Voortgezet onderwijs

Verhoging leerplicht naar 18 jaar verminderde schooluitval, maar niet bij alle risicoleerlingen

De verhoging van de leerplicht van 17 naar 18 jaar in 2007 verminderde schooluitval in Nederland gemiddeld met ongeveer één procentpunt. Dat effect verschilde sterk per leerling. Vooral vmbo-leerlingen met gescheiden of jonge ouders, ouders met een migratieachtergrond en een lager ouderlijk inkomen reageerden op de maatregel. Tegelijk laat het onderzoek zien dat een deel van de risicoleerlingen nauwelijks door de verlengde leerplicht wordt bereikt. Dat concluderen Hannelore Nelissen en Kristof De Witte van KU Leuven en de Universiteit Maastricht in een studie naar de effecten van de Nederlandse kwalificatieplicht.

Die wet trad op 1 augustus 2007 in werking en verhoogde de minimale leeftijd waarop jongeren zonder startkwalificatie school mochten verlaten van 17 naar 18 jaar.

Om aan de wet te voldoen moesten leerlingen een havo- of vwo-diploma halen, of ten minste twee jaar mbo afronden. Jongeren onder de 23 jaar die zonder zo’n startkwalificatie het onderwijs verlieten, werden geregistreerd als voortijdig schoolverlater. Bij niet-naleving konden leerlingen en ouders te maken krijgen met sancties, zoals boetes, taakstraffen of juridische maatregelen.

Niet alleen het gemiddelde telt

De aanleiding voor het onderzoek is dat eerdere studies naar verlenging van de leerplicht vooral kijken naar gemiddelde effecten. Daardoor blijft vaak onduidelijk voor welke groepen leerlingen zo’n maatregel het meest uitmaakt. Juist dat onderscheid is beleidsmatig relevant. De leerlingen die gemiddeld het sterkst op beleid reageren, zijn niet altijd dezelfde leerlingen die het grootste risico lopen om uit te vallen.

Om die verschillen in kaart te brengen gebruikten de onderzoekers een causal forest-model. Dat is een machinelearningmethode waarmee kan worden onderzocht hoe beleid uitpakt voor verschillende groepen, zonder vooraf vast te leggen welke kenmerken doorslaggevend zijn. De methode zoekt naar patronen in combinaties van leerling-, gezins- en schoolkenmerken.

De onderzoekers gebruikten administratieve microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Zij analyseerden gegevens van 124.281 leerlingen die tussen augustus en december 1988 of 1990 zijn geboren. Leerlingen uit het geboortecohort van 1988 vielen buiten de nieuwe wet; leerlingen uit het cohort van 1990 vielen er wel onder. Door deze groepen te vergelijken, konden de onderzoekers schatten welk effect de verhoging van de leerplicht had op de kans om uit te vallen.

De onderzoekers voerden daarnaast verschillende controles uit om na te gaan of de gevonden verschillen niet werden veroorzaakt door andere verschillen tussen geboortecohorten. Zo gebruikten zij placebotests en aanvullende analyses om te toetsen of de uitkomsten plausibel aan de wetswijziging konden worden toegeschreven.

Gemiddeld één procentpunt minder uitval

Gemiddeld daalde de kans op schooluitval door de verlenging van de leerplicht met ongeveer één procentpunt. Achter dat gemiddelde gaan echter grote verschillen schuil. Ongeveer twintig procent van de individuele effectschattingen is statistisch significant. In sommige groepen loopt de geschatte daling van de uitval op tot ongeveer 6,3 procentpunt.

Vmbo-leerlingen reageren het sterkst op de maatregel. In het kwintiel met de grootste geschatte beleidsrespons volgt 96 procent van de leerlingen een beroepsgerichte route. Binnen die groep gaat het relatief vaak om leerlingen met gescheiden ouders, jonge ouders, ouders die beiden buiten Nederland zijn geboren, een lager ouderlijk inkomen en een kleiner huishouden. Ook leerlingen die in het voortgezet onderwijs een jaar hebben overgedaan, zijn relatief sterk vertegenwoordigd in de groep die het meest op de maatregel reageert.

Dat betekent niet dat de verlengde leerplicht voor alle risicoleerlingen evenveel verschil maakt. De onderzoekers vinden juist dat het effect geconcentreerd is bij specifieke combinaties van kenmerken. Sommige kwetsbare leerlingen blijven buiten het bereik van de maatregel, of reageren er statistisch gezien nauwelijks op.

