Voortgezet onderwijs

‘Iedereen zegt altijd dat wij dom zijn’, promotieonderzoek rekent af met aannames over tweetalig vmbo

Tweetalig onderwijs gold lange tijd als iets voor leerlingen op de havo en het vwo. Voor vmbo-leerlingen zou onderwijs in het Engels te moeilijk zijn. Het promotieonderzoek van Jenny Denman, die deze week aan de Universiteit Utrecht promoveerde, laat echter zien dat ook vmbo-leerlingen er baat bij kunnen hebben. Zij boekten bescheiden maar consistente vooruitgang in hun Engelse taalvaardigheid en staan positiever tegenover het gebruik van de taal. “Dit onderzoek gaat over Engels, maar niet alleen over Engels. Het gaat over kansen.”

Wie in Nederland aan tweetalig onderwijs denkt, ziet doorgaans academisch sterke leerlingen op de havo of het vwo voor zich, vertelde Denman tijdens het lekenpraatje voorafgaand aan haar promotieverdediging. Het vmbo bleef bij de ontwikkeling van deze onderwijsvorm lange tijd buiten beeld. “Maar hoe zit het met het vmbo? Jarenlang gingen mensen ervan uit dat het daar simpelweg niet haalbaar was. Dat werd de centrale vraag van mijn onderzoek.”

Al bij haar eerste bezoek aan een van de onderzoeksscholen ontdekte Denman dat die vraag niet alleen over woordenschat, grammatica of uitspraak ging. Nadat zij aan leerlingen had uitgelegd wat zij wilde onderzoeken, reageerde een van hen achterdochtig: “Iedereen zegt altijd dat wij dom zijn. U wilt het gewoon bewijzen.” Op dat moment besefte Denman dat haar onderzoek ook ging over de verwachtingen die volwassenen van leerlingen hebben. “Het ging niet alleen over Engels, maar ook over het onderzoeken van aannames en verwachtingen.”

Van vijftien naar 32 programma’s

Tweetalig onderwijs op het vmbo is nog betrekkelijk jong. Het eerste officiële programma begon in 2009. Toen Denman drie jaar later aan haar onderzoek begon, waren er vijftien programma’s; inmiddels zijn dat er 32. Die snelle groei stond in contrast met de geringe hoeveelheid onderzoek waarop scholen hun aanpak konden baseren.

Bij tweetalig onderwijs krijgen leerlingen een deel van hun schoolvakken in een vreemde taal, doorgaans het Engels. Daarbij wordt gewerkt volgens de CLIL-benadering, waarbij leerlingen tegelijkertijd vakinhoud en taal leren. Denman volgde leerlingen over een langere periode en combineerde taaltoetsen en vragenlijsten met interviews en focusgroepen. Haar onderzoek leverde meer dan 400.000 datapunten en duizenden schrijf- en spreektoetsen op. “De toetsen vertelden mij wat leerlingen bereikten. De vragenlijsten en focusgroepen hielpen mij begrijpen waarom.”

De uitkomsten zijn voorzichtig positief. Leerlingen in tweetalige vmbo-klassen boekten bescheiden maar consistente vooruitgang op het gebied van woordenschat, grammatica, spreken en schrijven. Ook stonden zij positiever tegenover het leren van Engels en waren zij eerder bereid de taal daadwerkelijk te gebruiken. Van de leerlingen zei 74 procent opnieuw voor de tweetalige stroom te zullen kiezen.

Leerlingen willen juist meer Engels

Een van de opvallendste bevindingen was dat leerlingen juist wilden dat hun docenten méér Engels spraken. Dat kwam volgens Denman in iedere focusgroep naar voren. Uit de rapportages van de docenten bleek tegelijkertijd hoe groot de verschillen tussen lessen waren. Sommige leraren gebruikten minder dan twintig procent van de lestijd Engels, terwijl anderen vrijwel de gehele les in het Engels gaven.

Alleen het predicaat ‘tweetalig onderwijs’ is daarom niet genoeg

Ook tussen scholen liep de uitvoering sterk uiteen. Wanneer het aantal tweetalige vakken in latere leerjaren werd teruggeschroefd, stagneerde bovendien de groei van de Engelse taalvaardigheid. Alleen het predicaat ‘tweetalig onderwijs’ is daarom niet genoeg. De opbrengsten hangen sterk af van de manier waarop scholen de CLIL-aanpak uitvoeren en docenten ondersteunen.

Het belang van Engels houdt volgens Denman niet op bij de school. In veel beroepen waarvoor vmbo- en mbo-leerlingen worden opgeleid, is Engels inmiddels vanzelfsprekend. “Een mbo-docent vertelde mij dat reparatiehandleidingen voor binnenvaartschepen alleen in het Engels beschikbaar zijn. Een andere docent zei dat haar mbo-studenten logistiek dagelijks in het Engels contact hebben met internationale chauffeurs en klanten.”

Omdat bijna de helft van de Nederlandse middelbare scholieren vmbo volgt, staat er volgens Denman ook maatschappelijk iets op het spel. “Als ambitieuze onderwijsvernieuwingen alleen worden aangeboden aan de meest academisch succesvolle leerlingen, zien we mogelijk het potentieel van tienduizenden anderen over het hoofd.”

‘U heeft bewezen dat ik het volledig mis had’

Tijdens de verdediging erkende hoogleraar Marjolijn Verspoor (RUG) dat zij aanvankelijk zelf twijfels had gehad over tweetalig onderwijs op het vmbo. Als lid van een kwaliteitszorgteam bezocht zij eerder scholen met tweetalig onderwijs. Bij de start van Denmans onderzoek had zij zich afgevraagd of het wel de moeite waard was om vmbo-scholen te bestuderen. “Ik ben zeer verheugd te zien dat u heeft bewezen dat ik het volledig mis had.”

