Voortgezet onderwijs

Gezonde schoolkantines zijn geen garantie voor gezonde normen

Meer gezond aanbod in de schoolkantine leidt niet vanzelf tot gezondere sociale normen. Integendeel: leerlingen op scholen die het Gezonde Schoolkantine-programma slechts gedeeltelijk invoeren, blijken minder positief te denken over gezond eten dan leerlingen op scholen die het programma links laten liggen of juist volledig omarmen.

Nederlandse onderzoekers hebben een complex patroon blootgelegd in de manier waarop de fysieke voedingsomgeving op middelbare scholen samenhangt met de sociale normen van adolescenten. In hun studie naar het landelijke programma De Gezonde Schoolkantine laten zij zien dat schoolkantines inderdaad signalen afgeven over wat leerlingen als normaal en wenselijk beschouwen, maar dat die signalen niet altijd het beoogde effect hebben.

De centrale vraag van het onderzoek was of een gezondere schoolkantine ertoe leidt dat leerlingen gezonde voedingskeuzes meer als sociaal gewenst gaan zien. Die vraag sluit aan bij eerder onderzoek waaruit blijkt dat de beschikbaarheid van producten in winkels en buurten invloed heeft op sociale normen rond consumptie. Omdat adolescenten een groot deel van hun dagelijkse calorie-inname tijdens schooluren tot zich nemen en in deze levensfase bijzonder gevoelig zijn voor goedkeuring door leeftijdsgenoten, vormt de schoolomgeving een logisch onderzoeksdomein.

Een overwegend ongezonde voedselomgeving rond Nederlandse middelbare scholen

Het onderzoek vond plaats tegen de achtergrond van een overwegend ongezonde voedselomgeving rond Nederlandse middelbare scholen, waar minder gezonde opties vaak gemakkelijk beschikbaar zijn. Tegelijkertijd groeit het aantal scholen dat zich vrijwillig aansluit bij het Gezonde Schoolkantine-programma, dat sinds 2003 bestaat en scholen ondersteunt bij het gezonder inrichten van hun kantine.

De onderzoekers hanteerden een quasi-experimenteel onderzoeksdesign en betrokken 23 Nederlandse middelbare scholen. Deze scholen werden ingedeeld naar de mate waarin zij het Gezonde Schoolkantine-programma hadden geïmplementeerd. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen scholen met een beperkte, matige en duurzame implementatie. De indeling was gebaseerd op de mate waarin de kantine voldeed aan de landelijke richtlijnen voor gezonde schoolomgevingen en op de vraag of scholen een intentieverklaring hadden ondertekend waarin zij zich langdurig committeren aan een gezondere voedingsomgeving.

Krijgt de schoolkantine zilver of goud?

Voor een zilver niveau moet minimaal zestig procent van het aanbod als gezond worden aangemerkt, voor goud tachtig procent en voor het ideale niveau honderd procent. Scholen werden als duurzaam geïmplementeerd beschouwd wanneer zij in de afgelopen vijf jaar ten minste twee keer een zilver, goud of ideaal niveau hadden behaald en bovendien een intentieverklaring hadden ondertekend. Matige implementatie betrof scholen die slechts één keer een dergelijk niveau bereikten of niet structureel aan de voorwaarden voldeden.

In totaal vulden 1004 leerlingen een vragenlijst in over hun percepties van sociale normen rond voeding. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen descriptieve normen, die betrekking hebben op wat leerlingen denken dat hun klasgenoten daadwerkelijk doen, en injunctieve normen, die weergeven wat leerlingen denken dat hun klasgenoten goed of wenselijk vinden. Deze normen werden gemeten voor vijf voedingscategorieën: fruit en groenten, bruin of volkoren brood, snacks, water en suikerhoudende dranken.

Dat sluit aan bij de verwachting

De resultaten laten een opvallend en niet-lineair patroon zien. Leerlingen van scholen met een duurzame implementatie rapporteerden gunstigere injunctieve normen over gezonde voeding dan leerlingen van scholen met een matige implementatie. Dat sluit aan bij de verwachting dat een consequent gezonde voedselomgeving sociale goedkeuring van gezond gedrag kan versterken. Tegelijkertijd bleken leerlingen van scholen met een beperkte implementatie eveneens gunstigere normen te rapporteren dan leerlingen van scholen met een matige implementatie.