Beleidsboom laat verschillen tussen groepen zien

Om die combinaties van kenmerken verder te onderzoeken, gebruikten de onderzoekers een hybride beleidsboom. Die methode laat zien voor welke groepen de maatregel statistisch gezien het meest effectief is, en voor welke groepen het effect minder duidelijk is.

Zo daalt de kans op uitval met ongeveer twee procentpunt bij vmbo-leerlingen van wie de moeder jonger is dan gemiddeld en de vader niet ouder is dan 51 jaar. Bij leerlingen van wie ten minste één ouder een migratieachtergrond heeft en van wie de ouders rond de late vijftig zijn, daalt de kans op uitval met ongeveer drie procentpunt.

Een kleinere, specifieke groep laat een veel grotere daling zien. Het gaat om leerlingen met een jonge moeder, een oudere vader, een voorgeschiedenis van zittenblijven en gescheiden ouders. Bij deze groep schatten de onderzoekers een daling van de uitval van ongeveer zestien procentpunt. De omvang van die groep is wel beperkt, waardoor zulke uitkomsten voorzichtig moeten worden gelezen.

De beleidsboom identificeert ook groepen kwetsbare leerlingen voor wie de verlengde leerplicht minder effectief lijkt. Dat geldt onder meer voor bepaalde leerlingen met een migratieachtergrond, een voorgeschiedenis van zittenblijven en ouders met de laagste inkomens. Volgens de onderzoekers wijst dit erop dat de maatregel niet tekortschiet voor iedereen, maar dat het effect zich concentreert bij bepaalde subgroepen.

Aanvullend beleid blijft nodig

Nelissen en De Witte concluderen dat de verhoging van de leerplicht naar 18 jaar schooluitval heeft verminderd, vooral bij een herkenbare groep kwetsbare leerlingen in beroepsgerichte onderwijsroutes. Tegelijk is de maatregel niet voor alle risicoleerlingen even effectief. Een uniforme beleidsmaatregel bereikt dus niet vanzelf alle leerlingen die risico lopen om voortijdig uit te vallen.

De onderzoekers benadrukken dat de beleidsboom niet bedoeld is als strikt instrument om alleen bepaalde leerlingen onder de wet te laten vallen. Zo’n gerichte toepassing zou waarschijnlijk duurder en ingewikkelder zijn dan een algemene leerplichtregel. Wel laat de analyse zien waar aanvullend beleid nodig kan zijn.

Daarbij noemen de onderzoekers kenmerken als migratieachtergrond, zittenblijven, gezinssituatie, huishoudgrootte en sociaaleconomische positie. Administratieve registers zouden volgens hen kunnen helpen om aanvullende ondersteuning beter te richten op groepen die door de algemene leerplichtverlenging onvoldoende worden bereikt.

De studie is ook relevant voor landen waar de leerplichtleeftijd nog onderwerp van debat is. De bevindingen laten zien dat verhoging van de leerplicht schooluitval kan verminderen, maar ook dat zo’n maatregel niet automatisch alle kwetsbare leerlingen helpt. Voor brede vermindering van schooluitval zijn volgens de onderzoekers aanvullende maatregelen nodig naast een hogere leerplichtleeftijd.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor beleidsmakers laat dit onderzoek zien dat de verhoging van de leerplicht naar 18 jaar schooluitval gemiddeld heeft verminderd, maar dat het effect ongelijk verdeeld is. Vooral specifieke groepen vmbo-leerlingen reageren op de maatregel.

Voor scholen en gemeenten is relevant dat sommige risicokenmerken samenhangen met een sterkere beleidsrespons, zoals zittenblijven, gezinskenmerken, ouderlijk inkomen en migratieachtergrond. Zulke gegevens kunnen helpen om ondersteuning gerichter te organiseren, zolang de uitkomsten niet worden gebruikt als harde selectiecriteria.

Voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten betekent dit dat een algemene leerplichtregel niet volstaat voor alle kwetsbare leerlingen. De onderzoekers wijzen erop dat aanvullende programma’s nodig blijven voor groepen die door de verlengde leerplicht onvoldoende worden bereikt.

Bron: Nelissen, H. & De Witte, K. The Heterogeneous Treatment Effects of Compulsory Education Age Reforms – A Causal Forest Approach.

Ontdek meer onderwerpen