Onderzoek onder Nederlandse middelbare scholen laat zien dat leraren en schoolleiders weliswaar positief staan tegenover het gebruik van onderzoek en data, maar dat structurele samenwerking en onderling vertrouwen nog te vaak ontbreken. Op basis van de bevindingen onderscheiden de onderzoekers drie schooltypen, elk met een eigen vertrekpunt en eigen ontwikkelkansen.
Het onderzoek draait om de vraag hoe middelbare scholen omgaan met evidence-informed practice, kortweg EIP. Daarmee bedoelen de onderzoekers het gebruik van professionele kennis, wetenschappelijk onderzoek en schooleigen data om beslissingen over onderwijsverbetering te onderbouwen.
Veel scholen lukt het nog niet om deze werkwijze stevig te verankeren
Hoewel EIP steeds breder wordt gezien als een belangrijke bekwaamheid van onderwijsprofessionals, lukt het veel scholen nog niet om deze werkwijze stevig in de dagelijkse praktijk te verankeren. Volgens de onderzoekers hangt dat samen met uiteenlopende factoren, zoals een traditionele schoolcultuur of beperkte onderzoeksvaardigheden van leraren. Omdat die factoren per school verschillen, verloopt ook de ontwikkeling richting EIP niet overal hetzelfde.
De onderzoekers wilden nagaan hoe onderwijsprofessionals zelf tegen EIP aankijken en hoe scholen als geheel op dit punt kunnen worden getypeerd. Als theoretisch kader gebruikten zij het zogeheten QURE-model. Dat model onderscheidt individuele factoren, zoals houding, vaardigheden en communicatie, van organisatorische factoren, waaronder leiderschap, schoolcultuur en infrastructuur.
In totaal werden 426 vragenlijsten geanalyseerd
Voor het onderzoek werkten acht scholen mee. Leraren en schoolleiders vulden een vragenlijst met open vragen in; in totaal werden 426 vragenlijsten geanalyseerd. Daarnaast vonden op iedere school focusgroepinterviews plaats met vijf tot tien deelnemers. De vragenlijsten brachten de individuele opvattingen over EIP in beeld, terwijl de interviews zichtbaar maakten hoe scholen als collectief over EIP denken en ermee omgaan. Op basis van een gestructureerde inhoudsanalyse, gebaseerd op het QURE-model, stelden de onderzoekers eerst per school een profiel op. Daarna vergeleken zij die profielen met elkaar.
Onvoldoende steun van schoolleiders, gebrek aan tijd en het ontbreken van een open cultuur
Uit de vragenlijsten blijkt dat onderwijsprofessionals over het algemeen positief zijn over EIP. Tegelijk noemen zij op alle acht scholen dezelfde knelpunten: onvoldoende steun van schoolleiders, gebrek aan tijd en het ontbreken van een open cultuur die communicatie en kennisdeling bevordert. Deze drie factoren keren in alle scholen terug.
De analyse van de interviews leidde vervolgens tot drie schooltypen. Het eerste type is de geïsoleerde en individuele school. In dit type speelt EIP zich vooral af op individueel niveau. Leraren ervaren weinig psychologische veiligheid en er is nauwelijks sprake van gestructureerde samenwerking.
Onderzoek wordt vaak gezien als intimiderend, weinig relevant of losgezongen van de dagelijkse onderwijspraktijk. Initiatieven van de schoolleiding roepen weerstand op, omdat medewerkers die eerder als opgelegd dan als gezamenlijk ontwikkeld beschouwen. Volgens de onderzoekers belemmert het gebrek aan vertrouwen de collectieve groei.
