Primair onderwijs

Pesten op school schaadt prestaties en welzijn van alle leerlingen, blijkt uit grootschalig OESO-onderzoek

Een op de vijf vijftienjarigen in de OESO-landen geeft aan minstens enkele keren per maand te worden gepest. Dat blijkt uit een nieuwe analyse van internationale leerlingonderzoeken.

Het rapport laat zien dat pesten niet alleen directe slachtoffers treft, maar samenhangt met slechtere leerprestaties, meer psychische klachten en een negatiever schoolklimaat voor alle leerlingen. Bepaalde groepen, waaronder leerlingen met een migratieachtergrond, rapporteren vaker pestervaringen.

Bewust buitengesloten, belachelijk gemaakt, bedreigd en fysiek mishandeld

De OESO analyseerde hiervoor gegevens uit grootschalige internationale studies. In PISA wordt pesten gemeten aan de hand van zes vragen over ervaringen in de voorafgaande twaalf maanden. Leerlingen geven aan hoe vaak zij bijvoorbeeld bewust buitengesloten werden, belachelijk gemaakt, bedreigd, fysiek mishandeld of geconfronteerd met het verspreiden van kwetsende geruchten. De antwoorden lopen van “nooit of bijna nooit” tot “een keer per week of vaker”. Op basis daarvan is een pestintensiteitsindex samengesteld.

De verdeling van deze index is scheef. Het merendeel van de leerlingen scoort laag. In 2022 had meer dan 85 procent van de leerlingen een score tussen 0 en 5, terwijl iets meer dan 2 procent een hoge score had tussen 10 en 18. Dat betekent dat een kleine groep te maken krijgt met relatief intensief pestgedrag.

Leerlingen met een migratieachtergrond rapporteren gemiddeld vaker pestervaringen

Het rapport laat zien dat pesten ongelijk verdeeld is over leerlinggroepen. Leerlingen met een migratieachtergrond rapporteren gemiddeld vaker pestervaringen dan leerlingen zonder migratieachtergrond. Dit verschil varieert naar sociaaleconomische positie en geslacht. Onder sociaaleconomisch bevoorrechte leerlingen zijn de verschillen groter dan onder kansarme leerlingen. Zo scoren bevoorrechte jongens met een migratieachtergrond aanzienlijk hoger op de pestintensiteitsindex dan autochtone meisjes uit dezelfde sociaaleconomische groep.

De OESO bespreekt in dit verband de zogenoemde integratieparadox. In eerder onderzoek is gevonden dat sociaal en educatief beter geïntegreerde immigranten vaker discriminatie rapporteren. Mogelijke verklaringen die in de literatuur worden genoemd, zijn onder meer dat zij gevoeliger zijn voor subtiele vormen van uitsluiting of vaker in omgevingen terechtkomen waar zij relatief in de minderheid zijn. Het rapport presenteert deze verklaringen als hypothesen uit bestaand onderzoek.

Vaker angst- en depressieve klachten

De negatieve samenhang tussen pesten en welzijn komt in meerdere datasets naar voren. Leerlingen die frequent gepest worden, rapporteren vaker angst- en depressieve klachten. In Amerikaanse gegevens waarnaar het rapport verwijst, rapporteerden gepeste tieners ongeveer twee keer zo vaak symptomen van angst of depressie als niet-gepeste leeftijdsgenoten. Ook lichamelijke klachten zoals hoofdpijn, buikpijn en slaapproblemen komen vaker voor onder leerlingen die pesten ervaren.

Daarnaast is er een verband met schoolverzuim. In PISA 2022 is een duidelijk dosis-responsverband zichtbaar: hoe hoger de pestintensiteit, hoe groter de kans dat leerlingen spijbelen. Leerlingen met een score boven 8 op de pestintensiteitsindex hebben minstens twee keer zo veel kans om school te hebben gemist zonder geldige reden als leerlingen met een lage score.

Pesten schaadt de leerprestaties

Ook de leerprestaties hangen samen met pestervaringen. In negentien Europese landen scoorden gepeste leerlingen gemiddeld ongeveer 13 procent van een standaarddeviatie lager op leesvaardigheid dan niet-gepeste leerlingen, nadat is gecorrigeerd voor kenmerken van leerling, school en land. Deze prestatiekloof was groter dan het verschil tussen jongens en meisjes in dezelfde modellen.

