Hajjaj opende zijn uiteenzetting met een citaat van een van de leerkrachten die hij interviewde: “Islam is burgerschap en burgerschap is islam. Goed burgerschap begint bij goed gedrag, zoals eerlijkheid, rechtvaardigheid, respect en zorg voor de ander. Laat deze zaken nou net de kern zijn van ons geloof. Daarom is het niet meer dan logisch dat islamitisch onderwijs een grote taak aan het vervullen is in deze context.”
Bijzonder onderwijs
Die uitspraak, zei Hajjaj, is exemplarisch voor wat hij tijdens zijn onderzoek keer op keer aantrof. Islamitische scholen vallen als bijzonder onderwijs formeel onder dezelfde regels als christelijke of joodse scholen — ze mogen lesgeven vanuit hun eigen religieuze identiteit. Toch worden ze in het publieke debat anders benaderd. “Het gaat bij islamitische scholen niet alleen over onderwijskwaliteit, maar ook over bredere vragen rondom integratie, veiligheid en de rol van de islam in de samenleving.”
De eisen aan burgerschapsonderwijs zijn de afgelopen jaren bovendien strenger geworden, mede vanuit zorgen dat islamitische scholen andere waarden zouden overdragen. Hajjaj volgt in zijn proefschrift de lange lijn terug — van de schoolstrijd tot aan recente discussies over integratie, democratische waarden en, zeker na 11 september, securitisering. “Daar waar het in het begin vooral ging om integratie, en of die kinderen niet in een parallelle wereld zouden opgroeien, kreeg je daarna de discussie over of zij zich zouden afzetten tegen onze democratische waarden.
En later is het ook nog eens gelinkt aan het securitiseringsverhaal dat staat ook heel duidelijk in de rapporten van de BVD, de voorganger van de AIVD en ze bang zijn voor wat ze eigenlijk voortbrengen.”
Om te begrijpen hoe leerkrachten met die druk omgaan, deed Hajjaj twee jaar lang veldonderzoek op vier islamitische basisscholen, verspreid over Nederland. Hij sprak met vijf leerkrachten van groep 8, observeerde lessen en volgde klasdiscussies over gevoelige maatschappelijke thema’s. Bewust koos hij voor die combinatie van methoden: “Ik wil gewoon doorgronden wat er daar gebeurt. Ik vind het een complexe rol waarin die leerkrachten staan.”
Spanningen en strategieën
Een van de centrale bevindingen is dat het burgerschapsonderwijs op deze scholen niet neutraal is — en dat ook niet pretendeert te zijn. Leerkrachten verbinden burgerschapswaarden zoals eerlijkheid, rechtvaardigheid en respect nadrukkelijk aan islamitische bronnen en verhalen. Hajjaj beschreef hoe scholen daarvoor een bepaalde atmosfeer scheppen: “Daarmee bedoelen zij dat de islam niet alleen terugkomt in de lessen, maar eigenlijk voelbaar is in alles wat er op school gebeurt. In de manier waarop leerkrachten met leerlingen omgaan, in de dagelijkse routines en zelfs in kleine details van de schoolomgeving.” In zijn proefschrift noemt hij dit de islamitische ambiance.
Toch is die samenhang allesbehalve vanzelfsprekend. Leerkrachten ervaren voortdurend spanning tussen hun rol als leraar — met de eisen van de overheid — en hun rol als islamitische opvoeder. In de interviews schetsten ze een optimistisch ideaalbeeld: islam en burgerschap lopen naadloos in elkaar over. Maar in de klassenpraktijk bleek het ingewikkelder. “In hun beleving denken zij dat het gewoon heel makkelijk met elkaar te verzoenen is,” zei Hajjaj. “Maar ook in de gesprekken zie je als je dat wat meer goed analyseert — dan zie je dat er wel degelijk een spanning is.”
Donald Trump, homoseksualiteit en de hoofddoek
Dat werd het duidelijkst zichtbaar in de drie casussen die hij uitgewerkt heeft: klasdiscussies over Donald Trump, homoseksualiteit en de hoofddoek. Bij de discussie over homoseksualiteit lieten leerkrachten de leerlingen ruim aan het woord — er werd zelfs gezegd dat homoseksualiteit aangeboren is.
“Toch voelde de leerkracht aan het einde de noodzaak, toen de discussie afgelopen was, om te zeggen: maar wij als moslims beschouwen homoseksualiteit als een zonde.” Hajjaj beschreef de leraar daarin als een “onderhandelaar”: iemand die continu afweegt wat er gezegd kan worden, en waar de grens ligt.
Scherpe vragen uit de commissie
De promotiecommissie bevroeg Hajjaj stevig, maar ook waarderend. Opponent professor Van Nieuwkerk van de Radboud Universiteit wees op de bijzondere positie van de onderzoeker zelf: als imam en autoriteit had hij mogelijk invloed op het gedrag van de geobserveerde leerkrachten en leerlingen. De casussen in het proefschrift leken soms wel “modelcasussen van voorbeeldig gedrag.” Was dat representatief, of speelde zijn dubbele rol daarin mee?
