Voortgezet onderwijs

Nieuwe Utrechtse hoogleraar: ‘PISA presenteert dalende leerprestaties dramatischer dan nodig’

Wetenschappelijke geletterdheid begint niet op de universiteit, maar op school. Dat stelde Ralph Meulenbroeks in zijn inaugurele rede aan de Universiteit Utrecht. Volgens de nieuwe hoogleraar wetenschappelijke geletterdheid moeten leerlingen al vroeg leren hoe kennis ontstaat en hoe je claims beoordeelt. Tegelijk waarschuwde hij dat internationale vergelijkingen zoals het PISA-onderzoek soms een te dramatisch beeld geven van de prestaties van Nederlandse leerlingen.

De nieuwe hoogleraar – die eerder zowel als musicus als natuurkundedocent werkte – had zijn rede de titel Je moet het wel willen weten meegegeven. Daarmee verwees hij naar een houding van nieuwsgierigheid en kritisch denken die volgens hem juist in het funderend onderwijs moet worden ontwikkeld.

Wat is wetenschappelijke geletterdheid?

Aan het begin van zijn rede stelde Meulenbroeks een ogenschijnlijk eenvoudige vraag: wat is wetenschappelijke geletterdheid eigenlijk? Het bleek een vraag die minder eenvoudig te beantwoorden is dan vaak wordt gedacht. “Die vraag is verbaasd moeilijk te beantwoorden,” zei hij. Niet omdat het begrip ingewikkeld is, maar juist omdat het zo vanzelfsprekend lijkt. Sinds het midden van de vorige eeuw zijn er honderden definities ontstaan en een zoekopdracht op Google Scholar levert inmiddels een half miljoen artikelen op waarin het begrip voorkomt.

De aandacht voor wetenschappelijke geletterdheid ontstond volgens hem in de context van de Koude Oorlog. Toen de Sovjet-Unie in 1957 de satelliet Sputnik lanceerde, leidde dat in de Verenigde Staten tot grote onrust over de kwaliteit van het onderwijs. De kleine metalen bol die rondjes om de aarde draaide liet zien dat technologische vooruitgang direct samenhing met kennis en onderwijs.

We hebben er duizenden meer nodig dan we nu hebben

Volgens Meulenbroeks vormde dat moment een keerpunt. “Er moest wat gebeuren,” zei hij. President Eisenhower maakte volgens hem duidelijk wat daarvoor nodig was: “We hebben wetenschappers nodig. En we hebben er duizenden meer nodig dan we nu hebben.”

Het begrip groeide daarom uit tot een bredere benadering waarin drie elementen samenkomen: kennis van wetenschappelijke concepten, inzicht in hoe wetenschap werkt en begrip van de rol van wetenschap in maatschappelijke discussies.

Juist dat laatste element maakt volgens Meulenbroeks duidelijk waarom wetenschappelijke geletterdheid een taak is van het onderwijs voor alle leerlingen, niet alleen voor toekomstige wetenschappers.

PISA presenteert de data met een ingekrompen as

Om te laten zien hoe het staat met wetenschappelijke geletterdheid in Nederland besprak Meulenbroeks de resultaten van het internationale PISA-onderzoek. Daarin wordt elke drie jaar gemeten hoe vijftienjarigen scoren op taal, wiskunde en wetenschap.

De Nederlandse resultaten laten over langere tijd een dalende trend zien. Tegelijk waarschuwde Meulenbroeks dat de manier waarop die cijfers worden gepresenteerd soms een vertekend beeld kan geven. “PISA presenteert de data met een ingekrompen as, zodat het er dramatisch uitziet,” zei hij. Daardoor wordt al snel gesproken van een crisis. “Het is ongelooflijk hoe vaak deze truc wordt uitgehaald.”

