In een voor Amsterdam uitzonderlijke plechtigheid sprak Catherine van Beuningen woensdag haar ‘lectoratie’ uit, een door haarzelf gemunt woord voor de gecombineerde oratie en lectorale rede bij haar dubbele benoeming aan de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam. In de Aula van de UvA hield zij een uitgesproken pleidooi tegen de versmalling van het onderwijsdebat tot basisvaardigheden alleen. De centrale vraag, zei zij, is niet in de eerste plaats wat leerlingen kunnen, maar “om wie zij worden”.
Met die dubbele benoeming worden twee posities samengebracht. Van Beuningen wordt bijzonder hoogleraar wereldburgerschap en tweetalig onderwijs aan de faculteit Maatschappij en Gedragswetenschappen van de UvA, en lector taalontwikkeling en meertaligheid aan de faculteit Onderwijs en Opvoeding van de HvA. De leerstoel aan de UvA is mogelijk gemaakt door Nuffic, de internationaliseringsorganisatie voor het onderwijs.
De samenwerking tussen hogescholen en universiteiten veel meer aandacht dan zij krijgt
De bestuurders grepen de middag aan om het grotere belang van de samenwerking tussen universiteit en hogeschool te benadrukken. De rector magnificus van de UvA, Peter Paul Verbeek noemde de ceremonie een unicum, maar voegde daar direct aan toe dat hij hoopte “dat het niet een unicum zal blijven”. Volgens hem verdient de samenwerking tussen hogescholen en universiteiten veel meer aandacht dan zij krijgt. “Juist die combinatie van ontwikkelen van kennis en brengen naar de wereld waar die waargemaakt moet worden, die combinatie hebben we nodig”, zei hij. Sterker nog: “Ik geloof eerlijk gezegd zelf niet eens meer zo heel erg in het stelsel waarin we hbo en universiteit zo uit elkaar halen.”
Voormalig HvA-rector Geleyn Meijer sloot daar nadrukkelijk bij aan. Hij herinnerde eraan dat UvA en HvA in het verleden zelfs serieus hebben onderzocht of een grotere organisatorische stap mogelijk was. “En daarom is het zo fijn om nu te zien dat vanuit het onderzoek zelf die vraag naar die tussenruimte in te vullen eigenlijk vanzelf tot stand komt.” De nieuwe ceremonievorm moest volgens hem ook meer zijn dan een eenmalige vondst. “Onthoud het woord”, zei Meijer over de lectoratie. “Eens kijken of we in Nederland een beweging kunnen creëren.”
In onze lange zomervakanties op Franse campings
Van Beuningen zelf begon haar rede met een persoonlijk verhaal over haar verhouding tot taal. Als kind verslond zij boeken, “vooral in onze lange zomervakanties op Franse campings”, vertelde ze. Op de middelbare school koos ze alle talen die werden aangeboden. Beslissend was uiteindelijk haar leraar Nederlands in vwo 6, die een paar lessen taalkunde gaf. “Ik vond het fantastisch om over taal als inherent interessant fenomeen na te denken.”
Die fascinatie bracht haar eerst naar de taalwetenschap, later naar het onderwijs. Ze werkte als docent Nederlands als tweede en vreemde taal en promoveerde op onderzoek naar feedback op schrijfvaardigheid in het voortgezet onderwijs.
Echt bewust van andere rollen
Maar het was vooral haar werk binnen de lerarenopleidingen van de HvA dat haar perspectief verbreedde. Daar, zei ze, werd ze zich “echt bewust van andere rollen die taal speelt in de levens van kinderen en jongeren”. Niet alleen in hun schoolloopbaan, maar ook in hun identiteitsvorming, sociaal-emotionele ontwikkeling en hun gevoel van erbij horen.