Concreet hadden leerlingen van scholen met een matige implementatie minder gunstige injunctieve normen voor fruit en groenten dan leerlingen van scholen met een beperkte implementatie, met een verschil van 0,29 punten op een vijfpuntsschaal. Voor water bedroeg dit verschil 0,34 punten. Tegelijkertijd scoorden deze leerlingen hoger op injunctieve normen voor suikerhoudende dranken, wat wijst op een relatief positievere houding tegenover ongezonde keuzes.

Voor descriptieve normen waren de verschillen kleiner en minder consistent. Alleen voor water zagen de onderzoekers dat leerlingen van scholen met een matige implementatie minder vaak dachten dat hun klasgenoten water dronken dan leerlingen van scholen met een beperkte implementatie.

Het consumeren van fruit, groenten en water

Ook wanneer scholen met matige implementatie werden vergeleken met scholen met duurzame implementatie, bleven de verschillen in injunctieve normen bestaan. Leerlingen van scholen met matige implementatie hadden minder gunstige opvattingen over wat hun klasgenoten goed vinden als het gaat om het consumeren van fruit, groenten en water.

De onderzoekers wijzen erop dat gedeeltelijke of inconsistente invoering van een gezond voedingsprogramma mogelijk gemengde signalen afgeeft. Daardoor kan de sociale goedkeuring van gezond gedrag juist worden verzwakt. In zo’n situatie kan het initiatief oppervlakkig of weinig overtuigend overkomen, wat kan leiden tot scepsis of weerstand onder leerlingen.

De thuisomgeving en ouderlijke invloed blijven belangrijk bij het vormen van sociale normen

Daarnaast spelen ook andere factoren een rol bij de manier waarop leerlingen aankijken tegen gezond eten. De invloed van thuis blijft groot, ook in de adolescentie. Wat jongeren dagelijks zien en meemaken in hun gezin, vormt hun beeld van wat normaal eetgedrag is en dat blijkt minder gevoelig voor signalen vanuit de schoolkantine.

Verder staan scholen niet los van hun omgeving. Alle onderzochte scholen lagen in de nabijheid van supermarkten, snackbars of andere verkooppunten waar vooral ongezonde producten gemakkelijk verkrijgbaar zijn. Die bredere voedselomgeving kan de invloed van schoolbeleid beperken en maakt het lastiger om met alleen aanpassingen in de kantine sociale opvattingen over gezond eten te veranderen.

Scholen hebben grote autonomie

De onderzoekers wijzen ook op beperkingen van hun studie. Door het cross-sectionele karakter konden veranderingen in sociale normen over de tijd niet worden gevolgd. Daarnaast is het meten van implementatieniveaus in de praktijk complex, omdat scholen grote autonomie hebben in de manier waarop zij het programma vormgeven.

De studie onderstreept daarmee dat de relatie tussen gezonde schoolkantines en sociale normen over voeding minder eenduidig is dan vaak wordt verondersteld. Hoewel geen consistente verbanden werden gevonden, wijzen de resultaten erop dat duurzame en consequente implementatie meer kans biedt op gunstige sociale normen dan gedeeltelijke invoering.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor schoolbesturen en beleidsmakers laat dit onderzoek zien dat het gedeeltelijk invoeren van een gezonde schoolkantine geen neutrale tussenstap is. Een halfslachtige uitvoering kan samenhangen met minder gunstige opvattingen onder leerlingen over gezond eten dan helemaal geen of juist een structurele aanpak.

Voor scholen die overwegen met het programma te starten maken de resultaten duidelijk dat consistentie en langdurige inzet belangrijk zijn. Pas wanneer een gezonde voedingsomgeving zichtbaar en stabiel onderdeel is van de schoolpraktijk, lijkt dit samen te hangen met gunstigere sociale normen.

Bron: Van Dongen, B.M., Camfferman, N.A., Klunder, S., Veldhuis, L., Raghoebar, S. & Renders, C.M. (2026). Does the physical food environment in secondary school influence students’ social norm perceptions regarding healthy dietary choices? Health & Place, 98, 103594. DOI: https://doi.org/10.1016/j.healthplace.2025.103594

Ontdek meer onderwerpen