Dat blijkt uit het rapport Met raad en daad, dat Oberon in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft opgesteld. Het ministerie wilde meer inzicht in de omvang, samenstelling en werking van de onderwijsadviesmarkt in het funderend onderwijs, omdat betrouwbaar en actueel onderzoek ontbrak en er signalen waren van knelpunten in de wisselwerking tussen scholen en marktpartijen.
Het onderzoek richt zich uitsluitend op externe ondersteuning voor scholen en besturen in het primair en voortgezet onderwijs, gericht op schoolontwikkeling en betere onderwijskwaliteit. De leermiddelenmarkt, toetsmarkt, bij- en nascholing, schaduwonderwijs en individuele leerlingondersteuning blijven buiten beschouwing.
Onderzoekers kiezen smallere afbakening
Oberon komt uit op 390 private ondernemingen die binnen deze strikte afbakening actief zijn, met samen ongeveer 2.300 medewerkers. Dat ligt fors lager dan eerdere publieke schattingen. Zo schreef de AOb in 2022 dat het aantal bedrijven was gegroeid naar bijna drieduizend. Volgens Oberon komt het verschil vooral doordat die telling was gebaseerd op een bredere CBS-categorie, waaronder ook ondernemingen vallen die zich bezighouden met loopbaanbegeleiding of activiteiten rond educatieve toetsen. Ook over de marktomvang in geld deden eerder uiteenlopende cijfers de ronde. Zo meldde Nieuwsuur in 2024 een schatting dat 1 tot 3 procent van de 30 miljard euro voor het funderend onderwijs naar onderwijsadviesbureaus zou gaan. De herkomst van die schatting en de aannames eronder zijn volgens Oberon niet bekend.
Van de 390 geïdentificeerde ondernemingen bestaat 61 procent uit eenmanszaken. Het aandeel zzp’ers in de branche wordt geschat op 14 procent. De meeste adviseurs hebben een achtergrond in het onderwijs, naar schatting 84 procent. Echte specialisten in één type dienstverlening zijn zeldzaam; aanbieders zijn gemiddeld actief op vijf verschillende terreinen tegelijk.
Vrijwel alle scholen kopen advies in
Vrijwel elke school en elk schoolbestuur maakt gebruik van externe ondersteuning. Schoolleiders schakelen vooral training en coaching in voor teamprofessionalisering (84 procent), gevolgd door onderwijskundig advies. Schoolbesturen kopen daarnaast ook leiderschapstraining en organisatieadvies in. De vraag ontstaat vaak reactief: een kritische inspectiebeoordeling, tegenvallende leerresultaten of beschikbare subsidies vormen doorgaans de directe aanleiding.
Het keuzeproces is meestal weinig geformaliseerd. Ongeveer de helft van de schoolbesturen heeft een gebruikelijke procedure, maar die is vaak niet formeel vastgelegd. Bij 38 procent van de besturen wordt per situatie bekeken hoe de selectie verloopt. Vertrouwen, eerdere ervaringen en persoonlijke contacten wegen zwaar. Formele kwaliteitsinformatie speelt een beperkte rol. Schoolleiders en schoolbestuurders zijn meestal niet of nauwelijks bekend met bestaande keurmerken en certificeringen, die dan ook zelden een serieuze rol spelen bij de keuze.
Aanbieders halen veel opdrachten uit bestaande relaties. Het grootste deel van de omzet wordt gemaakt met opdrachten die niet in concurrentie worden verworven. Wanneer een aanbieder eerder naar tevredenheid werk heeft geleverd, volgt regelmatig een nieuwe opdracht zonder dat andere partijen worden vergeleken.
Tevreden over kwaliteit, kritisch op prijs
Over de kwaliteit zijn schoolleiders en schoolbestuurders gemiddeld positief. Van de schoolleiders beoordeelt 78 procent de kwaliteit van private aanbieders als goed of zeer goed; bij schoolbestuurders is dat 72 procent. Tegelijkertijd vinden velen dat de kwaliteit sterk verschilt per aanbieder. Meer dan de helft van de schoolbestuurders vindt dat de kwaliteit van private aanbieders redelijk tot zeer uiteenloopt. In de interviews wordt daarbij vaak gewezen op de persoon van de adviseur: diens expertise en werkwijze worden belangrijker geacht dan de naam van het bureau. De lage toetredingsdrempel speelt hierin een rol — onderwijsadviseur is geen beschermd beroep.
Over de betaalbaarheid zijn scholen en besturen kritischer. Ongeveer de helft vindt de prijs-kwaliteitverhouding van private aanbieders ongunstig. Tarieven worden hoog en niet altijd transparant genoemd. Toch speelt prijs in de praktijk een beperkte rol bij de uiteindelijke keuze. Wanneer aanbieders een opdracht in concurrentie niet krijgen, ligt dat vaker aan inhoudelijke aspecten dan aan de prijs.
Geen bewijs voor structureel marktfalen
Oberon vindt geen bewijs voor structureel marktfalen. De helft van de schoolleiders en twee derde van de bestuurders ervaart niet of nauwelijks knelpunten. Een direct verband tussen adviestrajecten en duurzame onderwijsverbetering is moeilijk aan te tonen. De uitkomst van een traject hangt niet alleen af van de adviseur, maar ook van schoolcontext, leiderschap, implementatie en borging.
De voorgestelde verbeteringen richten zich vooral op betere informatievoorziening en sterker opdrachtgeverschap. Voor zwaardere regulering bestaat weinig draagvlak. Oberon concludeert dat de markt niet vraagt om zware ingrepen, maar wel om meer transparantie en professioneler opdrachtgeverschap. Scholen en besturen kunnen scherper formuleren wat zij nodig hebben en meer aandacht besteden aan implementatie en borging. Aanbieders kunnen duidelijker maken wat hun werkwijze, onderbouwing en prijsopbouw zijn.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor schoolleiders laat dit onderzoek zien dat externe onderwijsadviseurs vaak naar tevredenheid worden ingezet, maar dat de keuze voor een aanbieder meestal sterk leunt op eerdere ervaringen, reputatie en persoonlijke netwerken. Dat maakt het belangrijk om vooraf scherper vast te leggen welke vraag moet worden beantwoord, welke opbrengst wordt verwacht en hoe het traject in de school wordt geborgd.
Voor schoolbesturen maakt het rapport duidelijk dat de onderwijsadviesmarkt kleiner is dan eerdere brede schattingen suggereerden, maar nog steeds versnipperd en moeilijk vergelijkbaar kan zijn. Besturen kunnen hun positie als opdrachtgever versterken door afspraken over selectie, prijsopbouw, evaluatie en implementatie explicieter te maken.
Voor aanbieders en beleidsmakers wijzen de bevindingen vooral op behoefte aan meer transparantie over kwaliteit, tarieven en ervaringen met adviestrajecten. Het rapport biedt geen bewijs voor structureel marktfalen en laat weinig draagvlak zien voor zware regulering, maar wel ruimte voor betere informatievoorziening, heldere kwaliteitskaders en professioneler opdrachtgeverschap.
Bron: Bisschop, P., Bokdam, J., Kloppers, I. & De Roode, J. (2026). Met raad en daad. Onderzoek naar de onderwijsadviesmarkt in het funderend onderwijs. Oberon, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.