Vanuit die ervaring zette zij zich in haar lectoratie scherp af tegen het dominante spreken over basisvaardigheden. “Die zorgen hebben geleid tot een beleidsmatige focus op de zogenoemde basisvaardigheden. Nederlandse taal, rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid. In de onderzoeksopdrachten van het lectoraat en de leerstoel staan twee van deze basisvaardigheden centraal, taal en burgerschap. Ik wil dus zeker niet betogen dat investeren in deze domeinen onbelangrijk of onnodig is.”
Smalle interpretatie van de basisvaardigheden
In de huidige focus op basisvaardigheden is echter wel een neiging herkenbaar om een complex probleem terug te brengen tot iets wat schijnbaar overzichtelijk is en daaraan kleven verschillende aan elkaar gerelateerde risico’s. “Ten eerste ligt een smalle interpretatie van de basisvaardigheden op de loer.”
“Wat ik vandaag voor het voetlicht wil brengen is dat we in discussies over onderwijs de belangrijkste vraag die er te stellen is niet uit het oog mogen verliezen. Waartoe willen we dat kinderen naar school gaan? Het aanleren van basisvaardigheden kan daarop niet het antwoord zijn. En eigenlijk zegt het woord het zelf ook al. De term lijkt te impliceren dat wat leerlingen nodig hebben, kan worden teruggebracht tot een afgebakend geheel van afzonderlijke toetsbare vaardigheden.”
Hogere scores op gestandaardiseerde toetsen
Volgens Van Beuningen leidt dat al snel tot een onderwijsopvatting waarin vooral telt wat eenvoudig toetsbaar is. Hogere scores op gestandaardiseerde toetsen zijn volgens haar dan ook geen afdoende antwoord op de vraag wat goed onderwijs moet doen. “Het aanleren van basisvaardigheden kan daarop niet het antwoord zijn”, zei zij later in haar rede, wanneer ze terugkwam op de kernvraag. “De term lijkt te impliceren dat wat leerlingen nodig hebben, kan worden teruggebracht tot een afgebakend geheel van afzonderlijke toetsbare vaardigheden.”
Juist met het oog op kansengelijkheid vindt zij die versmalling problematisch. De aandacht voor basisvaardigheden is, erkende zij, “natuurlijk gestoeld op goede bedoelingen”. Maar in de uitwerking schuilt volgens haar een structureel risico: verschillen in aansluiting, toegang en kansen worden opgevat als individuele tekorten die met uniforme normen moeten worden weggewerkt. Dat pakt extra ongunstig uit voor leerlingen die opgroeien met een andere taal dan het Nederlands. “Wanneer leerlingen getoetst worden in een taal die ze nog volop aan het verwerven zijn, is de kans groot dat hun potentieel deels onzichtbaar blijft in het uniforme systeem.”
De waarde van andere type kennis en vaardigheden blijft gemakkelijk buiten beeld
Daarmee, zo betoogde zij, raakt bovendien uit beeld dat ook andere kennis en vaardigheden van waarde zijn. Als Nederlandse taalvaardigheid wordt voorgesteld als dé sleutel tot maatschappelijk succes, “blijft de waarde van andere type kennis en vaardigheden gemakkelijk buiten beeld”.
Voor Van Beuningen zit het grootste probleem echter nog dieper. De fixatie op wat leerlingen moeten kunnen verdringt de vraag waartoe onderwijs er eigenlijk is. In haar rede haalde ze daarom de onderwijsfilosofische vraag aan: “Wat zullen we met de kinderen doen?” Het antwoord dat zij vervolgens omarmde, ontleend aan Fred Janssen, luidt dat goed onderwijs leerlingen helpt “de wereld om haar heen” te begrijpen, “de wereld van nu en toen en de wereld van de toekomst”, en hen tegelijk leert daaraan deel te nemen “door van zich te laten horen”.
Vanuit die gedachte schoof Van Beuningen een ander normatief kompas naar voren: kritische mondigheid. “Het gaat hier niet om eigen meningen over wat goed of fout, waar of onwaar is”, zei zij. “Kritisch mondig zijn betekent dat je met kennis van zaken en met gevoel voor context kunt deelnemen aan gesprekken en praktijken waar verschillende perspectieven en belangen samenkomen.” Daar hoort volgens haar niet alleen spreken bij, maar ook luisteren. “Dat je je kunt uitspreken, maar ook dat je kunt luisteren.”
