Primair onderwijs

Pabo-experiment verhoogt instroom, maar legt studenten en opleidingen onder grote druk

klassenmanagement

Het experiment met voorwaardelijke toelating tot de pabo heeft de opleiding toegankelijker gemaakt, maar legt tegelijk een zware druk op studenten en hogescholen. Dat blijkt uit de eindevaluatie van ResearchNed naar het Experiment toelatingseisen pabo, dat in 2022 van start ging. De onderzoekers adviseren om het experiment voort te zetten, maar hun rapport bevat tegelijk forse waarschuwingen over stress, studievertraging, extra werkdruk, ongelijke uitvoering tussen pabo’s en het uitblijven van effect op de instroom van studenten met een niet-Europese herkomst.  

Daarmee moest de pabo toegankelijker worden

De kern van het experiment is dat studenten die nog niet aan alle toelatingseisen voldoen, toch mogen beginnen aan de pabo. Zij moeten de ontbrekende toetsen voor aardrijkskunde, geschiedenis of natuur en techniek dan alsnog in het eerste studiejaar halen. Daarmee moest de pabo toegankelijker worden, vooral nadat de strengere toelatingseisen vanaf 2015 de instroom van met name mbo-studenten en studenten met een migratieachtergrond hadden geraakt.

Volgens ResearchNed is de toegankelijkheid inderdaad verbeterd. De pabo trekt sinds de start van het experiment relatief meer studenten dan het overige hbo. In absolute aantallen groeide de instroom van 7.669 studenten in 2021-2022 naar 8.511 in 2025-2026. Vergeleken met andere hbo-opleidingen presteerden de pabo’s qua instroom volgens het rapport “circa een kwart beter” in de periode 2022-2023 tot en met 2024-2025.

In studiejaar 2024-2025 moest gemiddeld veertig procent van alle eerstejaars nog aan de toelatingseisen voldoen.

Maar achter die positieve hoofdconclusie gaat een veel problematischer beeld schuil. In studiejaar 2024-2025 moest gemiddeld veertig procent van alle eerstejaars nog aan de toelatingseisen voldoen. In de voltijdpabo ging het om 43 procent, in de deeltijd om 31 procent. Bij mbo’ers betrof het ongeveer de helft van de instroom, bij havisten bijna de helft van de voltijdinstroom. Dat aandeel is de afgelopen jaren bovendien gegroeid, vooral bij havisten.

Die studenten krijgen in het eerste studiejaar een extra opdracht boven op een toch al vol pabo-programma. ResearchNed schrijft dat “bijna alle voorwaardelijk toegelaten studenten” aangeven dat de toelatingseisen hun extra stress bezorgen. Een meerderheid meldt bovendien studievertraging: 71 procent van de mbo’ers en 57 procent van de havisten. Volgens geïnterviewden bij de pabo’s staat ook “het studieplezier van voorwaardelijk toegelaten studenten onder druk” en kan daardoor “de motivatie voor de pabo afnemen”.

Dat geldt met name voor mbo-studenten, die minder gewend zijn aan theoretische toetsen en zelfstudie.

Het rapport noemt vooral de situatie van studenten die nog twee of drie toetsen moeten halen zwaar. In de interviews zeggen pabo’s dat het traject voor hen vaak “erg pittig” is. Dat geldt met name voor mbo-studenten, die volgens geïnterviewden minder gewend zijn aan theoretische toetsen en zelfstudie. Stress en druk kunnen volgens het rapport hoog oplopen doordat het eerste jaar van de pabo zelf al vol is, studenten ook de landelijke reken- en wiskundetoets moeten halen en moeten wennen aan een nieuwe studieomgeving.

Daar komt bij dat de ondersteuning die pabo’s bieden lang niet altijd goed wordt bezocht. De meeste pabo’s bieden extra lessen of begeleidingsuren aan, maar deelname is vrijwillig wanneer studenten kiezen voor de meerkeuzetoetsen. Omdat die uren vaak aan de “randen van de dag” worden ingeroosterd, is de opkomst volgens het rapport soms “heel laag”, tot minder dan tien procent. Dat betekent dat ondersteuning formeel beschikbaar is, maar in de praktijk niet altijd de studenten bereikt die haar nodig hebben.