Op schoolniveau hangt een hogere pestprevalentie samen met een minder positief schoolklimaat. Leerlingen in scholen waar vaker wordt gepest, rapporteren een lager gevoel van veiligheid en verbondenheid. Ook leerlingen die zelf geen slachtoffer zijn maar pesten waarnemen, laten gemiddeld meer angst- en depressieve symptomen zien dan leerlingen in scholen met minder pestgedrag.

Niet alles is causaal

Over de langetermijneffecten is het beeld minder eenduidig. Sommige longitudinale studies vinden verbanden tussen pesten in de kindertijd en latere psychische problemen, lagere onderwijsniveaus en zwakkere arbeidsmarktuitkomsten. Andere studies vinden minder consistente effecten op lange termijn, wat volgens het rapport kan wijzen op veerkracht bij een deel van de betrokkenen. De OESO benadrukt dat niet alle gevonden verbanden als causaal kunnen worden geïnterpreteerd.

Het rapport besteedt ook aandacht aan maatschappelijke kosten. In Duitsland werden de kortetermijnkosten per vaak gepeste leerling geraamd op meer dan 5.000 euro per jaar, waarbij een groot deel samenhing met productiviteitsverlies van ouders. In Australië zijn de jaarlijkse nationale kosten geschat op 763 miljoen Australische dollar, voornamelijk gerelateerd aan zorguitgaven. Deze schattingen verschillen per land en methodologie, maar illustreren volgens het rapport dat pesten ook buiten de school gevolgen heeft.

Onvoldoende toegerust

Op basis van de analyse formuleert de OESO een aantal beleidsrichtingen. Landen zouden volgens het rapport duidelijke en samenhangend beleid moeten ontwikkelen, met een heldere definitie van pesten, duidelijke verantwoordelijkheden en praktische richtlijnen voor scholen. Daarnaast is versterking van de capaciteit van leraren en schoolpersoneel nodig. Veel onderwijsprofessionals geven aan zich onvoldoende toegerust te voelen om effectief op pesten te reageren.

Verder wijst het rapport op het belang van schoolbrede benaderingen die leerlingen, personeel en ouders betrekken. Dergelijke programma’s blijken in de literatuur effectiever dan interventies die zich uitsluitend richten op individuele slachtoffers of daders. Tegelijkertijd is alleen universele preventie volgens het rapport niet voldoende. Naast algemene maatregelen is gerichte ondersteuning nodig voor leerlingen die pesten ervaren of vertonen, bijvoorbeeld in de vorm van toegang tot counseling of andere vormen van begeleiding.

Maak het mogelijk om trends te volgen

Tot slot benadrukt de OESO het belang van systematische monitoring. Regelmatige gegevensverzameling maakt het mogelijk om trends te volgen, verschillen tussen groepen in kaart te brengen en beleid bij te sturen waar nodig.

Het rapport concludeert dat pesten geen onvermijdelijk onderdeel van schooltijd is. De mate waarin het voorkomt en de manier waarop scholen ermee omgaan, verschillen aanzienlijk tussen landen en systemen. Volgens de OESO vraagt het terugdringen van pesten om een samenhangende aanpak op systeemniveau, gecombineerd met aandacht voor wat er in individuele scholen en klaslokalen gebeurt.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor onderwijsbestuurders en beleidsmakers laat het OESO-rapport zien dat een samenhangende, systeemgerichte anti-pestaanpak nodig is, met een gedeelde definitie van pesten, duidelijke verantwoordelijkheden en structurele monitoring van trends en verschillen tussen leerlinggroepen.

Voor schoolleiders en leraren onderstreepen de bevindingen het belang van schoolbrede programma’s die het hele schoolklimaat beïnvloeden, gecombineerd met gerichte ondersteuning voor leerlingen die pesten ervaren of vertonen. Investeren in initiële lerarenopleiding en voortdurende professionele ontwikkeling vergroot volgens het rapport de handelingsbekwaamheid bij het herkennen en aanpakken van pestgedrag.

Voor scholen maakt de analyse duidelijk dat regelmatige en systematische gegevensverzameling over pesten nodig is om trends te volgen, verschillen tussen leerlinggroepen zichtbaar te maken en interventies gericht bij te sturen.

Bron: OECD (2026). Bullying in Schools: Trends, Consequences and Policy Responses. OECD Publishing. DOI: https://dx.doi.org/10.1787/d9f8bd9f-en

Ontdek meer onderwerpen