De onderzoekers, Hanneke Theelen, Elske van den Boom-Muilenburg, Ilona Friso-Van den Bos, Maarten Renkema, Iwan Wopereis en Kim Schildkamp, richten zich in het white paper op de vraag hoe AI-geletterdheid zich verhoudt tot gelijke kansen in het onderwijs. De aanleiding is de snelle opmars van kunstmatige intelligentie en de groeiende zorg dat niet alle leerlingen en studenten dezelfde toegang hebben tot AI-tools, of dezelfde kennis om die tools effectief en verantwoord te gebruiken.
Om hun betoog te onderbouwen trekken de auteurs een vergelijking met de vroege jaren negentig, toen het internet opkwam. Ook toen had niet iedereen gelijke toegang. Wie online wilde, had een computer, software en een stabiele internetverbinding nodig. Dat waren destijds geen vanzelfsprekende voorzieningen, maar luxegoederen. Het resultaat was een digitale kloof waarbij mensen met toegang snel vooruitliepen op wie die toegang niet had.
Toch is die kloof nooit volledig verdwenen
Jaren van publieke investeringen waren nodig om internettoegang breder beschikbaar te maken en digitale vaardigheden te ontwikkelen. Toch is die kloof nooit volledig verdwenen. Volgens de onderzoekers ontstaat rond AI een vergelijkbaar patroon. Wie toegang heeft tot krachtige AI-tools en begrijpt hoe die werken, kan AI gebruiken om te leren, te creëren en productiever te werken. Wie die toegang of vaardigheid mist, dreigt op afstand te worden gezet.
Toegang tot AI is bovendien ongelijk verdeeld. Sommige studenten beschikken over geavanceerde tools zoals de nieuwste GPT-modellen, AI-agenten, plug-ins en gepersonaliseerde AI-tutors, terwijl anderen zijn aangewezen op verouderde middelen of helemaal geen toegang hebben. Aanvankelijk waren veel AI-tools gratis beschikbaar, maar steeds meer diensten worden betaald. Daardoor kan de toegangskloof opnieuw groter worden.
Kansen vergroten en ongelijkheid versterken
Dat is zorgwekkend, stellen de auteurs, omdat AI verder gaat dan het internet. Het internet gaf gebruikers toegang tot informatie, maar generatieve AI helpt ook bij het verwerken en produceren van kennis. Daardoor kunnen studenten en kenniswerkers voordeel behalen in productiviteit en in de kwaliteit van hun werk. AI kan kansen vergroten, maar volgens de onderzoekers ook ongelijkheid versterken, afhankelijk van wie toegang heeft en wie over voldoende AI-geletterdheid beschikt.
Desinformatie en passiviteit in het leren
Maar toegang alleen is niet genoeg. De auteurs benadrukken dat toegang tot AI niet hetzelfde is als AI zinvol kunnen gebruiken. Miljoenen mensen werken inmiddels met tools als ChatGPT, maar missen volgens hen vaak de kritische vaardigheden om daar verantwoord mee om te gaan. Zonder AI-geletterdheid kan toegang leiden tot overafhankelijkheid, verspreiding van desinformatie, passiviteit in het leren of onvoldoende bewustzijn van kwesties als algoritmische vooringenomenheid, privacy en milieu-impact.
Onderzoek naar AI in het onderwijs laat volgens de auteurs gemengde resultaten zien. Sommige studies vinden positieve effecten op leerprestaties, terwijl andere studies wijzen op negatieve gevolgen wanneer studenten AI te veel vertrouwen en onvoldoende weten hoe zij die effectief moeten gebruiken. De onderzoekers verwijzen daarbij ook naar wat in de literatuur “metacognitieve luiheid” wordt genoemd: studenten denken minder actief na over hun eigen leerproces.
Ethiek vormt daarbij de basis
AI-geletterdheid omvat volgens de auteurs daarom meer dan technische kennis. Het gaat om een combinatie van houding, kennis en vaardigheden. Leerlingen en studenten moeten vertrouwen en motivatie ontwikkelen om AI te gebruiken waar dat zinvol is, maar ook begrijpen hoe AI werkt, waarvoor AI kan worden ingezet en welke maatschappelijke gevolgen eraan verbonden zijn. Ethiek vormt daarbij de basis. Privacy, gegevensbescherming en regelgeving horen volgens de auteurs tot de kern van verantwoord AI-gebruik.