Voor pabo’s zelf is het experiment eveneens belastend. Zij moeten extra voorlichten, begeleiden, administreren en controleren of studenten tijdig aan de eisen voldoen. ResearchNed schrijft dat het experiment voor pabo’s “veel extra werk” oplevert, vooral door “administratie, interne afstemming, de ondersteuningsprogramma’s en de individuele begeleiding van voorwaardelijk toegelaten studenten”. Ook in 2026 melden pabo’s nog “veranderingen, onduidelijkheden en bijzondere gevallen” die tot extra communicatie en werk leiden.

Pabo’s krijgen geen aanvullende bekostiging

Daarbij speelt financiering een duidelijke rol. Pabo’s krijgen geen aanvullende bekostiging voor de extra ondersteuning. “Pabo’s krijgen hiervoor geen aanvullende bekostiging en moeten de extra uren uit eigen middelen bekostigen”, staat in het rapport. In totaal kan de ondersteuning voor de drie zaakvakken oplopen tot vijftig à tweehonderd docenturen per pabo. Of een instelling een uitgebreid programma of een portfolio-route aanbiedt, hangt mede af van beschikbare capaciteit en middelen.

Dat leidt tot ongelijke uitvoering. Sommige pabo’s bieden studenten de mogelijkheid om via een portfolio aan de toelatingseisen te voldoen, andere doen dat niet. Ongeveer een kwart van de pabo’s biedt die mogelijkheid. De onderzoekers constateren dat afzonderlijke pabo’s “hun eigen pad belopen” en verschillende mogelijkheden bieden op het gebied van ondersteuning en toetsing. Dat is journalistiek relevant omdat het experiment landelijk is, maar de feitelijke kansen en ondersteuning van studenten per instelling kunnen verschillen.

Levende parate kennis

Ook inhoudelijk zijn er zorgen. De toelatingseisen waren oorspronkelijk bedoeld om te zorgen dat studenten al bij de start van de pabo voldoende kennis hadden van de zaakvakken. Daardoor konden pabo’s in hun curriculum meer ruimte maken voor vakdidactiek. Door het experiment beginnen opnieuw veel studenten met kennistekorten. Vakdocenten zien volgens het rapport dat “het gemiddelde kennisniveau bij studenten is gedaald”. Ook plaatsen zij vraagtekens bij de waarde van de toetsen zelf. “Toetskennis” betekent volgens hen nog niet dat een student beschikt over “echt levende, parate kennis”.

De portfolio-route wordt op onderdelen positiever beoordeeld, omdat studenten actiever met de stof werken en de kennis daardoor beter kan beklijven. Tegelijkertijd wijzen vakdocenten op een ander probleem: bij portfolio’s is “onvoldoende geborgd dat alle kennisthema’s voor de zaakvakken aandacht krijgen”. Daardoor zien vakdocenten ook regulier toegelaten mbo’ers “die toch een smalle kennisbasis hebben”.

Meer instroom maar ook meer uitval

Een ander hoog risico betreft de uitval. De meeste geïnterviewden zeggen dat de instroom door het experiment is gestegen, maar dat “het risico op uitval ook is gestegen”. Het eerstejaarsrendement daalde in het eerste experimentjaar bij mbo’ers en havisten met vier tot zeven procentpunten, maar herstelde daarna grotendeels. Toch is het rendement van voorwaardelijk toegelaten studenten duidelijk lager dan dat van regulier toegelaten studenten. Bij voorwaardelijk toegelaten mbo’ers ligt het eerstejaarsrendement 26 tot 29 procentpunt lager dan bij regulier toegelaten mbo’ers; bij havisten is dat verschil 22 tot 26 procentpunt.

De onderzoekers zijn voorzichtig met de duiding daarvan. Volgens geïnterviewden komt uitval niet alleen door de toelatingstoetsen. Studenten die moeite hebben met de toelatingseisen hebben volgens pabo’s vaker ook studie- en motivatieproblemen in het reguliere programma. Toch erkent het rapport dat de extra druk door de toetsen een rol kan spelen bij de beslissing om te stoppen.

