Primair onderwijs

Scholen benutten data nog te weinig om gelijke kansen te vergroten, waarschuwt Twentse hoogleraar

Twee leerlingen halen dezelfde toetsresultaten, maar krijgen toch een verschillend schooladvies. Waarom? Volgens Kim Schildkamp, hoogleraar aan de Universiteit Twente, hebben scholen data nodig om zulke vooroordelen te doorbreken. Maar cijfers alleen zijn niet genoeg: pas in het gesprek over die data blijkt of leerlingen gelijke kansen krijgen.
dashbaord

In de aflevering van de Emerald Podcast Series spraken drie onderwijsexperts met elkaar: Martin Scanlon van Boston College in de Verenigde Staten, Pak Tee Ng van de Nanyang Technological University in Singapore en Kim Schildkamp van de Universiteit Twente. De centrale vraag was hoe scholen kunnen zorgen voor een leeromgeving die recht doet aan alle leerlingen, terwijl leerlingpopulaties steeds diverser worden en schoolleiderschap die diversiteit lang niet altijd weerspiegelt.

De Nederlandse context en haar eigen onderzoek naar datagebruik in het onderwijs

Schildkamp werkt als hoogleraar aan de Universiteit Twente, bij de lerarenopleiding en het masterprogramma Educational Science and Technology. Ook is zij Global Editor van het wetenschappelijk tijdschrift Journal of Professional Capital and Community. In het gesprek bracht ze vooral de Nederlandse context en haar eigen onderzoek naar datagebruik in het onderwijs in.

Volgens Schildkamp begint het debat over diversiteit met de vraag wat men daar eigenlijk onder verstaat. Ze sloot aan bij Scanlons brede definitie, waarin onder meer gender, etniciteit en ervaring een rol spelen. “Diversiteit heeft heel veel verschillende lenzen waardoor je ernaar kunt kijken, waaronder de dingen die jij noemde: gender, etniciteit, ervaring, enzovoort”, zei ze. Voor scholen betekent dat volgens haar dat leiderschap niet los kan worden gezien van de samenleving waar die scholen deel van uitmaken. “Als we het hebben over diversiteit in relatie tot leiderschap op onze scholen, willen we dat onze scholen een afspiegeling zijn van onze samenleving. Dat betekent dat we diversiteit nodig hebben in de verschillende leiderschapsrollen.”

Formeel en informeel leiderschap

Daarbij gaat het volgens Schildkamp niet alleen om de schooldirecteur. Leiderschap is breder dan een formele functie. “Als ik het over leiderschap heb, denk ik aan formeel en informeel leiderschap. Dus ik denk aan de directeur van een school, maar ook aan teamleiders. En ik denk ook aan leraren die leiderschapstaken op zich nemen en leiderschapsgedrag laten zien, zonder dat ze formeel leider zijn.” Juist die verbreding maakt de vraag naar diversiteit urgenter: het gaat niet alleen om wie bovenaan de organisatie staat, maar ook om wie in de school invloed uitoefent, richting geeft en verantwoordelijkheid neemt.

Hoe divers Nederlandse scholen op dit moment zijn, wilde Schildkamp niet in algemene termen beantwoorden. “Dat verschilt echt per school, en het hangt er ook vanaf welke definitie van diversiteit je gebruikt”, zei ze. Wel benadrukte ze dat scholen het gesprek over gelijkwaardigheid niet kunnen voeren zonder verschillende perspectieven aan tafel te brengen. Werken aan gelijke kansen vraagt volgens haar om “dat gesprek met verschillende mensen met verschillende ideeën” om samen te bepalen wat gelijkwaardigheid voor een school betekent.

Dat pakt meestal niet erg positief uit voor leerlingen met bepaalde achtergronden

Het scherpste deel van haar bijdrage ging over haar eigen vakgebied: het gebruik van data in het onderwijs. Uit haar onderzoek blijkt volgens haar dat data belangrijk zijn wanneer scholen gelijkwaardiger willen worden. In contexten waar weinig data beschikbaar zijn en besluiten vooral worden genomen op basis van intuïtie en ervaring, loopt het vaak slecht af voor bepaalde groepen leerlingen. “Dat pakt meestal niet erg positief uit voor leerlingen met bepaalde achtergronden.”

Data moeten volgens Schildkamp echter niet tegenover ervaring worden gezet. Het gaat juist om de combinatie. “Als je ervaring en intuïtie combineert met data, en echt diepgaand naar die data kijkt met verschillende meningen en ideeën, dan kun je tot een heel goed begrip komen van wat dat specifieke kind nodig heeft. Dan kun je het onderwijs aanpassen aan de behoeften van die leerling. En dan werkt het echt.” Maar oppervlakkig datagebruik heeft het tegenovergestelde effect. “Als je geen data gebruikt, of ze op een heel oppervlakkige manier gebruikt, dan worden veel vooroordelen vaak bevestigd in plaats van tegengesproken.”

