Voortgezet onderwijs

Inclusief schoolbeleid hangt samen met minder pestervaringen bij genderdiverse leerlingen

Scholen met een breed en intensief inclusief beleid weten het pesten van genderdiverse leerlingen beter in te dammen dan scholen die daar minder werk van maken. Dat blijkt uit onderzoek van Miriam Dietz, Wouter Kiekens, René Veenstra en Laura Baams van de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit Utrecht onder ruim 9.400 leerlingen op 28 Nederlandse middelbare scholen.
LGBTQ+-leerlingen

Met genderdivers bedoelen de onderzoekers dat de genderidentiteit van een jongere gedeeltelijk of geheel niet overeenkomt met het geboortegeslacht. Seksueel divers betekent in dit onderzoek dat een jongere verliefd kan worden op iemand van hetzelfde geslacht of op meerdere geslachten.

Beleid staat niet op zichzelf

De aanleiding voor het onderzoek is dat seksueel en genderdiverse jongeren op school nog altijd vaker worden gepest en zich vaker onveilig voelen dan heteroseksuele en cisgender leerlingen. Eerder onderzoek liet al zien dat afzonderlijke maatregelen, zoals antipestbeleid of beleid dat specifiek gericht is op seksuele en genderdiversiteit, die verschillen kunnen verkleinen.

Maar scholen voeren zulke maatregelen meestal niet los van elkaar. Zij hebben vaak een pakket van beleid, regels en preventieve afspraken. Volgens de onderzoekers was nog onvoldoende duidelijk welke rol zulke combinaties van beleid spelen.

De onderzoekers gebruikten gegevens uit de Monitor Sociale Veiligheid uit 2018, een landelijk vragenlijstonderzoek in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het onderzoek bestond uit twee delen. Eerst beoordeelden 106 schoolleiders en bestuurders van 28 scholen in hoeverre hun school 23 preventieve beleidsmaatregelen had ingevoerd. Daarbij ging het onder meer om beleid om respect voor uiterlijk, biseksualiteit of transgender personen te bevorderen.

Met een statistische techniek, latente klassenanalyse, brachten de onderzoekers vervolgens in kaart welke beleidspatronen op scholen voorkwamen. Daarna koppelden zij die beleidsprofielen aan antwoorden van 9.483 leerlingen, met een gemiddelde leeftijd van veertien jaar. De leerlingen rapporteerden hoe vaak zij te maken hadden met vijf vormen van slachtofferschap, waaronder verbaal, fysiek en seksueel pesten, en hoe veilig zij zich op school voelden. Van de leerlingen was 21 procent seksueel divers en 2,75 procent genderdivers.

Vier soorten scholen

Uit de analyse kwamen vier beleidsprofielen naar voren. Scholen in het beperkte profiel voerden relatief weinig beleid en hadden geen duidelijke focus. Scholen in het ontwikkelende profiel voerden beleid in gemiddelde mate, met een algemene insteek. Het gevorderde profiel bestond uit scholen met veel beleid, waaronder relatief veel nadruk op gedragsdiscipline. Het geconsolideerde profiel omvatte scholen die op vrijwel alle terreinen intensief beleid voerden, met een brede en inclusieve aanpak.

Slechts twee van de 28 scholen vielen in deze meest inclusieve categorie. Volgens de onderzoekers laat dat zien dat scholen zelden een omvattend beleidspakket voeren, ook al bestaan er algemene richtlijnen vanuit de overheid.

Genderdiverse leerlingen worden vaker gepest

In het tweede deel van het onderzoek bleek dat genderdiverse leerlingen duidelijk vaker slachtoffer waren van pesten dan cisgender leerlingen. Ook voelden zij zich vaker onveilig op school. Seksueel diverse jongeren voelden zich eveneens vaker onveilig dan heteroseksuele leerlingen. Zij rapporteerden ook meer slachtofferschap, maar dat verschil verdween wanneer de onderzoekers rekening hielden met gendermodaliteit.

Het beleidsprofiel van een school hing niet samen met hoeveel pesten en onveiligheid leerlingen in het algemeen rapporteerden. Met andere woorden: leerlingen op scholen met een uitgebreider beleid rapporteerden gemiddeld niet vanzelfsprekend minder pesten of minder onveiligheid dan leerlingen op andere scholen.