Bijzonder gevoelig zijn de studenten die verder wél goed functioneren, maar toch moeten stoppen omdat zij de toelatingseisen niet halen. Die groep is volgens pabo’s klein, “hooguit een handvol” per instelling, maar wordt in het rapport vaak “schrijnend” genoemd. Het gaat om studenten die wel aan de doorstroomnorm naar het tweede jaar voldoen en geschikt lijken voor het leraarschap, maar formeel niet verder mogen.

Motivatie- of studieproblemen

Daar komt een onzekerheid bij die de evaluatie zelf nog niet kan wegnemen. Sommige studenten komen het eerste jaar wel door, maar hebben door de inspanning voor de toelatingstoetsen achterstand opgelopen in het reguliere pabo-programma. ResearchNed schrijft dat “niet uit te sluiten” is dat een deel van deze studenten die achterstand behoudt, motivatie- of studieproblemen krijgt en na het eerste jaar alsnog uitvalt. Dat kon in dit onderzoek nog niet worden onderzocht. Cijfers over diplomarendement zijn pas vanaf september 2026 beschikbaar voor de eerste cohorten.

Een van de hardste conclusies betreft de instroom van studenten met een niet-Europese herkomst. Een doel van het experiment was om te onderzoeken of voorwaardelijke toelating de pabo toegankelijker zou maken voor deze groep. Dat is volgens ResearchNed niet gebeurd. Het rapport noemt het een “belangrijk negatief punt” dat er geen effect zichtbaar is. De relatieve achterstand van de pabo ten opzichte van het overige hbo bleef intact. Aan het slot formuleren de onderzoekers het nog scherper: “Het doel om de pabo toegankelijker te maken voor studenten met een niet Europese herkomst is met het experiment niet bereikt.”

De slotbeschouwing bevat de meest fundamentele kritiek. Volgens ResearchNed valt de huidige situatie “te veel tussen twee andere situaties in”: de situatie van vóór 2015, waarin pabo’s verantwoordelijk waren voor de kennis van de zaakvakken bij al hun studenten, en de situatie tussen 2015 en 2022, waarin studenten die kennis primair vóór de start moesten aantonen. De huidige situatie is volgens het rapport “noch zuiver het een noch zuiver het ander, waarbij wel velen onder grote druk lijken te staan”.

Daarbij wijzen de onderzoekers op “halve keuzes” over verantwoordelijkheid. “Wie is of voelt zich nu echt verantwoordelijk voor het voldoen aan de toelatingseisen voor of in het 1e pabo-jaar; de student of de pabo of de mbo-school of de havo?” Dat is de bestuurlijke kern van het rapport: het experiment vergroot de instroom, maar schuift de verantwoordelijkheid voor tekorten in kennis, begeleiding en motivatie deels door naar een eerste studiejaar dat al onder druk staat.

Alleen met stvige aanpassingen

ResearchNed adviseert daarom het experiment voort te zetten, maar alleen met stevige aanpassingen. De onderzoekers willen simpeler administratie, compensatie voor pabo’s, heldere verantwoordelijkheden, betere voorbereiding van havisten, betere voorselectie en nader onderzoek naar de tegenvallende instroom van studenten met een niet-Europese herkomst. Vooral havisten worden expliciet als probleemgroep benoemd. Zij zijn volgens het rapport “een gegroeid probleem”: ze bereiden zich minder goed voor en moeten vaker in het eerste pabo-jaar nog aan de toelatingseisen voldoen.

Het eindbeeld is daardoor dubbel. Het experiment lijkt de pabo toegankelijker te maken en voorkomt mogelijk dat aspirant-leraren al vóór de poort afhaken. Maar het rapport laat ook zien dat die toegankelijkheid een prijs heeft: extra stress voor studenten, extra werk voor pabo’s, verschillen tussen instellingen, onduidelijke verantwoordelijkheid en een kansengelijkheidsdoel dat niet is gehaald.

Ontdek meer onderwerpen