Hun gesprek laat zien dat niet alleen de data zelf van belang zijn, maar ook de vaardigheden, tijd en ondersteuning die nodig zijn om er iets mee te doen. Het hoofdstuk draait om een onderscheid dat in de onderwijspraktijk grote gevolgen blijkt te hebben: dat tussen statische en real-time data.
Real-time data ontstaan tijdens het werken
Statische data zijn resultaten die op vaste momenten beschikbaar komen, zoals Cito-scores of methodegebonden toetsen. Real-time data ontstaan tijdens het werken zelf en worden direct zichtbaar via digitale dashboards. Van Kessel onderzocht welke factoren het gebruik van beide vormen beïnvloeden en in hoeverre die factoren van elkaar verschillen. Ze maakte daarbij onderscheid op drie niveaus: “het niveau van de leraar zelf, het niveau van de kennis en vaardigheden van de leraar, en de context waarin zij werken.”
Voor Emmy zijn beide vormen inmiddels een vast onderdeel van haar werk. De 28-jarige leerkracht begon haar loopbaan als gymdocent, maar rondde enkele jaren later ook de pabo af. Inmiddels staat ze voor een combinatiegroep 5-6 en is ze daarnaast taalcoördinator op haar school.
Wat het onderwijs zo leuk maakt, is heel cliché toch de kinderen
Wat haar aanspreekt in het onderwijs is nog steeds hetzelfde. “Wat het onderwijs zo leuk maakt, is heel cliché toch de kinderen”, zegt ze. “Als je ziet dat iets klikt bij een kind en het trots is op zichzelf, dan maakt mijn hart een klein sprongetje. Dat verschil maken, dat vind ik echt geweldig.”
In haar dagelijkse praktijk werkt ze voortdurend met leerlinggegevens. Voor de statische data gebruikt haar school onder meer Cito-toetsen en methodegebonden toetsen. De resultaten worden verwerkt in overzichten waarmee leraren kunnen analyseren welke onderdelen leerlingen beheersen en waar extra aandacht nodig is. “Op basis daarvan analyseren we: oké, wat is in dit blok goed blijven hangen bij een kind, en waar moeten we nog even aandacht aan besteden?”
Dan kan ik zien op welk niveau ze zitten
Daarnaast werkt de school met adaptieve oefenprogramma’s die tijdens het oefenen voortdurend gegevens verzamelen. Via een dashboard kan Emmy volgen op welk niveau leerlingen werken en hoe zij zich ontwikkelen. “De kinderen kunnen inloggen, maar ik heb ook mijn docenteninlog, waar ik het overzicht van alle kinderen in krijg. Dan kan ik zien op welk niveau ze zitten.”
Hoewel beide vormen uiteindelijk hetzelfde doel dienen, het ondersteunen van het onderwijs, vragen ze volgens haar om verschillende vaardigheden. Het interpreteren van resultaten blijft in beide gevallen de kern, maar de aard van het werk verschilt.
Bij statische resultaten vind ik het vaak lastiger
Statische gegevens vindt ze vaak lastiger te duiden. “Bij statische resultaten vind ik het vaak lastiger, omdat het vaak een breder onderwerp is wat je te zien krijgt”, legt ze uit. “Bij real-time is het vaker toegespitst op één onderdeeltje, waardoor het wat gemakkelijker is om te interpreteren.” Daar komt bij dat statische resultaten vaak onderwerp van gesprek worden met collega’s, intern begeleiders en ouders. De cijfers moeten niet alleen worden begrepen, maar ook kunnen worden uitgelegd.
Bij real-time data verschuift het accent juist naar het handelen tijdens de les. “Bij real-time resultaten heb je weer andere skills nodig rondom je klassenmanagement”, zegt Emmy. “Zeker nu met een combigroep ben je toch ondertussen ook bezig met heel veel andere dingen.” Van Kessel vat het verschil samen: “Omdat het ene tijdens de les gebeurt, heb je daar echt andere vaardigheden bij nodig: meer klassenmanagement, kennis over leerlingen en het direct daarop kunnen handelen. En dat is echt anders dan wanneer je met die Cito-scores statisch aan de slag gaat.”
