Primair onderwijs

‘Goede band met leraar vergroot kans dat leerling boven schooladvies uitstijgt’

Wie onderwijssucces alleen afmeet aan cijfers en toetsresultaten, mist een belangrijk deel van het verhaal. Dat liet onderzoeker Lynn van Vugt van Maastricht University zien tijdens het webinar Using data in education van het Leuven Educational Research Institute (LIVO) en het Europese BRIDGE-project. Door gegevens over schoolprestaties naast informatie over onder meer nieuwsgierigheid, probleemoplossend vermogen en sociale relaties te leggen, ontstaat volgens haar een vollediger beeld van de ontwikkeling van leerlingen.
Lynn van Vugt

Wie onderwijssucces alleen afmeet aan cijfers en toetsresultaten, mist een belangrijk deel van het verhaal. Dat liet onderzoeker Lynn van Vugt van Maastricht University zien tijdens het webinar Using data in education van het Leuven Educational Research Institute (LIVO) en het Europese BRIDGE-project. Door gegevens over schoolprestaties naast informatie over onder meer nieuwsgierigheid, probleemoplossend vermogen en sociale relaties te leggen, ontstaat volgens haar een vollediger beeld van de ontwikkeling van leerlingen.

“Bij onderwijssucces denken de meeste mensen aan cijfers, toetsresultaten en onderwijsniveaus”, zei Van Vugt. “Maar onderwijssucces is meer dan alleen kijken naar cognitieve vaardigheden. Het is ook belangrijk om aandacht te hebben voor niet-cognitieve vaardigheden, zoals kritisch denken, probleemoplossend vermogen en nieuwsgierigheid.”

Hoewel scholen en beleidsmakers daar steeds meer oog voor hebben, worden gegevens over beide soorten vaardigheden nog maar zelden samengebracht. Juist die combinatie kan duidelijk maken wat leerlingen tijdens hun schoolloopbaan helpt. “Het kan zijn dat niet-cognitieve vaardigheden belangrijker zijn dan bijvoorbeeld rekenvaardigheden, of dat ze op zijn minst hand in hand gaan. Samen geven ze een vollediger beeld dan toetsscores alleen.” Dat bredere beeld kan volgens Van Vugt de basis vormen voor gerichtere ondersteuning.

Twee gegevensbronnen

Binnen BRIDGE combineren de onderzoekers twee bestaande gegevensbronnen. De eerste is het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO), dat sinds 2016 de ontwikkeling en onderwijsloopbanen van leerlingen volgt. Daarbij wordt zo veel mogelijk gebruikgemaakt van administratieve gegevens bij het CBS. “We wilden scholen en schoolbesturen niet met extra werk belasten en geen vragenlijsten bij hen uitzetten. Met administratieve gegevens wilden we de belasting voor scholen zo klein mogelijk maken en er toch zo veel mogelijk uithalen.”

De longitudinale dataset volgt leerlingen vanaf hun eerste dag in het basisonderwijs tot het einde van het vervolgonderwijs en nog iets daarna. De gegevens gaan onder meer over eindtoetsen, schooladviezen, doublures, onderwijsniveaus, examenuitslagen en uitval. Ook zijn er achtergrondkenmerken beschikbaar, zoals het opleidingsniveau van de ouders, het huishoudinkomen en een migratieachtergrond.

Sinds 2021 verzamelt het NCO daarnaast toetsresultaten uit leerlingvolgsystemen in het basisonderwijs. Scholen moeten daarvoor vrijwillig toestemming geven. Na het sluiten van een overeenkomst hoeft een schoolbestuur jaarlijks alleen in het softwaresysteem toestemming te geven voor de overdracht. Inmiddels doet ongeveer 70 procent van de Nederlandse basisscholen mee. “Ik vind dat al een heel hoog percentage”, aldus Van Vugt.

De tweede bron is de Onderwijsmonitor Limburg (OML), een samenwerking tussen regionale schoolbesturen en Maastricht University. Omdat over niet-cognitieve vaardigheden geen administratieve gegevens bestaan, werkt deze monitor wel met vragenlijsten. Leerlingen beantwoorden vragen over onder meer zelfvertrouwen, motivatie, tevredenheid met school en vrijetijdsbesteding. Ook ouders en, in de kleuterklas en groep 8, leraren vullen vragenlijsten in. Ongeveer 70 tot 75 procent van de Limburgse scholen meldt zich aan; uiteindelijk vult 40 tot 50 procent de vragenlijsten daadwerkelijk in.

