Scholen kunnen een sleutelrol spelen bij de bescherming van kinderen op sociale media. In plaats van te vertrouwen op moeilijk handhaafbare leeftijdsgrenzen kunnen leraren ouders helpen dat gebruik te begrenzen. Dat stelde Paddy Leerssen, postdoconderzoeker bij het Instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam, tijdens een bijeenkomst van het DSA Research Network over de bescherming van minderjarigen.
Er bestaan inmiddels goede technische hulpmiddelen waarmee ouders dat gebruik kunnen beperken, aldus Leerssen. Alleen kent niet iedere ouder die mogelijkheden. Juist scholen staan dicht genoeg bij gezinnen om te helpen.
“Je hebt instellingen als scholen die veel dichter bij ouders en kinderen staan”, zei Leerssen. “Tijdens oudergesprekken kan een leraar helpen om zo’n voorziening op de telefoon te installeren of de instellingen aan te passen. Dat is veel praktischere ondersteuning, iets waaraan juristen en zeker de EU niet gewend zijn. Andere delen van de overheid, die dichter bij het kind en de ouder staan, kunnen die ondersteuning wel bieden.”
Hulp bij ouderlijk toezicht
Sinds het vorige grote debat over leeftijdsgrenzen, vijftien jaar geleden, is er veel veranderd. Op vrijwel alle besturingssystemen en browsers zijn nu functies voor ouderlijk toezicht beschikbaar, van de iPhone tot de Chromebook. Die bieden volgens Leerssen voordelen boven centrale leeftijdsverificatie. “Dit kan behoorlijk betrouwbaar via voorzieningen op het apparaat zelf. Ze maken veel minder inbreuk op de privacy van gebruikers. Je dwingt niet iedereen om een app te installeren, maar houdt de oplossing dicht bij het probleem.”
Die beschikbaarheid pakt echter ongelijk uit, waarschuwde Leerssen. “Een van de grote risico’s is een gebrek aan kennis, waardoor ongelijkheid ontstaat. Ouders die aan een bijeenkomst als deze deelnemen, zijn zich waarschijnlijk van deze mogelijkheden bewust en kunnen zulke systemen gebruiken. Mensen in een minder bevoorrechte positie kunnen dat misschien niet. De overheid heeft daarom een heel belangrijke rol bij het ondersteunen van mensen. Dat kan veel verder gaan en veel concreter worden dan alleen bewustwording.”
Daar ligt een taak voor het onderwijs. Een school kan tijdens een oudergesprek laten zien hoe ouders schermtijd, apps en toegang tot bepaalde inhoud kunnen begrenzen. “Technisch liggen de oplossingen klaar om te worden gebruikt”, aldus Leerssen. “Het is een kwestie van ongelijkheid en toegang.”
Jessica Galissaire, senior beleidsonderzoeker bij Interface en de andere hoofdspreker, onderschreef dat digitale vaardigheden en voorlichting onderdeel van de aanpak moeten zijn. “We richten ons vaak op het recht en op wat wetgeving kan doen, maar dit is een holistisch probleem”, zei zij. “Uiteindelijk is het een volksgezondheidsvraagstuk. Iedereen moet erbij worden betrokken: de overheid, maar ook ouders.”
Leeftijdscontrole blijft gebrekkig
Leerssens pleidooi hangt samen met zijn kritiek op leeftijdsverificatie. Een halfjaar eerder raakte hij intensiever bij het onderwerp betrokken, toen hij met co-auteur Joris van Hoboken het ministerie van Binnenlandse Zaken mocht adviseren.
In het politieke debat lijkt Europa soms nog geen leeftijdsgrenzen te kennen. Onder meer de Digital Services Act, de Algemene verordening gegevensbescherming en de richtlijn audiovisuele mediadiensten stellen al regels aan de toegang van minderjarigen tot online diensten.
“Het uitgangspunt is niet dat we helemaal opnieuw moeten beginnen met de vraag of er een minimumleeftijd moet komen”, zei Leerssen. “De vraag is wat we vinden van de leeftijdsgrenzen die we al hebben en of we die moeten aanpassen. Veel daarvan lijkt alleen niet krachtig te worden gehandhaafd.”
Een betrouwbare manier om de leeftijd van gebruikers vast te stellen ontbreekt echter. “De technieken waarmee platforms de leeftijd van een gebruiker proberen vast te stellen, vertonen gebreken. Fundamenteel brengen al deze oplossingen aanzienlijke kosten voor de privacy mee, zonder dat ze noodzakelijkerwijs effectief of robuust zijn. Gebruikers kunnen ze nog altijd omzeilen met hulp van een volwassene of door een VPN te gebruiken.”
Australische wet werkt ook als signaal
De eerste ervaringen in Australië illustreren dat. Uit een enquête van de Australische toezichthouder onder ouders bleek dat de naleving rond de 30 procent lag, mogelijk lager. Ook bij gedeactiveerde accounts was de rol van leeftijdscontrole beperkt. “Ongeveer 50 procent van de deactiveringen werd door het platform geïnitieerd”, zei hij. “De andere helft bestond uit 25 procent gebruikers zelf en 25 procent ouders. Minstens de helft van het waargenomen effect kwam dus helemaal niet door leeftijdsverificatie.”
De wet had kennelijk ook een normerend effect: ouders zagen de nieuwe grens en grepen zelf in. Dat kan ook in het onderwijs betekenis krijgen. “Als we realistisch zijn en erkennen dat volledige handhaving niet mogelijk is, kan een minimumleeftijd dan toch dienen als verklaring of als vorm van communicatie?” vroeg Leerssen. “Het kan een signaal zijn voor ouders, leraren en andere mensen die veel directer met minderjarigen werken.”
Galissaire toonde zich terughoudend over wetgeving als communicatiemiddel. “Wetten zijn uiteindelijk bedoeld om te worden gehandhaafd. Als we wetten gebruiken om boodschappen over te brengen, heb ik daar gemengde gevoelens bij. Ik vraag me af of een grote nationale bewustwordingscampagne niet geschikter zou zijn.” Leerssen wees erop dat zo’n norm in zekere zin al bestaat: in de meeste lidstaten ligt de AVG-grens voor ouderlijke toestemming op zestien jaar, terwijl die vrijwel nergens wordt nageleefd.
Platforms zelf aan zet
Een grotere rol voor scholen ontslaat platforms niet van hun verantwoordelijkheid. De Europese richtsnoeren bij artikel 28 van de Digital Services Act bevatten maatregelen als veilige standaardinstellingen.
“Die richtsnoeren beginnen met leeftijdseisen en leeftijdscontrole, maar gaan daarna pagina na pagina verder met ontwerpprincipes”, zei Leerssen. “Misschien wordt het tijd dat de EU wat moediger is en zegt: we verbieden infinite scroll en we verbieden autoplay. Of we gaan uit van een vermoeden van onrechtmatigheid, tenzij een dienst kan aantonen waarom zulke functies noodzakelijk zijn.” Ook de bewijslast zou moeten worden omgekeerd, vindt hij: niet toezichthouders, maar platforms moeten aantonen dat hun diensten veilig zijn voor kinderen.
De keuze hoeft voor hem niet te gaan tussen wetgeving en ondersteuning. “Waarom zouden we niet allebei doen?” vroeg hij. “Waarom niet de hervorming en het verbod combineren, als we het idee kunnen loslaten dat zo’n wet perfect te handhaven en te verifiëren moet zijn?”