Voortgezet onderwijs

Kinderen digitaal handig, maar nog niet digitaal kritisch

Nederlandse kinderen van 10 tot 15 jaar zijn relatief vaardig in het zoeken naar informatie online en in digitale omgangsvormen, maar schieten tekort als het gaat om het kritisch beoordelen van informatie, duurzaam digitaal gedrag en vaardigheden rond kunstmatige intelligentie. Dat blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool Utrecht.

Het onderzoek richtte zich op de vraag of de DigIQ, een instrument dat digitale competenties meet langs negen domeinen, ook bruikbaar is voor jongeren tussen 10 en 15 jaar. De DigIQ was eerder ontwikkeld en gevalideerd voor mensen van 16 jaar en ouder. Het instrument wordt inmiddels door de Nederlandse overheid gebruikt als monitoringinstrument. Of het ook geschikt is voor jongere leeftijdsgroepen was nog niet onderzocht, terwijl juist bij deze groep behoefte bestaat aan beter inzicht in digitale competenties.

De aanleiding voor het onderzoek is tweeledig. Enerzijds stellen de onderzoekers dat de basis voor digitale vaardigheden al in de kindertijd wordt gelegd. Anderzijds ontbreken betrouwbare en breed toepasbare meetinstrumenten voor deze leeftijdsgroep. Daardoor is onvoldoende duidelijk welke vaardigheden jongeren hebben, wanneer die zich ontwikkelen en waar eventuele tekortkomingen zitten. Zonder dat inzicht is het volgens de onderzoekers moeilijk om jongeren gericht te ondersteunen.

In wijken met relatief veel inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond

Voor het onderzoek werden drie afzonderlijke vragenlijstonderzoeken uitgevoerd onder Nederlandse jongeren van 10 tot 15 jaar. In totaal namen 347 jongeren deel aan de analyses, verspreid over drie meetmomenten tussen november 2021 en november 2022. Naast een online panel werden ook papieren vragenlijsten verstuurd naar adressen in wijken met relatief veel inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond en lagere opleidingsniveaus. Daarmee wilden de onderzoekers voorkomen dat de steekproef te sterk zou leunen op jongeren die al digitaal vaardig zijn. Een subgroep van 85 deelnemers vulde het instrument op een later moment opnieuw in, zodat de stabiliteit van de meting in de tijd kon worden getoetst.

De DigIQ bestaat uit twee onderdelen: een vaardighedenmodule en een kennismodule. De vaardighedenmodule meet in hoeverre jongeren zichzelf herkennen in stellingen over negen domeinen: strategisch gebruik van informatie, kritische informatievaardigheden, digitale omgangsvormen, het maken van digitale content, veiligheid en controle over informatie en apparaten, digitaal welzijn, duurzame digitale vaardigheden, probleemoplossend vermogen en vaardigheden rond kunstmatige intelligentie. De kennismodule bestaat uit feitelijke stellingen waarvan deelnemers moeten aangeven of ze waar of onwaar zijn.

De inhoudelijke resultaten laten zien dat jongeren het sterkst scoren op strategisch informatiegebruik en digitale omgangsvormen. Op een vijfpuntsschaal halen zij daarvoor gemiddelde scores van respectievelijk 4,45 en 4,31. Aanzienlijk lager scoren zij op vaardigheden rond kunstmatige intelligentie, met een gemiddelde van 2,47, duurzame digitale vaardigheden, met 2,98, en kritische informatievaardigheden, met 3,37.

Jongeren kunnen zichzelf relatief goed redden bij het zoeken naar informatie

Daarmee ontstaat een gedifferentieerd beeld. Jongeren kunnen zichzelf relatief goed redden bij het zoeken naar informatie en in hun omgang met anderen online. Maar vaardigheden die meer beoordeling, begrip en reflectie vragen, zijn minder sterk ontwikkeld. Dat geldt voor het kritisch inschatten van online informatie, maar ook voor vragen rond duurzaamheid en kunstmatige intelligentie.

Jongeren van 13 tot 15 jaar scoren op meerdere domeinen significant hoger dan 10- tot 12-jarigen. Dat geldt onder meer voor kritische informatievaardigheden, het maken van digitale content, veiligheid en controle over informatie en apparaten, duurzame digitale vaardigheden en AI-vaardigheden. Volgens de onderzoekers past dat bij het idee dat sommige digitale vaardigheden zich ontwikkelen door meer ervaring, formele instructie en toenemende zelfstandigheid online.