Hajjaj erkende de spanning openlijk: “Aan de ene kant voelde ik wel, ja ik was een imam, ik merkte ook heel duidelijk in de omgang met mij dat ook daar rekening mee werd gehouden.” Op een gegeven moment vroeg een leerkracht midden in de les: “Wat vindt de imam daarvan?” terwijl Hajjaj gewoon achterin zat te observeren. “Dat was een moment waarvan ik zelf dacht: oké, nu gaat het schuren. Want er wordt iets aan mij gevraagd vanuit mijn rol als imam, maar ik zit hier als onderzoeker.” Hij probeerde die invloed te verkleinen door vaker aanwezig te zijn, zodat leerlingen en leerkrachten konden wennen aan zijn aanwezigheid.
Opponent Maurits Berger, hoogleraar aan de Universiteit Leiden, stelde vragen over het concept religieuze geletterdheid dat Hajjaj hanteert. Normaal gesproken wordt die term gebruikt voor mensen die weinig affiniteit hebben met religie en zich daar beter in zouden moeten verdiepen — maar Hajjaj paste het toe op gelovige leerkrachten die het juist al van binnenuit kennen. Hajjaj verdedigde zijn gebruik van de term als een specifieke functie in zijn theoretisch kader: religieuze geletterdheid fungeert in zijn proefschrift als afbakening. Woorden als mashallah of hamdurillah zijn niet louter uitingen van geloof, maar stellen ook grenzen aan wat er in de discussie gezegd kan worden. “Die religieuze geletterdheid is eigenlijk een dragend element — als een soort herinnering: let op, dit is waar wij voor staan, dit is wat voor ons mag en niet mag.”
Subtiel maar wezenlijk
Een andere scherpe vraag stelde Berger over het concept positioneringsspanning: de voortdurende zoektocht van leerkrachten naar balans tussen religieuze waarden en maatschappelijke verwachtingen. Berger las het proefschrift anders: “Ik krijg bij het lezen juist de indruk dat de leerlingen worden voorbereid op een confrontatie die hen te wachten staat in die buitenwereld. Het gaat daarbij dus niet zozeer om aansluiting te vinden, maar om een zelfbewustzijn te kweken voor de eigen geloofsbeleving, eigen identiteit — in een wereld die daar overwegend negatief over is.”
Hajjaj gaf toe dat het onderscheid subtiel maar wezenlijk is: elke school, elk kind vult burgerschap op zijn eigen manier in. “Kijk, iedereen vult het dan op zijn eigen manier in. En dat is ook wat ik die scholen eigenlijk ook zag doen.”
Opponent Columbijn wierp de vraag op of Hajjaj zijn etnografische bevindingen niet te breed generaliseerde. Een studie bij vier scholen en vijf leerkrachten — hoe rechtvaardigt dat uitspraken over islamitisch basisonderwijs in het algemeen? Hajjaj was open over die beperking: als zijn tekst suggereert dat de conclusies gelden voor alle islamitische scholen, had hij daar een kanttekening bij moeten plaatsen. “Mijn onderzoek ging over de scholen die ik heb onderzocht. En verder dan dat ben ik niet gegaan.”
Wie definieert burgerschap?
Een terugkerend thema in de verdediging was de vraag hoe de vrijheid van onderwijs zich verhoudt tot wat de overheid van scholen verwacht. Opponent dokter Beestenboot vroeg Hajjaj waarom hij juist had gekozen voor drie onderwerpen — Trump, homoseksualiteit, hoofddoek — die in het publieke debat al “voorgeladen” zijn. Had hij niet net zo goed minder beladen casussen kunnen kiezen, zoals lessen over politieke partijen of de financiële crisis?
Die keuze was bewust, antwoordde Hajjaj. Het ging hem niet louter om het burgerschapsonderwijs zoals het aan leerlingen wordt doorgegeven, maar om de bredere vraag die daaronder ligt: “Waar komt burgerschap vandaan? Wie definieert burgerschap? Wie maakt de wetten? Wie laat ook dat beleid eigenlijk maar neerdalen op die scholen?”
Juist gevoelige thema’s die raken aan de islamitische achtergrond van de leerlingen maken zichtbaar hoe leerkrachten zich op dat snijvlak bewegen. Bij meer algemene onderwerpen als de Zwarte Piet-discussie blijft het gesprek abstracter, aldus Hajjaj. “Hier ging het echt om hun achtergrond, om mij als moslim. En dat was een van de belangrijkste redenen om ook die casussen uit te kiezen.”