Daarmee komt het funderend onderwijs nadrukkelijk in beeld. Scholen zijn volgens de onderzoekers een van de krachtigste hefbomen om gelijke toegang tot AI te realiseren. Als AI-geletterdheid een voorwaarde wordt om volwaardig mee te doen in onderwijs, werk en samenleving, kan zij niet worden overgelaten aan thuissituatie, ouderlijk netwerk of betaalde toegang tot commerciële technologie. AI-geletterdheid moet volgens de auteurs worden behandeld als een fundamentele vaardigheid, vergelijkbaar met lezen en schrijven.
Leraren hebben kennis nodig over wat AI is en hoe het werkt
Dat vraagt om goed voorbereide leraren. Zij moeten niet alleen zelf verantwoord met AI kunnen omgaan, maar ook in staat zijn AI-geletterdheid aan te leren en voor te leven aan hun leerlingen. Die voorbereiding vergt meer dan technische training. Leraren hebben kennis nodig over wat AI is en hoe het werkt, over hoe AI zinvol in onderwijs kan worden ingezet, en over de ethische, culturele en politieke implicaties van AI.
Daarnaast spelen houding en pedagogische vaardigheden een rol. Leraren moeten kunnen beoordelen wanneer AI wel of niet passend is, zich voldoende zeker voelen om ermee te werken en leerlingen kunnen begeleiden bij AI-ondersteund leren. Daarbij gaat het ook om het structureren van leerprocessen, zodat AI niet leidt tot informatie-overbelasting of oppervlakkig leren. De auteurs stellen daarom dat AI-pedagogiek structureel moet worden verankerd in lerarenopleidingen.
Op beleidsniveau doen de onderzoekers een expliciete aanbeveling. Overheden moeten AI-geletterdheid erkennen als een basisvaardigheid die het onderwijs moet bevorderen. Als toegang tot AI wordt beschouwd als een mensenrecht, dan moet AI ook worden behandeld als publieke infrastructuur. Dat betekent volgens de auteurs investeren in publiek gefinancierde, ethisch verantwoorde en open-source AI-tools die voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht achtergrond of woonplaats.
Leerlingen moeten niet afhankelijk zijn van persoonlijke middelen
AI-technologie zou beschikbaar moeten zijn op publieke plekken zoals scholen, bibliotheken en buurtcentra, zodat leerlingen niet afhankelijk zijn van persoonlijke middelen. Daarnaast pleiten de auteurs voor internationale kaders en beleidsregels die eerlijk, transparant en verantwoordelijk AI-gebruik bevorderen. Daarbij moeten volgens hen overheden het voortouw nemen, niet alleen private technologiebedrijven.
De centrale vraag is volgens de onderzoekers wie er mag meedoen en kan floreren in het AI-tijdperk. In de jaren negentig werd internettoegang niet tijdig erkend als een mensenrecht, waardoor de digitale kloof zich kon vastzetten. AI heeft volgens de auteurs het potentieel om ongelijkheid te verkleinen, maar kan bestaande scheidslijnen ook verdiepen als toegang ongelijk blijft of niet goed wordt gereguleerd. AI-geletterdheid is daarmee geen luxevaardigheid, maar een basiscompetentie voor volwaardige deelname aan onderwijs, werk en samenleving.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen in het funderend onderwijs betekent dit dat AI-geletterdheid niet kan worden gezien als extra thema voor later. Als AI mede bepaalt hoe leerlingen leren, informatie verwerken en zich voorbereiden op vervolgonderwijs en werk, moet elke leerling ermee leren omgaan, ongeacht thuissituatie of toegang tot betaalde technologie.
Voor leraren en lerarenopleidingen laat het white paper zien dat technische training alleen onvoldoende is. Leraren moeten begrijpen wat AI is, hoe AI verantwoord kan worden ingezet in onderwijs en welke ethische, maatschappelijke en pedagogische vragen daarbij horen. Die kennis moet volgens de auteurs structureel onderdeel worden van de opleiding en professionalisering van leraren.
Voor beleidsmakers volgt uit het betoog dat gelijke kansen rond AI niet vanzelf ontstaan. De auteurs pleiten voor publiek toegankelijke, ethisch verantwoorde en open-source AI-tools, beschikbaar via publieke voorzieningen zoals scholen, bibliotheken en buurtcentra. Daarmee wordt AI-geletterdheid niet afhankelijk van wie thuis de beste middelen heeft.
Bron: Theelen, H., Van den Boom-Muilenburg, E., Friso-Van den Bos, I., Renkema, M., Wopereis, I. & Schildkamp, K. (2026). AI Literacy: The New Frontier of Inclusion. Npuls.