Onvoldoende vertrouwd zijn met AI-begrippen

Verder viel op dat een substantieel deel van de deelnemers moeite had met de vragen over kunstmatige intelligentie. Bij alle AI-vaardigheidsvragen en bij één AI-gerelateerde kennisvraag antwoordde een aanzienlijk deel van de jongeren dat zij het antwoord niet wisten of de vraag niet begrepen. Bij één AI-gerelateerde kennisvraag ging het om 28 procent van de kinderen. Volgens de onderzoekers kan dat erop wijzen dat veel jongeren nog onvoldoende vertrouwd zijn met AI-begrippen. Tegelijk waarschuwen zij dat lage scores op AI-vragen niet automatisch betekenen dat jongeren helemaal geen AI-vaardigheden hebben. Het kan ook gaan om een gebrek aan taal of begrippen om die vragen goed te begrijpen.

De onderzoekers plaatsen de uitkomsten in een bredere digitale context. Jongeren groeien op in een omgeving waarin online informatie overvloedig aanwezig is en soms misleidend kan zijn. Daarom moeten zij volgens de onderzoekers leren om bronnen en inhoud kritisch te beoordelen. Ook hebben zij een basisbegrip nodig van AI-systemen en van de manier waarop die hun digitale ervaringen mede vormgeven.

Digitale veiligheid en duurzaamheid

Voor onderwijs en beleid biedt de gevalideerde vaardighedenmodule van de DigIQ volgens de onderzoekers een bruikbaar aanknopingspunt. Omdat de afzonderlijke vaardigheidsdomeinen herkenbaar en betrouwbaar kunnen worden gemeten, hoeven interventies niet te blijven steken in een algemene verwijzing naar digitale competentie. Ze kunnen gerichter worden ontworpen en geëvalueerd op specifieke vaardigheden, zoals kritisch informatiegebruik, digitale veiligheid, duurzaamheid of AI.

De onderzoekers benadrukken daarbij dat de DigIQ geen vervanging is voor meer gerichte toetsen. De kracht van het instrument ligt vooral in brede monitoring en trenddetectie op populatieniveau. Voor preciezer inzicht bevelen zij aan de DigIQ aan te vullen met meer gespecialiseerde meetinstrumenten. Ook wijzen zij erop dat de vaardighedenmodule gebaseerd is op zelfrapportage. Toekomstig onderzoek zou daarom ook prestatiegerichte metingen moeten gebruiken, zodat duidelijker wordt wat jongeren in concrete digitale taken daadwerkelijk kunnen.

Regelmatige monitoring is nodig

Omdat de data zijn verzameld vóór de brede beschikbaarheid van generatieve AI-toepassingen, bevelen de onderzoekers bovendien aan het instrument uit te breiden met vragen over generatieve AI. De huidige meting richtte zich op algemene AI-gerelateerde vaardigheden, maar nog niet op de specifieke competenties die nodig zijn om generatieve AI kritisch en productief te gebruiken. Aangezien jongeren steeds vaker met AI en generatieve AI in aanraking komen, vinden de onderzoekers regelmatige monitoring nodig om veranderende vaardigheidsniveaus en nieuwe verschillen tussen groepen zichtbaar te maken.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen laat dit onderzoek zien dat digitale vaardigheid niet vanzelf ontstaat doordat leerlingen veel online zijn. Jongeren zijn relatief sterk in online zoeken en digitale omgangsvormen, maar hebben meer ondersteuning nodig bij kritisch beoordelen van informatie, duurzaam digitaal gedrag en vaardigheden rond kunstmatige intelligentie.

Voor docenten is vooral relevant dat digitale competentie uit verschillende deelvaardigheden bestaat. Het onderzoek biedt geen uitgewerkte lesaanpak, maar laat wel zien dat leerlingen niet alleen moeten leren omgaan met digitale middelen, maar ook moeten leren beoordelen, begrijpen en reflecteren.

Voor beleidsmakers en ontwikkelaars van interventies biedt de gevalideerde vaardighedenmodule van de DigIQ een manier om gerichter te volgen waar jongeren staan. De kennismodule is daarvoor in de huidige vorm niet geschikt voor kinderen en moet eerst worden aangepast.

Piotrowski, Jessica Taylor and Korderijnk, Roos and Groza, Raluca and van Oosten, Johanna M.F. and de Vries, Dian, Assessing the Digital Competence of Youth. Available at SSRN: https://ssrn.com/abstract=6596491 or http://dx.doi.org/10.2139/ssrn.6596491