Voor genderdiverse leerlingen vonden de onderzoekers wel een specifiek verschil. Op scholen met een beperkt profiel en op scholen met een gevorderd profiel waren de verschillen in pestervaringen tussen genderdiverse en cisgender leerlingen groter dan op scholen met het meest inclusieve, geconsolideerde profiel. Op die meest inclusieve scholen was het verschil tussen genderdiverse en cisgender leerlingen niet significant.

Voor seksuele oriëntatie werd zo’n bufferend effect niet gevonden. Ook voor gevoelens van onveiligheid vonden de onderzoekers geen vergelijkbaar effect van het beleidsprofiel. De auteurs benadrukken bovendien dat de gevonden effecten relatief klein zijn en voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd.

Beleid alleen is niet genoeg

De onderzoekers concluderen dat inclusieve schoolomgevingen het risico op pesten voor genderdiverse jongeren kunnen verkleinen, maar niet voor alle gemarginaliseerde groepen. Beleid alleen lijkt volgens hen niet voldoende om pesten en gevoelens van onveiligheid terug te dringen. Daarvoor is een bredere benadering van het schoolklimaat nodig.

Als praktische aanbeveling noemen zij beleidscombinaties die sterk inzetten op inclusie, respect voor seksuele en genderdiversiteit, preventie van discriminatie en geweld, prestatiegericht respect en betrokkenheid van personeel en ouders. Daarbij kan een gematigde, of mogelijk lagere, nadruk op gedragsdiscipline passend zijn. Omdat seksueel diverse en genderdiverse groepen elkaar deels overlappen, kan zo’n inclusieve aanpak volgens de onderzoekers ook voor seksueel diverse jongeren van belang zijn.

Tegelijk wijzen zij erop dat scholen zich in hun beleid mogelijk te sterk richten op pesten en te weinig op sociale veiligheid. Beleid voor sociale veiligheid zou volgens hen bijvoorbeeld nadrukkelijker aandacht kunnen geven aan ervaringen van leerlingen in Gender and Sexuality Alliances en aan training van personeel.

Het onderzoek kent beperkingen. De scholen waren niet willekeurig geselecteerd, de steekproef van 28 scholen was klein en de gegevens dateren uit 2018. Ook werden seksuele oriëntatie en gendermodaliteit indirect gemeten. Leerlingen konden geen specifieke seksuele of genderidentiteit aangeven. Vervolgonderzoek zou volgens de onderzoekers directere metingen moeten gebruiken, moeten nagaan welke afzonderlijke maatregelen de gevonden effecten verklaren en beter moeten onderzoeken hoe beleid in de praktijk wordt uitgevoerd.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor schoolleiders laat dit onderzoek zien dat afzonderlijke maatregelen waarschijnlijk niet genoeg zijn. Het gevonden beschermende effect voor genderdiverse leerlingen trad op bij scholen met een breed en intensief inclusief beleidspakket, niet bij beleid dat alleen algemeen of disciplinair van aard is.

Voor teams en mentoren is vooral relevant dat genderdiverse leerlingen in dit onderzoek vaker pesten en onveiligheid rapporteerden dan cisgender leerlingen. Beleid dat inzet op respect voor seksuele en genderdiversiteit, discriminatie en geweld tegengaat en personeel betrekt, kan helpen om pestverschillen kleiner te maken.

Voor zorgcoördinatoren en vertrouwenspersonen maken de resultaten duidelijk dat sociale veiligheid apart aandacht vraagt. De onderzoekers vonden geen bufferend effect van beleid op gevoelens van onveiligheid. Scholen doen er daarom goed aan om niet alleen pesten te registreren en te bestrijden, maar ook te kijken naar het bredere schoolklimaat, training van personeel en de ervaringen van leerlingen in bijvoorbeeld Gender and Sexuality Alliances.

Bron: Dietz, M. B., Kiekens, W. J., Veenstra, R. & Baams, L. (2026). Understanding the Role of School Policies in Sexual Orientation- and Gender Modality-Based Disparities in Victimization and School Unsafety, Youth & Society. DOI: