Dat leerlingen uit hogere sociaaleconomische milieus bij vergelijkbare prestaties vaker hogere schooladviezen krijgen, is al langer bekend. Deze nieuwe studie, voegt daar vooral iets anders aan toe: het verband tussen afkomst en onderwijsniveau werkt niet op elke school hetzelfde. Sommige scholen lijken leerlingen uit lagere milieus extra ruimte te geven, terwijl andere scholen juist terughoudender zijn. Daardoor kan de invloed van sociaaleconomische achtergrond in gemiddelde cijfers kleiner lijken dan zij op afzonderlijke scholen is.
Schooladvies blijft de hele onderwijsloopbaan doorwerken
Ook na de overstap naar het voortgezet onderwijs blijft die achtergrond een rol spelen. Leerlingen uit hogere milieus stromen, na correctie voor eerdere prestaties en schooladvies, vaker door naar hogere niveaus dan leerlingen uit lagere milieus. Tegelijk blijkt ook daar dat scholen verschillen in de mate waarin sociaaleconomische achtergrond samenhangt met op- of afstroom. De studie maakt daarmee duidelijk dat kansenongelijkheid niet alleen zichtbaar wordt op het moment van het basisschooladvies, maar ook daarna in de onderwijsloopbaan doorwerkt.
De onderzoekers wilden achterhalen waar die ongelijkheid precies zit. In veel eerder onderzoek werd vooral gekeken naar het individuele sociaaleconomische milieu van leerlingen. Minder duidelijk was of ook de gemiddelde sociaaleconomische samenstelling van een school zelfstandig invloed heeft op schooladviezen en niveauwisselingen. Dat onderscheid is belangrijk, omdat effecten die samenhangen met de schoolcontext anders ten onrechte kunnen worden toegeschreven aan de achtergrond van individuele leerlingen.
Gemiddeld anders adviseren of anders omgaan met op- en afstroom
Schep, Van Leest en Hornstra maken daarom onderscheid tussen twee niveaus. Het eerste is het sociaaleconomische milieu van de leerling zelf, in dit onderzoek bepaald aan de hand van het hoogst behaalde opleidingsniveau van ouders of verzorgers. Het tweede is de gemiddelde sociaaleconomische samenstelling van de school. De onderzoekers wilden weten of leerlingen uit lagere milieus binnen dezelfde school anders worden beoordeeld dan leerlingen uit hogere milieus, maar ook of scholen met een andere leerlingenpopulatie gemiddeld anders adviseren of anders omgaan met op- en afstroom.
Voor het onderzoek gebruikten zij gegevens uit de Nederlandse COOL5-18 cohortstudie, waarin leerlingen vanaf de basisschool tot in het voortgezet onderwijs worden gevolgd. Voor het deel over schooladviezen analyseerden zij gegevens van 17.918 leerlingen op 673 basisscholen. Voor het deel over niveauwisselingen in het voortgezet onderwijs ging het om 3.271 leerlingen op 190 middelbare scholen. Niveauwisselingen werden gemeten aan de hand van het niveau dat leerlingen in het derde leerjaar bereikten, afgezet tegen hun oorspronkelijke schooladvies.
Een kleine maar consistente rol
De uitkomsten laten zien dat het individuele sociaaleconomische milieu van leerlingen een kleine maar consistente rol speelt. Ook na correctie voor leerprestaties kregen leerlingen uit hogere milieus gemiddeld hogere schooladviezen. In het basisonderwijs verklaarde het individuele milieu 1,3 procent van de verschillen tussen leerlingen in schooladviezen, bovenop de verschillen die al door prestaties werden verklaard. In het voortgezet onderwijs verklaarde het individuele milieu 3,1 procent van de verschillen tussen leerlingen in niveauwisselingen.
Die effecten zijn statistisch klein, maar volgens de onderzoekers niet zonder betekenis. Zij blijven namelijk zichtbaar in verschillende fasen van de onderwijsloopbaan. Leerlingen uit hogere milieus krijgen niet alleen vaker een hoger advies bij vergelijkbare prestaties, maar stromen later ook vaker op of blijven vaker op een hoger niveau. Leerlingen uit lagere milieus lopen juist meer risico om op een lager niveau uit te komen dan op grond van hun oorspronkelijke prestaties en advies verwacht zou kunnen worden.
De gemiddelde sociaaleconomische samenstelling van de school had in het onderzoek geen zelfstandig direct effect op schooladviezen of niveauwisselingen. Leerlingen krijgen dus niet simpelweg een hoger of lager advies doordat zij op een school zitten met gemiddeld veel leerlingen uit hogere of lagere milieus. De ongelijkheid zit volgens de studie vooral op het niveau van de individuele leerling, maar de manier waarop die achtergrond meeweegt verschilt sterk tussen scholen.
Een voorzichtiger benadering
Juist dat verschil tussen scholen is een van de belangrijkste bevindingen. Op sommige scholen kregen leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus bij vergelijkbare prestaties relatief gunstige adviezen. Daar lijkt hun achtergrond mogelijk te worden gezien als reden om hun prestaties juist extra positief te waarderen. Op andere scholen kregen leerlingen uit lagere milieus bij vergelijkbare prestaties juist lagere adviezen. Daar lijkt een voorzichtiger benadering te overheersen.
De onderzoekers beschrijven dat als een verschil tussen scholen die leerlingen uit lagere milieus het voordeel van de twijfel geven en scholen die terughoudender adviseren. Daardoor kan een leerling met vergelijkbare prestaties en vergelijkbare achtergrond op de ene school een gunstiger onderwijsbeslissing krijgen dan op de andere. Volgens de onderzoekers kan dit verklaren waarom de rol van sociaaleconomische achtergrond in eerdere studies mogelijk is onderschat: positieve en negatieve effecten op verschillende scholen kunnen elkaar in gemiddelde cijfers deels opheffen.
Standaardisering kan verschillen tussen scholen verkleinen
De spreiding tussen scholen was groter bij de basisschooladviezen dan bij de niveauwisselingen in het voortgezet onderwijs. Dat past volgens de onderzoekers bij het verschil in procedures. In het basisonderwijs is er meer ruimte voor professionele afweging bij het formuleren van het schooladvies. In het voortgezet onderwijs zijn overgangsbeslissingen vaker gebonden aan cijfers, overgangsnormen en formele procedures. Die sterkere standaardisering kan verschillen tussen scholen verkleinen.
De onderzoekers noemen als mogelijke verklaring een referentiegroepeffect. Leraren beoordelen leerlingen dan niet alleen op hun absolute prestaties, maar ook in verhouding tot de groep waarin zij lesgeven. Een leerling uit een lager milieu kan op een school met veel leerlingen uit hogere milieus sterker afwijken van de dominante groep en daardoor strenger worden beoordeeld. De onderzoekers benadrukken wel dat dit interactie-effect voorzichtig moet worden geïnterpreteerd, omdat de modelpassing verslechterde toen deze interactie aan het model werd toegevoegd.
Dit vraagt om een andere beoordeling van leerlingen
Daarmee komt beleid rond kansengelijkheid in een ander licht te staan. Als scholen sterk verschillen in de manier waarop zij sociaaleconomische achtergrond laten meewegen, dan is het onvoldoende om alleen naar gemiddelde landelijke verschillen te kijken. De vraag wordt dan hoe besluitvorming binnen scholen is ingericht, welke criteria worden gebruikt en hoeveel ruimte er is voor uiteenlopende interpretaties van dezelfde prestaties.
De onderzoekers wijzen daarom op de mogelijkheid van meer gestandaardiseerde en bindende richtlijnen voor schooladviezen en niveauwisselingen. Zulke richtlijnen zouden moeten voorkomen dat de onderwijsloopbaan van leerlingen te sterk afhankelijk wordt van de school die zij bezoeken. Tegelijk hoeft dat professionele oordeelsvorming niet uit te sluiten. De onderzoekers noemen bijvoorbeeld gestandaardiseerde rubrics waarin objectieve prestatiematen worden gecombineerd met het oordeel van leraren.
Voorkomen dat een ongunstige startpositie zich vastzet
Ook noemen zij begeleiding bij de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs als mogelijke interventie. Begeleiders kunnen leerlingen ondersteunen die bij die overgang extra risico lopen, onder wie leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus. Daarmee kan worden voorkomen dat een ongunstige startpositie zich verder vastzet in het voortgezet onderwijs.
De gebruikte gegevens zijn meer dan tien jaar oud en weerspiegelen de Nederlandse beleidscontext van vóór de veranderingen rond de eindtoets en het schooladvies. Inmiddels wordt de doorstroomtoets na het voorlopige schooladvies afgenomen en moeten scholen het advies in bepaalde gevallen naar boven bijstellen. De onderzoekers schrijven dat dit de generaliseerbaarheid naar de huidige situatie beperkt. Tegelijk wijzen zij erop dat er ook nu nog aanzienlijke ruimte bestaat voor verschillen tussen scholen in de manier waarop adviesprocedures worden uitgevoerd.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor basisscholen laat dit onderzoek zien dat kansenongelijkheid niet alleen zichtbaar wordt in gemiddelde verschillen tussen leerlingen, maar ook in de manier waarop scholen zelf tot adviezen komen. Bij vergelijkbare prestaties krijgen leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus op sommige scholen vaker het voordeel van de twijfel, terwijl andere scholen voorzichtiger adviseren.
Voor middelbare scholen is relevant dat sociaaleconomische achtergrond ook na de overstap naar het voortgezet onderwijs blijft samenhangen met op- en afstroom. De studie laat zien dat verschillen niet ophouden bij het basisschooladvies, maar ook zichtbaar zijn in niveauwisselingen in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs.
Voor beleidsmakers wijzen de resultaten op het belang van duidelijkere en meer bindende richtlijnen voor schooladviezen en niveauwisselingen. Zulke richtlijnen kunnen helpen voorkomen dat de onderwijsloopbaan van leerlingen te sterk afhankelijk wordt van de school die zij bezoeken, terwijl er ruimte kan blijven voor professioneel oordeel.
Bron: Schep, R. M., Van Leest, A. & Hornstra, L. (2026). Disentangling socioeconomic status effects: how student- and school-level socioeconomic status interact in track recommendations and track transitioning, Social Psychology of Education, 29, 49. DOI: https://doi.org/10.1007/s11218-026-10218-w