Kennis is nooit neutraal
Om te laten zien wat dat concreet van onderwijs vraagt, werkte Van Beuningen de pedagogisch-didactische driehoek uit van inhouden, leerlingen en leraar. Bij de inhouden stelde zij dat kennis op school nooit neutraal is. Wat leerlingen leren, is altijd het resultaat van keuzes over wat als waardevol geldt, en die keuzes zijn vaak geworteld in dominante westerse kennisordes.
Als voorbeeld noemde zij onderzoek naar Engelse lesmethodes. Daaruit bleek dat leerlingen vooral in aanraking komen met Brits en Amerikaans Engels, terwijl de mondiale werkelijkheid van die taal veel breder is. “Aan het feit dat Engels een officiële taal is in bijna zestig landen, van India tot Nigeria en Belize, of dat het Engels vooral gebruikt wordt in meertalige situaties, besteden de onderzochte leergangen nauwelijks aandacht.”
Sommigen werkten in een familiebedrijf, stonden op de markt of zorgden voor broertjes en zusjes
Bij de tweede deelstudie over de leerling, benadrukte zij dat onderwijs veel meer zou moeten doen met de kennis, talen, ervaringen en perspectieven die leerlingen al meebrengen. Die buitenschoolse bronnen zijn niet bijkomstig, maar waardevol. In haar rede citeerde zij in dat verband een mbo-docent met wie haar onderzoeksgroep samenwerkt: “Veel studenten hebben al verantwoordelijkheden gehad. Sommigen werkten in een familiebedrijf, stonden op de markt of zorgden voor broertjes en zusjes. Dat zijn vaardigheden die het onderwijs veel beter kan benutten.”
Bij het derde hoekpunt, de leraar, wees Van Beuningen op het belang van onderwijs waarin taal niet als los instrumenteel onderdeel wordt gezien, maar als iets dat door alle vakken heen werkt. “Taal laat zich niet reduceren tot een instrumentele, op zichzelf staande vaardigheid die los kan worden aangeleerd, getraind en getoetst”, zei zij.
Wat leerlingen nodig hebben is inhoudelijk rijk onderwijs
Aan het slot van haar lectoratie kwam zij terug op de hoofdvraag van de middag. “Daarmee raakt gemakkelijk uit beeld dat onderwijs niet alleen gaat om wat leerlingen kunnen, maar om wie zij worden”, zei zij. Goed onderwijs helpt leerlingen volgens haar om de wereld te begrijpen, hun eigen stem daarin te vinden en ook naar anderen te luisteren. “Wat leerlingen nodig hebben is inhoudelijk rijk onderwijs waarin de talen, perspectieven en ervaringen die ze met zich meebrengen niet als obstakel worden gezien, maar als vertrekpunt.”
Voor de komende jaren wil Van Beuningen in haar onderzoeksagenda twee thema’s nadrukkelijker naar voren halen. Het eerste is generatieve AI. “AI zal een steeds grotere rol spelen in hoe jongeren taal gebruiken, kennis verwerven en zich tot anderen en de wereld verhouden”, zei ze.
Didactiek van hoop
Daarom moet worden onderzocht hoe onderwijs leerlingen kan leren AI “effectief, bewust en verantwoordelijk te gebruiken met behoud van hun eigen stem”. Het tweede thema is wat zij de didactiek van hoop noemt. In een tijd van “wereldwijde problemen, zoals geopolitieke spanningen of klimaatverandering” moeten leerlingen volgens haar leren om niet alleen kritisch, maar ook hoopvol naar de toekomst te kijken. “Zij moeten geloven dat verandering mogelijk is en dat zij daar zelf een rol in kunnen spelen.”
Na de rede werd Van Beuningen het HvA-draagteken overhandigd, een onderscheiding voor lectoren “die een steen in de vijver hebben geworpen.”