Ik ken dit kind, hij is niet erg gemotiveerd

Schildkamp illustreerde dat met een voorbeeld uit haar eigen onderzoek. Het ging om een ingrijpende beslissing in het onderwijs: naar welk vervolgtraject een leerling wordt verwezen. In die studie kregen twee leerlingen met precies dezelfde cijfers op een landelijke gestandaardiseerde toets toch een verschillend advies. “Eén leerling kreeg het advies om naar een lager niveau te gaan vanwege achtergrondindicatoren”, zei Schildkamp. De leraar beriep zich daarbij op zijn eigen beeld van de leerling en diens gezin. “Deze leraar zei eigenlijk: ja, maar ik ken dit kind, hij is niet erg gemotiveerd, en ik ken zijn familie. Ik denk dat hij beter af is op een van de lagere niveaus.”

Juist op zo’n moment moet een team het gesprek aangaan, betoogde Schildkamp. Een collega of schoolleider zou moeten vragen waarom twee leerlingen met dezelfde resultaten anders worden beoordeeld. “Maar wacht even, dit kind met precies dezelfde cijfers adviseer je wel om naar een hoger niveau te gaan. Waarom dan dat verschil? Is dit een vooroordeel, of is dit kind echt beter af op dat lagere niveau? Of moeten we hem of haar de kans geven om naar dat hogere niveau te gaan?”

Data zijn alleen maar cijfers of kwalitatieve gegevens. Het gaat om de dialoog

Daarmee maakte ze duidelijk dat data op zichzelf geen oplossing zijn. Ze zijn een aanleiding om beter te kijken en scherper te spreken. “Data zijn alleen maar cijfers of kwalitatieve gegevens. Het gaat om de dialoog, het gesprek dat je moet voeren om kinderen te helpen leren, of om hun welzijn te vergroten, want het gaat niet alleen om leren. Scholen hebben meer doelen dan alleen leren.”

Schildkamp pleitte daarom voor een schoolbrede aanpak waarin leiderschap, leraren, leerlingen en de bredere gemeenschap worden betrokken. Op een punt van Scanlon over gedeelde macht in scholen voegde ze toe dat macht niet alleen met ouders of de buurt moet worden gedeeld, maar ook met leerlingen. “Een van de dingen die wij hebben gevonden als het gaat om delen, is: deel het ook met leerlingen.”

Volgens Schildkamp wordt bij data vaak als eerste gedacht aan toetsresultaten of cijfers, maar de stem van leerlingen is eveneens een vorm van data. “Data over de stem van leerlingen zijn zo belangrijk als je werkt in een diverse omgeving, als je werkt aan doelen rond gelijkwaardigheid.” Het gaat dan om het echte gesprek met leerlingen. “Daadwerkelijk met leerlingen gaan zitten om hun te vragen wat zij denken over de kwesties waar wij mee bezig zijn, of dat nu op systeemniveau is, op districtsniveau of op het niveau van een individuele school, kan een heel krachtige bron zijn.”

Universiteiten en scholen moeten meer samenwerken aan diversiteit en gelijkwaardigheid

Ook universiteiten kunnen daarbij een rol spelen. Schildkamp wees op research-practice partnerships, waarin scholen en universiteiten samen optrekken. “Ik denk dat er een echte mogelijkheid ligt voor universiteiten en scholen om samen te werken aan diversiteit en gelijkwaardigheid, om de instrumenten te ontwikkelen die je net noemde, elkaar te helpen en betekenis te geven aan allerlei data die al beschikbaar zijn.” Want aan data ontbreekt het scholen vaak niet, zei ze. Het probleem zit in de duiding. “Er komt elke dag meer data beschikbaar voor scholen, maar betekenis geven aan al die data is echt moeilijk.”

Ieder individu ook verantwoordelijk is voor gelijkwaardigheid.

Aan het einde van het gesprek kwam de verantwoordelijkheid van individuele leraren aan bod. Schildkamp verbond die direct aan het idee dat gelijkwaardigheid een collectieve opdracht is. “Als we zeggen dat gelijkwaardigheid een collectieve verantwoordelijkheid is, dan betekent dat dat ieder individu ook verantwoordelijk is voor gelijkwaardigheid.”

Leraren spelen daarin volgens haar een bijzondere rol, juist omdat veel beslissingen en interacties in de klas plaatsvinden. “Zij hebben een heel belangrijke rol in hun klaslokaal: als rolmodel, door kwesties rond gelijkwaardigheid aan te kaarten als die zich voordoen, door leergesprekken te voeren op basis van data, en door elkaars vooroordelen aan te spreken als die zich voordoen.”

Ik weet dat we veel verantwoordelijkheid op de schouders van onze leraren leggen

Ze erkende dat daarmee veel van leraren wordt gevraagd. “Ik weet dat we veel verantwoordelijkheid op de schouders van onze leraren leggen, maar ik denk dat het heel belangrijk is.” Tegelijk pleitte ze voor een benadering die leerlingen niet in de eerste plaats vanuit achterstanden of problemen bekijkt. De vraag moet volgens haar ook zijn welke talenten en sterke kanten leerlingen meebrengen.

“Wat zijn de sterke kanten die leerlingen meebrengen en waarop we kunnen voortbouwen?” Dat is volgens haar wezenlijk voor een rechtvaardiger school. “Ieder kind in ieder klaslokaal heeft talenten en sterke kanten waarop hij of zij kan voortbouwen.”

Ontdek meer onderwerpen