Het onderzoek richtte zich op de vraag hoe muziekdocenten in het Nederlandse basisonderwijs improvisatie begrijpen, toepassen en beoordelen. Aanleiding was de constatering dat improvisatie weliswaar breed wordt erkend als betekenisvolle creatieve activiteit, maar in de praktijk zelden voorkomt in de klas. Een systematische literatuurstudie uit 2019 stelde al dat improvisatie een onderontwikkeld veld is, mede omdat onderzoek naar de ervaringen van leraren zelf schaars is.
Ruim vijftien jaar onderwijservaring
Voor de studie werden acht muziekdocenten gevolgd, zeven vrouwen en één man, met gemiddeld ruim vijftien jaar onderwijservaring. Ze werkten op Montessorischolen, internationale scholen en reguliere basisscholen in stedelijke en landelijke omgevingen. De onderzoekers combineerden semigestructureerde interviews met lesbezoeken en veldnotities. Zeven docenten werden drie tot zes lessen gevolgd, één docent één les.
Alle docenten pasten improvisatie toe in hun lessen, al verschilden de frequentie en zekerheid waarmee ze dat deden aanzienlijk. Eén docent gaf aan improvisatie zelden te gebruiken omdat zij zelf nog bezig was het te leren. Anderen waren er al jarenlang mee vertrouwd.
Leerlingen raken snel opgewonden zodra instrumenten worden uitgedeeld
De meest gebruikte vorm was vocale improvisatie. Call-and-response zingen kwam bij alle geobserveerde docenten voor, soms als begroeting, soms om ritmische patronen te oefenen. Scatzang werd vooral ingezet bij jongere groepen, rond thema’s als dieren of het weer. Instrumentale improvisatie, op onder meer xylofoon, djembé en gitaar, werd door zes van de acht docenten gebruikt. Juist daar werd zichtbaar waarom improvisatie in de klas niet vanzelfsprekend is: leerlingen raken snel opgewonden zodra instrumenten worden uitgedeeld, waardoor een activiteit die bedoeld is om creativiteit te stimuleren kan omslaan in lawaai en onrust. Bewegingsimprovisatie bleek daarom populair.
De hele klas kan tegelijk meedoen zonder geluid te maken, en leerlingen voelen er minder schroom bij. Eén docent leidde in meerdere lessen een activiteit die zij Stop Dance noemde, waarbij leerlingen bewegen op muziek en stoppen zodra de muziek stopt.
Docenten noemden drie voorwaarden voor effectieve improvisatielessen. De eerste is een veilige sfeer waarin fouten niet worden afgestraft. Wie zich beoordeeld voelt, durft minder snel iets nieuws te proberen. De tweede is structuur: vrij improviseren zonder houvast werkt vaak niet. Leerlingen hebben duidelijke stappen en grenzen nodig, en verschillende docenten beschreven een geleidelijke opbouw van strak gestructureerde naar vrijere vormen. De derde voorwaarde is aansluiting bij de belevingswereld van leerlingen. Improviseren werkt beter wanneer het materiaal past bij wat leerlingen bezighoudt. Eén docent gebruikte een verhaal dat de klas zelf aan het schrijven was: de namen van personages werden ritmische patronen waarop leerlingen muzikaal konden voortbouwen.
Jongere leerlingen kregen vooral positieve bekrachtiging
Alle docenten gaven feedback, maar op uiteenlopende manieren. Jongere leerlingen kregen vooral positieve bekrachtiging, oudere leerlingen vaker technische opmerkingen. Sommige docenten kozen bewust voor subtiele feedback, zodat leerlingen het gevoel van vrije expressie niet verloren. Peerfeedback en zelfreflectie werden door de helft van de docenten actief gestimuleerd via vragen als: wat maakt een melodie goed, en waarom vinden we een bepaalde klank geslaagd? Een gezamenlijke beoordelingssystematiek ontbrak. Docenten pasten hun aanpak aan op leeftijd, activiteit en leerdoel.
De voordelen die docenten noemden, waren consistent. Improvisatie maakt muziek minder exclusief, vergroot de creativiteit, geeft leerlingen eigenaarschap en versterkt het zelfvertrouwen. Een docent stelde dat improvisatie ook de klassensfeer ten goede komt doordat leerlingen beter naar elkaar gaan luisteren. Bovendien biedt het docenten zicht op de ontwikkeling van leerlingen: muzikaal, maar ook in houding, luistervaardigheid en durf.
Zeven van de acht docenten ondervonden moeilijkheden
De uitdagingen waren echter aanzienlijk. Zeven van de acht docenten ondervonden moeilijkheden bij het beheersen van de opwinding die instrumenten oproepen. Simultane improvisatie door de hele klas leidde regelmatig tot lawaai. Docenten met gemengde niveaugroepen vonden het lastig geschikt materiaal te vinden. Sommige leerlingen waren ronduit bang om voor de klas te improviseren. Daarnaast speelden praktische beperkingen: te weinig lestijd, te kleine ruimten en een beperkt instrumentarium.
De aanbevelingen van de docenten sluiten aan bij hun ervaringen. Begin vroeg met improvisatie, bij voorkeur in groepsverband en met toegankelijke vormen zoals beweging of zang. Houd de groepsgrootte beheersbaar. Gebruik improvisatie als middel om van muziek te genieten, niet als doel op zich. Een terugkerend punt is dat ook docenten zelf voldoende ervaring moeten opdoen: wie zelf weinig heeft geïmproviseerd, voelt zich minder zeker in de begeleiding ervan. Daarmee wijst het onderzoek naar lerarenopleidingen en nascholing. Zolang improvisatie in de klas afhangt van individuele durf en ervaring, blijft zij kwetsbaar. De onderzoekers schrijven dat de expertise die toekomstige muziekdocenten in hun opleiding ontwikkelen, hen kan helpen om later beter voorbereid improvisatielessen te begeleiden. Scholen moeten daar ook de tijd en ruimte voor vrijmaken.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor basisscholen laat dit onderzoek zien dat improvisatie in de muziekles niet vanzelf ontstaat. Leerlingen hebben tijd, ruimte, instrumenten en duidelijke begeleiding nodig om te kunnen experimenteren zonder dat de les omslaat in lawaai of onzekerheid.
Voor muziekdocenten is vooral de combinatie van veiligheid en structuur van belang. Improvisatie werkt beter wanneer leerlingen vroeg beginnen, eerst in groepsverband oefenen en stap voor stap meer vrijheid krijgen. Feedback in de vorm van vragen kan leerlingen helpen om beter te luisteren en over hun eigen muzikale keuzes na te denken.
Voor lerarenopleidingen en curriculumontwikkelaars maken de resultaten duidelijk dat improvisatie meer vraagt dan enthousiasme voor creativiteit. Docenten moeten zelf ervaring opdoen met improviseren en leren hoe zij creatieve vrijheid didactisch kunnen begeleiden. Ook vraagt het curriculum voldoende tijd om leerlingen muzikale ideeën te laten verkennen en ontwikkelen.
Bron: Hua, C., Admiraal, W., Nieuwmeijer, C. & Van der Rijst, R. (2026). Unpacking musical improvisation: Implementation and evaluation by primary music teachers in the Netherlands, British Journal of Music Education. DOI: https://doi.org/10.1017/S0265051726100916