Het verschil met andere landen is kleiner geworden

Wanneer de cijfers in hun context worden bekeken ontstaat volgens hem een genuanceerder beeld. Nederlandse leerlingen scoren nog steeds boven het gemiddelde van de OESO-landen, maar het verschil met andere landen is kleiner geworden.

“Dat zijn de feiten. Niet minder, maar ook niet meer,” zei hij. “En ik wil deze trend niet bagatelliseren. Ik vind het zorgelijk dat die scores dalen.” Volgens hem onderstreept dat juist het belang van goed wetenschapsonderwijs op school. Leerlingen moeten niet alleen feiten leren, maar ook leren hoe kennis tot stand komt en hoe je informatie kritisch beoordeelt.

Het lerarentekort als sleutelprobleem

Een groot deel van de rede ging daarnaast over de rol van leraren bij het ontwikkelen van wetenschappelijke geletterdheid. Volgens Meulenbroeks staat of valt het succes van wetenschapsonderwijs uiteindelijk met de kwaliteit en beschikbaarheid van docenten.

Het lerarentekort vormt daarbij een structureel probleem. Vooral in de bètavakken is het tekort groot en zal het de komende jaren verder oplopen. Oorzaken zijn volgens Meulenbroeks bekend: een teruggang in maatschappelijk aanzien, een perceptie van hoge werkdruk en een gebrek aan ontwikkelingsmogelijkheden.

Leraren krijgen helemaal niet slecht betaald

Dat leraren slecht betaald zouden worden, nuanceerde hij meteen. “Misschien is het in dat kader goed om te weten dat leraren uit het VO die in dienst komen van de universiteit, meestal teruggaan in salaris.” Met andere woorden: VO-leraren verdienen helemaal niet zo slecht als vaak wordt gedacht.

Om het beroep aantrekkelijker te maken pleitte hij voor verschillende maatregelen. Zo zou het volgens hem helpen om studenten al tijdens hun studie kennis te laten maken met het onderwijs. Studenten kunnen bijvoorbeeld als onderwijsassistent op scholen werken, waardoor zij ervaring opdoen in de klas en tegelijkertijd scholen ondersteunen.

Uit onderzoek blijkt volgens hem dat zulke initiatieven niet alleen studenten enthousiasmeren voor het beroep, maar ook de leerresultaten van leerlingen verbeteren. “Als dat geen win-win is.”

Studenten een serieus en goed betaald leerwerktraject bieden

Daarnaast pleitte hij voor een betaalde lerarenopleiding. Studenten zouden na hun master in dienst kunnen komen van een school of universiteit terwijl zij hun lerarenopleiding volgen. “Ik vind dat we deze studenten een serieus en goed betaald leerwerktraject moeten kunnen bieden.”

Ook professionele ontwikkeling voor leraren blijft volgens hem belangrijk. Via initiatieven zoals de Bèta Lerarenkamer krijgen docenten de mogelijkheid om een dag per week te werken aan hun eigen ontwikkeling, met begeleiding en een eigen budget.

De vraag die leerlingen moeten leren stellen

Aan het einde van zijn rede kwam Meulenbroeks terug bij de kern van zijn betoog: de vraag hoe burgers leren omgaan met kennis. Volgens hem begint dat al op school, waar leerlingen moeten leren om claims te beoordelen en vragen te stellen.

Daarmee kwam hij terug bij de titel van zijn rede. In een samenleving waarin informatie voortdurend circuleert, moeten burgers volgens hem vooral leren om vragen te stellen. Eén vraag kan daarbij volgens hem al veel verschil maken: “Hoe weet jij dat? Hoe weet jij dat dat waar is?”

Volgens Meulenbroeks is die houding de kern van wetenschappelijke geletterdheid. Wie die vraag stelt, wil eerst begrijpen voordat hij zelf begrepen wil worden. “En dat is volgens mij het tegengestelde van polariseren.” Zijn slotwoorden herhaalden daarom nog één keer de boodschap van zijn rede. “Je moet het wel willen weten.”

Ontdek meer onderwerpen