Beleid is reactief en onvoldoende gebaseerd op onderzoek
Het tweede type is de gefragmenteerde en overbelaste school. Deze scholen hebben hoge ambities en zetten veel initiatieven tegelijk in gang, maar missen samenhang. Teams werken langs elkaar heen, waardoor de uitvoering versnipperd raakt en kennisuitwisseling beperkt blijft. Medewerkers omschrijven het beleid als reactief en onvoldoende gebaseerd op onderzoek. Tijdsdruk en werkdruk maken het moeilijk om vernieuwing duurzaam vol te houden. De motivatie is er wel, maar door de fragmentatie en overbelasting komt een stevige onderzoekscultuur niet goed van de grond.
Het derde type is de open en leergerichte school. Op deze scholen is sprake van een veilig en open leerklimaat, meer structurele samenwerking en ruimte voor experimenteren en gedeeld leiderschap. Leraren voelen zich medeverantwoordelijk voor het collectieve leren. Tegelijk geven medewerkers aan dat betere afstemming tussen teams en bredere kennisdeling nog nodig zijn. De basis voor EIP is volgens de onderzoekers aanwezig, maar verdere opschaling vraagt om meer samenhang in de organisatie.
Oppervlakkig of geïsoleerd
Uit de vergelijking van de drie typen trekken de onderzoekers een bredere conclusie. Een breed gedragen visie op EIP, stevig verankerd in beleid en dagelijkse praktijk, blijkt op alle scholen onmisbaar. Kennisdeling stokt geregeld doordat scholen intern versnipperd zijn en teams of afdelingen weinig contact met elkaar hebben. Een gevoel van gezamenlijkheid blijkt daarmee een belangrijke voorspeller van EIP. Waar vertrouwen en samenwerking ontbreken, blijven inspanningen op dit punt oppervlakkig of geïsoleerd.
De drie schooltypen bieden volgens de onderzoekers ook concrete aanknopingspunten voor verdere groei. Scholen van het eerste type doen er goed aan eerst te investeren in psychologische veiligheid en in kleine, vaste routines van samenwerking.
Scholen moeten investeren in vertrouwen
Scholen van het tweede type hebben er baat bij initiatieven te stroomlijnen en te verbinden aan een samenhangende, onderzoeksgedreven visie. Scholen van het derde type kunnen zich richten op het versterken en volgen van de afstemming tussen teams, zodat de bestaande leercultuur zich verder kan verbreden en bestendigen.
De onderzoekers concluderen dat de ontwikkeling naar een onderzoeksgerichte school een aanpak vraagt die rekening houdt met de specifieke context en het vertrekpunt van iedere school. Scholen moeten investeren in vertrouwen en in regelmatige momenten van interactie, zodat leraren ideeën en middelen kunnen delen. Wie wil dat scholen meer op onderzoek steunen, zal dus niet alleen moeten investeren in kennis, maar ook in structuren en onderlinge relaties.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor schoolleiders laat dit onderzoek zien dat evidence-informed werken niet vanzelf ontstaat door leraren alleen toegang te geven tot onderzoek en data. Leiderschap, tijd en een open schoolcultuur blijken in alle onderzochte scholen cruciale voorwaarden.
Voor teams maken de resultaten duidelijk dat samenwerking en psychologische veiligheid randvoorwaarden zijn voor verdere ontwikkeling. Waar vertrouwen ontbreekt of teams langs elkaar heen werken, blijft evidence-informed werken versnipperd of beperkt tot individuen.
Voor scholen die willen groeien onderstrepen de drie schooltypen dat niet elke school dezelfde volgende stap kan zetten. Sommige scholen moeten eerst werken aan veiligheid en basale samenwerking, andere aan samenhang tussen initiatieven, en weer andere aan betere afstemming tussen teams om een bestaande leercultuur verder uit te bouwen.
Bron: Sleenhof, J. P. W., Krijgsman, C. A., Schellings, G. L. M., Thurlings, M. C. G., & Geijsel, F. (Accepted/In press). Secondary schools’ evidence-informed practices as perceived by the professionals within the schools. EARLI SIG14 Learning and Professional Development, Antwerpen, Belgium.