Uit internationaal onderzoek door Hans Luyten van de Universiteit Twente blijkt dat meisjes van 15 jaar systematisch betere cijfers halen voor lezen, wiskunde en natuurwetenschappen in landen waar vrouwelijke leraren sterk oververtegenwoordigd zijn ten opzichte van het totale arbeidsaanbod. De prestatiekloof tussen jongens en meisjes wordt groter naarmate het percentage vrouwelijke docenten in het voortgezet onderwijs verder afwijkt van het percentage werkende vrouwen in de samenleving.
Schooluitval en ondermaatse prestaties van jongens
De interesse in verschillen tussen jongens en meisjes op school ontstond oorspronkelijk uit zorgen over achterstanden van meisjes in vakken zoals wiskunde en natuurkunde. Sinds de jaren negentig is de aandacht echter verschoven naar de uitdagingen waarmee jongens worden geconfronteerd, vooral in westerse landen waar problemen rond schooluitval en ondermaatse prestaties van jongens steeds prominenter worden.
Veel beleidsmakers hebben deze veranderingen gekoppeld aan de groeiende aanwezigheid van vrouwen in het onderwijs, een trend die vaak wordt aangeduid als de “feminisering van het onderwijs”. Eerder onderzoek op klasniveau toonde echter aan dat het geslacht van individuele docenten nauwelijks invloed heeft op prestatiekloven tussen jongens en meisjes. Dit nieuwe onderzoek richt zich daarom op een ander niveau: de vraag of de totale gendersamenstelling van het docentenkorps binnen een land wel degelijk samenhangt met nationale patronen in prestatiekloven.
De onderzoekers wilden specifiek begrijpen of de oververtegenwoordiging van vrouwelijke docenten – gemeten als het verschil tussen het percentage vrouwelijke docenten en het percentage werkende vrouwen in de beroepsbevolking – correleert met verschillen in schoolprestaties tussen jongens en meisjes. Het onderzoek is relevant omdat het inzicht geeft in bredere maatschappelijke dynamieken die van invloed zijn op onderwijsresultaten.
Onderwijs als vrouwelijk domein
Voor dit onderzoek werden gegevens uit PISA 2022 gebruikt, waarbij prestaties van 15-jarigen in 65 landen werden geanalyseerd op het gebied van lezen, wiskunde en natuurwetenschappen. Deze prestatiescores werden gecombineerd met UNESCO-statistieken over het percentage vrouwelijke docenten in het voortgezet onderwijs en ILOSTAT-gegevens over de arbeidsparticipatie van vrouwen.
De kernvariabele was de “oververtegenwoordiging van vrouwelijke docenten”, berekend als het verschil tussen het percentage vrouwelijke docenten in het voortgezet onderwijs en het percentage vrouwen in de totale beroepsbevolking. Deze maatstaf geeft aan in hoeverre het onderwijs als vrouwelijk domein wordt ervaren ten opzichte van andere sectoren in de samenleving.
De onderzoekers gebruikten zowel gewogen als ongewogen analyses. Bij gewogen analyses kregen landen meer invloed naarmate ze meer 15-jarige leerlingen vertegenwoordigden, terwijl bij ongewogen analyses elk land gelijk gewicht kreeg. Om de robuustheid van de bevindingen te testen, werden vijftig potentieel verstorende variabelen gecontroleerd, variërend van gezinsondersteuning tot schoolmiddelen en kenmerken van het onderwijspersoneel. LASSO-regressie werd toegepast om de meest relevante voorspellers te identificeren bij een relatief klein aantal landen en veel mogelijke verklarende variabelen.
Belangrijkste bevindingen
Het onderzoek toont duidelijke correlaties tussen de oververtegenwoordiging van vrouwelijke docenten en prestatiekloven ten gunste van meisjes. In alle 65 onderzochte landen presteren meisjes beter in lezen dan jongens, met gemiddelde verschillen van 26,5 punten ongewogen en 22,0 punten gewogen. De kleinste verschillen werden gevonden in Costa Rica met 2,6 punten, terwijl Cyprus de grootste kloof vertoonde met 54,1 punten.
Bij wiskunde presteren jongens over het algemeen beter, maar de kloof is aanzienlijk kleiner dan bij lezen. De nationale verschillen variëren van een achterstand van 21,1 punten voor meisjes in Italië tot een voorsprong van 19,1 punten voor meisjes in Albanië. Bij natuurwetenschappen is het gewogen gemiddelde verschil nul, terwijl het ongewogen gemiddelde 4,6 punten ten gunste van meisjes bedraagt.