Vermeende zorg over islamitisch onderwijs heeft vrijwel altijd betrekking op informeel onderwijs
De spanning tussen overheidseisen en religieuze identiteit werd nog scherper aangezet in de vraag of het proefschrift een uitgewerkt onderscheid maakte tussen formeel en informeel islamitisch onderwijs. Juist dat onderscheid is beleidsmatig cruciaal, stelde hij. “Door de formalisering van het islamitisch onderwijs kan de overheid voorschriften en toezichten instellen op een manier die ze niet heeft voor informeel onderwijs. En wellicht is het dan ook in dit kader dat bestuurlijke vermeende zorg over islamitisch onderwijs vrijwel altijd betrekking heeft op informeel onderwijs, terwijl het formele onderwijs eigenlijk steeds gangbaarder en geaccepteerd wordt.”
Afzetten tegen democratische waarden
Hajjaj beaamde dat zijn onderzoek zich uitsluitend richtte op formele, door DUO geaccrediteerde scholen. Maar de politieke discussie daarover, betoogde hij, is allesbehalve gesloten. Sinds de komst van islamitische scholen in Nederland is het wantrouwen telkens toegenomen “De redenen die daarvoor zijn gegeven zijn naarmate de tijd vorderde, in mijn ogen alleen maar zwaarder geworden.” Eerst ging het om integratie en het risico op parallelle werelden, vervolgens om het afzetten tegen democratische waarden, en na 11 september om veiligheid en buitenlandse financiering. Informeel onderwijs — weekendscholen en dergelijke — is pas recent in beeld gekomen bij de politiek.”
In dat licht werd ook zijn eerder geformuleerde conclusie over de rol van de leerkracht als “onderhandelaar” opnieuw betekenisvol. Wat op het niveau van de klas gebeurt — een leerkracht die afweegt wat wel en niet gezegd kan worden over homoseksualiteit, de hoofddoek of Trump — is een microversie van een veel grotere discussie over de grenzen van de vrijheid van onderwijs. Hajjaj liet zien dat die onderhandeling niet één keer plaatsvindt, maar dagelijks opnieuw.
Burgerschapsonderwijs is nu eenmaal anders voor moslimkinderen
De belangrijkste conclusie van het proefschrift is misschien wel de meest simpele: er is niet één weg naar goed burgerschap. “Volwaardig burgerschap is het einddoel,” zei Hajjaj. “Het verschil zit hem in de weg er naartoe. Die is voor elk kind anders.” Islamitische leerkrachten laten zien dat leerlingen verschillende routes kunnen bewandelen, afhankelijk van hun achtergrond en ervaringen. Voor kinderen die opgroeien in een geprivilegieerde witte omgeving ziet burgerschapsonderwijs er nu eenmaal anders uit dan voor moslimkinderen die in hun dagelijkse leven te maken kunnen krijgen met discriminatie en negatieve beeldvorming over hun geloof.
Leerlingen toerusten om volwaardig mee te doen in de samenleving
Dat onderscheid, stelde Hajjaj, krijgt te weinig aandacht in beleids- en onderwijsdiscussies. “Juist omdat moslims in het publieke debat soms worden neergezet als mensen die er niet helemaal bij horen, zien de leerkrachten uit mijn onderzoek onderwijs als een belangrijke manier om leerlingen toe te rusten om volwaardig mee te doen in de samenleving.”
Daarbij is het kind geen object dat gevormd wordt naar externe normen, maar een subject met eigen ideeën en idealen. “Je moet het kind niet als een object behandelen, maar als een subject. En niet dat hij gelijk leert om zich te schikken naar de eisen van een ander.”
Een bijzondere promovendus
Hajjaj is geen doorsnee promovendus. Hij is imam, heeft een technische achtergrond, werkte als theoloog en combineerde dat alles met het schrijven van een academisch proefschrift. Co-promotor Thijl Sunier schetste in zijn laudatio hoe bijzonder dat traject was. “Het je eigen maken van een antropologische blik op je onderzoeksveld was aanvankelijk een uitdaging.” Daar kwam bij dat Hajjaj naast zijn reguliere werk als theoloog en imam veel dingen deed die tijd en concentratie vragen. “Dan blijft er weinig tijd over, zoals je vrouw ongetwijfeld heeft ondervonden.”
De lat had hoog gelegen: de promotiecommissie had forse feedback gegeven op een eerdere versie van het proefschrift. “De inhoudelijke stap die u heeft gezet is indrukwekkend,” zei opponent dokter Beestenboot. “Het proefschrift dat nu voor ons ligt getuigt van scherpte, groei en volharding.” Sunier sloot zijn laudatio af met een persoonlijke noot: “Ik heb genoten van onze samenwerking en gesprekken — en niet alleen over je proefschrift, maar over veel zaken die met de islam van doen hebben. Je kan nog zoveel lezen, inzicht krijg je pas als je met iemand daarover praat.”