Dat biedt ruimte om rustig te analyseren
Een ander verschil zit in het moment waarop de gegevens beschikbaar komen. Cito-scores en andere toetsresultaten worden meestal buiten de les bekeken, vaak aan het einde van de dag. Dat biedt ruimte om rustig te analyseren wat de resultaten betekenen en welke vervolgstappen nodig zijn. “Omdat je de tijd hebt, kun je er gedegen naar kijken en er een handelplan of een actie op maken”, zegt Emmy. “Bij real-time ben je toch ondertussen met andere dingen bezig, en dat maakt het soms lastig om ze meteen goed in te zetten.”
Die verschillen werken ook door in hoe Emmy de gegevens beleeft. Opvallend genoeg ervaart zij meer spanning rond de traditionele toetsmomenten dan rond de dashboards die zij dagelijks gebruikt. “Ik merk bij de statische resultaten dat je toch altijd wel van tevoren een beetje spanning voelt”, zegt ze. “Het is één vast moment. En er wordt naar gekeken door bijvoorbeeld je management, voor een trendanalyse, of bij rapportgesprekken en oudergesprekken. Je merkt ook wel: daar kijken ouders heel erg naar.”
Dat geeft minder spanning bij mezelf
Bij real-time data voelt die druk minder sterk. Resultaten veranderen voortdurend en maken zichtbaar dat leren een proces is. “Die worden eigenlijk wekelijks of continu geüpdatet. Je weet ook dat het in ontwikkeling is”, zegt Emmy. “Dat geeft minder spanning bij mezelf.”
Daarmee komt het gesprek bij het derde niveau uit het onderzoek: de context. “Naast de rol van de leraar zelf zagen we heel erg dat die context, die schoolcontext, een grote rol speelt”, zegt Van Kessel. “Dingen als tijd, ondersteuning en de ruimte die een school kan bieden om met deze twee soorten data te werken, kunnen echt een verschil maken.”
Emmy herkent dat beeld direct. Op haar school wordt bewust tijd vrijgemaakt voor het analyseren van resultaten en het bespreken van bevindingen. “We hebben wekelijks een teammoment. Rondom de drukkere periodes krijgen we daarin ruimte om te werken aan je interpretaties en analyses.” Loopt iemand vast, dan kun je je intern begeleider erbij halen — iets wat ze als prettig ervaart.
Ook bij de invoering van nieuwe systemen trekt het team gezamenlijk op. Leraren krijgen uitleg over de werking van programma’s, bespreken hoe resultaten moeten worden geïnterpreteerd en wisselen ervaringen uit over het gebruik ervan in de klas. Daarnaast werkt de school aan kwaliteitskaarten waarin per vakgebied afspraken en richtlijnen worden vastgelegd. Harde eisen zijn het niet, benadrukt Emmy, “maar wel richtlijnen en hulpmiddelen” — bijna een protocol, en vooral afspraken die je samen maakt.
Naast tijd en ondersteuning noemt Emmy nog een heel praktische voorwaarde: de techniek moet functioneren. Vooral tijdens landelijke toetsperiodes kan dat een uitdaging zijn. Wanneer veel scholen tegelijk gebruikmaken van dezelfde systemen, raken platforms soms overbelast. “Het is hartstikke vervelend als je je hele klas klaar hebt zitten voor een toets en ze dan niet vooruit kunnen”, zegt ze. Dat speelt volgens haar vooral bij de statische data, omdat die op vastere momenten gepland zijn.
Het vult elkaar op een hele mooie manier aan
Aan het einde van de opname vraagt Van Kessel wat voor Emmy de belangrijkste boodschap van hoofdstuk 3 is. Haar antwoord: er bestaat geen universele aanpak voor datagebruik. “De takeaway is voor mij vooral dat je voor beide manieren — de statische en de real-time — gewoon weer andere skills nodig hebt”, zegt ze. “Zowel ik als leerkracht, als de kinderen, als de school en eigenlijk alles daaromheen.” Toch ziet ze geen tegenstelling tussen beide vormen: “Het vult elkaar op een hele mooie manier aan.”
En precies daar zit voor haar de winst van het dashboard. “Wat voor mij als leerkracht heel fijn is, is om beide vormen echt voor je te kunnen zien op zo’n dashboard”, besluit Emmy. “En te kunnen interpreteren, zodat je daar op de juiste manier op kunt handelen.” Niet de data op zichzelf maken het verschil, zo klinkt het gesprek door, maar wat een leraar ermee kan.