Na corona vooral achterstand buiten de kernvakken

In een beleidsnotitie voor BRIDGE vergeleken de onderzoekers drie cohorten: van vóór, tijdens en na de coronaperiode. De toetsresultaten uit het leerlingvolgsysteem en de enquêtegegevens over niet-cognitieve vaardigheden konden vanwege privacyregels niet op leerlingniveau worden gekoppeld. De cohorten zijn daarom naast elkaar gelegd.

Bij rekenen was ook in het cohort na corona nog een daling zichtbaar ten opzichte van de periode ervoor. Bij spelling en lezen was die afname kleiner. Bij de niet-cognitieve vaardigheden bleek het verschil groter. “We zien daar nog veel meer achterstand ten opzichte van de periode vóór covid-19”, zei Van Vugt. “Probleemoplossend vermogen, nieuwsgierigheid en vindingrijkheid lopen zelfs verder achter dan de basisvaardigheid spelling.” Volgens haar volgt daaruit dat het onderwijsherstel zich niet alleen moet richten op de kernvakken, die tijdens de pandemie veel aandacht kregen, maar ook op niet-cognitieve vaardigheden.

Band met de leraar hangt samen met schoolniveau

Een tweede onderzoek ging over het Nederlandse schooladvies. Leerlingen krijgen aan het einde van de basisschool een advies voor het voortgezet onderwijs. Valt de toets hoger uit, dan moet de leraar het advies opnieuw bekijken; bij een lagere uitkomst mag het advies niet naar beneden worden bijgesteld. Drie jaar later zit ongeveer 40 procent van de leerlingen niet meer op het oorspronkelijk geadviseerde niveau.

Door gegevens uit het NCO en de OML te combineren, onderzochten de onderzoekers of sociale relaties daarmee samenhangen. Een betere relatie met klasgenoten hing samen met een grotere kans om boven het geadviseerde niveau uit te komen, maar niet met een kleinere kans om eronder te belanden. Bij de band met leraren was de samenhang aan beide kanten zichtbaar. “Een betere relatie met leraren verkleint de kans dat een leerling onder het in groep 8 geadviseerde niveau terechtkomt en vergroot de kans dat die leerling erboven uitkomt.” Sterke sociale relaties in het voortgezet onderwijs, vooral met leraren, verdienen volgens Van Vugt daarom aandacht “als hefboom voor de schoolloopbaan van leerlingen”.

Van cijfers naar handelen

Tijdens de vragenronde vertelde Van Vugt over een school die problemen met leesvaardigheid zag. Uit de schoolrapportages van de Onderwijsmonitor bleek dat ook rekenen achterbleef en dat er mogelijk een verband was met een zwak ontwikkelde niet-cognitieve vaardigheid. Welke vaardigheid dat precies was, wist zij tijdens het webinar niet meer zeker. “Scholen worden vaak overweldigd door alle data. Maar als je hen helpt en de gegevens samenbrengt, zien ze wat die voor hen kunnen betekenen. Dan wordt het ook belangrijker om ze te gebruiken.”

De Onderwijsmonitor biedt daarom workshops aan. In de ene leren schoolbesturen, directeuren en kwaliteitsmedewerkers de cijfers in de rapportages lezen en combineren. In de andere staat de stap van data naar informatie en handelen centraal. “Scholen ontdekken bijvoorbeeld: we hebben een probleem met rekenen. Maar wat is dan de volgende stap? Juist dat is voor scholen vaak moeilijk.”

Ook Evelyn Goffin van KU Leuven waarschuwde dat gegevens geen doel op zichzelf zijn. “We nemen in het onderwijs iedere dag beslissingen. Data kunnen daarbij een hulpmiddel zijn, maar het moet niet andersom worden.” Het gaat volgens haar niet om zo veel mogelijk datagebruik, maar om de vraag hoe onderwijsprofessionals beslissingen nemen en welke informatie hen daarbij helpt.

Ontdek meer onderwerpen