De correlaties tussen oververtegenwoordiging en prestatiekloven zijn substantieel. In de gewogen analyses komt een toename van 1 procent in oververtegenwoordiging overeen met 0,749 punten meer voorsprong voor meisjes bij lezen, 0,838 punten bij wiskunde en 0,866 punten bij natuurwetenschappen. Een toename van 20 procent in oververtegenwoordiging zou dus overeenkomen met veranderingen van respectievelijk 15,0, 16,7 en 17,3 punten.
Het onderzoek laat ook grote variatie zien in de gendersamenstelling van het docentenkorps. Meer dan 60 procent van de docenten in het voortgezet onderwijs zijn vrouw, met aanzienlijke verschillen tussen landen. In Marokko, Peru en Cambodja vormen vrouwen een minderheid van de docenten in het voortgezet onderwijs, terwijl landen zoals Moldavië, Litouwen, Letland, Oekraïne en Georgië percentages boven de 80 procent rapporteren.
Het percentage werkende vrouwen in de totale beroepsbevolking ligt gemiddeld aanzienlijk lager op ongeveer 43 procent. Slechts vier landen vertonen percentages net boven de 50 procent. Arabische landen rapporteren percentages onder de 25 procent. De hoogste oververtegenwoordiging werd waargenomen in de Verenigde Arabische Emiraten, waar 72,5 procent van de docenten vrouw is tegenover slechts 24,5 procent van de beroepsbevolking.
Nederland neemt een middenpositie in binnen het internationale beeld. Hoewel het onderzoek geen specifieke cijfers voor Nederland vermeldt, valt het land binnen de Europese context waar de correlatie tussen vrouwelijke oververtegenwoordiging en prestatiekloven zwakker is dan het wereldwijde patroon. Europese landen clusteren binnen een relatief beperkt bereik van zowel vrouwelijke oververtegenwoordiging als prestatiekloven tussen jongens en meisjes, wat resulteert in gematigde interne variatie ondanks hun positie die wel aansluit bij de mondiale trends.
Robuustheid en andere factoren
Wanneer gecontroleerd werd voor vijftig potentiële verstorende variabelen, bleef de oververtegenwoordiging van vrouwelijke docenten de enige factor die consistent robuust geassocieerd was met prestatiekloven in alle drie de vakgebieden. Ook het percentage leerlingen op gescheiden scholen voor jongens en meisjes toonde correlaties met prestatiekloven, met name bij lezen en natuurwetenschappen. Genderverschillen in gezinsondersteuning en betaald werk na schooltijd waren eveneens relevant.
Opvallend genoeg vertoonde de algemene gendergelijkheid, gemeten via de Global Gender Gap Index, geen robuuste relatie met prestatiekloven. Dit verklaart mogelijk waarom meisjes in sommige moslimlanden academisch goed presteren ondanks lagere scores op gendergelijkheid.
De onderzoeker concludeert dat de bevindingen wijzen op bredere maatschappelijke dynamieken die niet worden gevangen door studies die zich richten op klasomgevingen. Het patroon suggereert dat wanneer het onderwijs als meer vrouwelijk domein wordt ervaren – gemeten aan de oververtegenwoordiging ten opzichte van andere sectoren – dit samenhangt met relatieve voordelen voor meisjes in alle onderzochte vakgebieden.
Meer mannen voor de klas
De studie benadrukt echter dat het verminderen van de oververtegenwoordiging van vrouwelijke docenten geen definitieve oplossing is voor het wegwerken van prestatiekloven. Zelfs bij nul oververtegenwoordiging zouden meisjes nog steeds een voordeel hebben bij lezen, maar achterlopen bij wiskunde en natuurwetenschappen. Bovendien zou het verschuiven van de genderbalans in het onderwijs of de bredere arbeidsmarkt jaren, zo niet decennia duren.
Voor beleidsmakers stellen de onderzoekers dat directere strategieën gericht zouden moeten zijn op het loskoppelen van academische betrokkenheid van vermeende bedreigingen voor de mannelijke identiteit. Het versterken van meer mannen werven voor het onderwijs blijft om verschillende redenen waardevol, waaronder het aanpakken van lerarentekorten en het zorgen voor een betere weerspiegeling van de bevolking in belangrijke publieke diensten.