Verspoor plaatste ook de oorspronkelijke keuze om tweetalig onderwijs alleen op het vwo aan te bieden in historisch perspectief. Zij verwees naar haar echtgenoot Kees de Bot, een van de pioniers van het tweetalig onderwijs in Nederland. Volgens hem was die keuze niet ingegeven door bewust elitisme. Er bestond aanvankelijk veel weerstand tegen tweetalige scholen. De eerste scholen moesten bewijzen dat onderwijs in het Engels kon werken zonder dat het Nederlands van leerlingen eronder zou lijden. Daarom begonnen zij op het niveau waar de kans op succes het grootst werd geacht.

Leerlingen hebben recht op bruikbare feedback

Verspoor vroeg Denman ook of vakdocenten die in het Engels lesgeven redelijkerwijs op de taal van leerlingen kunnen letten. Volgens Denman is corrigerende feedback essentieel. Zij citeerde een gefrustreerde leerling: “Ze zeggen dat ik iets fout doe, maar ze zeggen niet wat. Dus ik ga ervan uit dat alles wat ik doe fout is.”

Niet iedere taalfout hoeft tijdens een geschiedenis- of biologieles te worden verbeterd, maar leerlingen moeten volgens Denman wel weten wat zij goed doen en waaraan zij nog moeten werken. Dat vraagt om samenwerking tussen vakdocenten en docenten Engels. Sommige vakdocenten begeven zich daar liever niet aan. Denman verwees naar onderzoeker Evelyn van Kampen, die vakdocenten “territoriale wezens” noemde die niet graag het domein van de taaldocent betreden. In tweetalig onderwijs zijn vak en taal echter niet goed van elkaar te scheiden.

Inclusiviteit gaat ook over erbij horen

Tessa Mearns van de Universiteit Leiden vroeg Denman wat zij precies bedoelde met de titel van haar proefschrift, Inclusive CLIL. Inclusiviteit kan immers ook gaan over leerlingen met een beperking, gelijke kansen en het gevoel bij een groep te horen. Denman erkende dat zij het begrip vooral gebruikte voor het betrekken van vmbo-leerlingen, waaronder leerlingen in de basis-, kader- en gemengde leerweg en leerlingen met leerwegondersteuning. Aan sommige programma’s namen ook dove of blinde leerlingen deel.

Toch kwam zij in haar onderzoek ook bredere rechtvaardigheidsvraagstukken tegen. Leerlingen die niet werden geselecteerd voor een internationale uitwisseling voelden zich ernstig benadeeld. “Ik kan nauwelijks benadrukken hoe diep dit hen raakte. Ze wilden geen Engels meer leren.” Wanneer een uitwisseling bij de werving als onderdeel van het programma wordt beloofd, moeten scholen die belofte volgens Denman ook aan alle leerlingen nakomen.

Wat betekenen sociale media en AI?

De Duitse hoogleraar Dominik Rumlich wees erop dat de gegevens tussen 2012 en 2014 zijn verzameld. Leerlingen komen tegenwoordig buiten school waarschijnlijk veel vaker met Engels in aanraking via sociale media, games en online video’s. Denman erkende dat, maar benadrukte dat haar studie als eerste kwantitatieve en longitudinale onderzoek naar tweetalig vmbo in Nederland als nulmeting kan dienen.

Over de invloed van generatieve AI kon zij alleen speculeren. Leerlingen spraken over Engels vooral als een taal waarmee zij persoonlijk met vrienden en andere mensen over de hele wereld konden communiceren. Die waarde verdwijnt volgens Denman niet door automatische vertaalprogramma’s. Wel voegde zij eraan toe dat het met AI inmiddels eenvoudiger is geworden om bijvoorbeeld een Engelstalige reparatiehandleiding voor een binnenvaartschip te vertalen.

Lessen voor de lerarenopleiding

Voor lerarenopleidingen trok Denman drie lessen. Docenten moeten allereerst voldoende taalvaardig zijn om zich in het Engels vrij te kunnen uitdrukken. Een docent zei daarover: “Ik zou graag humor gebruiken, maar ik denk niet dat ik grappig ben in het Engels.” Daarnaast moeten vak- en taaldocenten vanaf het begin samenwerken. Een geschiedenisdocent kan bijvoorbeeld aandacht besteden aan de verleden tijd, terwijl een biologiedocent bij een practicumverslag de lijdende vorm kan behandelen.

Ten slotte vraagt lesgeven in een vreemde taal om een eigen didactiek. De vakinhoud hoeft niet eenvoudiger te worden, maar moet wel in meer stappen worden aangeboden. Daarbij mag ook het Nederlands doelgericht worden ingezet. “Leerlingen hoeven niet op tafel te klimmen en een liedje te zingen als ze iets in het Nederlands zeggen. Een korte uitleg, een snelle vertaling of een metafoor kan veel bijdragen aan sneller en dieper begrip.”

De belangrijkste les is volgens Denman echter dat scholen beter naar leerlingen moeten luisteren. “Deze leerlingen weten niet alleen hoe ze willen leren, maar ook wat voor hen werkt.” Na het beraad verleende de commissie haar de doctorstitel. Denman sloot af met de hoop dat toekomstige beslissingen over tweetalig onderwijs op het vmbo “gebaseerd zijn op bewijs, in plaats van op aannames over wat leerlingen wel en niet kunnen.”

Ontdek meer onderwerpen