftijdgenoten; in goed presterende landen juist meer. Vooral corruptie en het bruto binnenlands product per inwoner waren hierbij van belang.
Dit verschil werd alleen gevonden bij vergelijkingen tussen landen. Wanneer de prestaties binnen een land veranderden, pasten jongeren uit verschillende sociaaleconomische milieus hun vertrouwen ongeveer even sterk aan.
School en gezin moeilijk te scheiden
Volgens D’Agostino zetten de resultaten vraagtekens bij de aanname dat vooral scholen jongeren leren politieke instellingen kritisch op hun prestaties te beoordelen. Het bredere thuismilieu lijkt daarbij een grotere rol te spelen dan de onderzochte kenmerken van het burgerschapsonderwijs.
De onderzoeker wijst wel op beperkingen. Er waren slechts drie meetmomenten, met tussenpozen van vier tot vijf jaar, en de gebruikte schoolkenmerken geven geen volledig beeld van de inhoud en uitvoering van de lessen. Bovendien zijn school- en gezinseffecten niet volledig te scheiden, omdat de achtergrond van ouders ook de schoolkeuze kan beïnvloeden.
De conclusie is daarom niet dat onderwijs geen politieke attitudes kan vormen. Het onderzoek laat alleen zien dat de onderzochte kenmerken van burgerschapsonderwijs jongeren niet aantoonbaar sterker leerden hun vertrouwen te laten afhangen van de prestaties van politieke instellingen.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor docenten burgerschap laat het onderzoek zien dat het gebruik van nieuwsmedia en de mate waarin docenten zich voorbereid voelen om politieke onderwerpen te behandelen, niet aantoonbaar versterken dat leerlingen hun vertrouwen afstemmen op de prestaties van politieke instellingen. Het onderzoek laat niet zien of andere lesinhouden of werkvormen dat wel doen.
Voor scholen en curriculumontwikkelaars is relevant dat de uitkomst ook niet veranderde op scholen met veel vrijheid over het curriculum, op scholen waar burgerschap als apart vak wordt gegeven en in landen waar burgerschapskennis formeel wordt getoetst. Daaruit kan niet worden afgeleid dat burgerschapsonderwijs geen invloed heeft op andere politieke kennis, houdingen of gedragingen.
Voor beleidsmakers wijzen de resultaten erop dat burgerschapsonderwijs alleen mogelijk onvoldoende is om sociaaleconomische verschillen in kritisch politiek vertrouwen te verkleinen. De achtergrond van ouders hing wel samen met de mate waarin jongeren hun vertrouwen afstemden op structurele verschillen in corruptie en welvaart tussen landen.
Bron: D’Agostino, G. (2026). Evaluations of institutional performance among adolescents: Comparing the socializing roles of schools and families, Political Studies. DOI: https://doi.org/10.1177/00323217261464880