In een nieuwe preprint beschrijven Jellie Sierksma en Eddie Brummelman een theoretisch model dat moet verklaren waarom niveaugroepering juist voor leerlingen uit achtergestelde groepen geregeld ongunstig uitpakt, terwijl differentiatie bedoeld is om onderwijs beter af te stemmen op verschillen tussen leerlingen. Volgens de auteurs bieden bestaande verklaringen daarvoor tot nu toe slechts een deel van het antwoord.
Het effect op het zelfbeeld van leerlingen
Sommige studies kijken vooral naar het effect op het zelfbeeld van leerlingen, andere naar de rol van leraren, maar een samenhangend model ontbrak volgens hen tot nu toe. Dat gat proberen zij te vullen met wat zij het Essentialism Model of Ability Grouping noemen.
Centraal daarin staat essentialisme: de neiging om groepen te zien als dragers van een vaste, onderliggende kern. Wie in zo’n denkkader naar niveaugroepen kijkt, gaat bekwaamheid sneller opvatten als iets stabiels, intern bepaald en moeilijk veranderbaar. De auteurs bouwen daarvoor voort op eerder onderzoek waaruit blijkt dat essentialistisch denken al vroeg in de ontwikkeling ontstaat. Zij passen dat inzicht vervolgens toe op de manier waarop scholen leerlingen indelen op verondersteld niveau.
In het model beschrijven Sierksma en Brummelman drie omstandigheden die essentialistisch denken in school versterken. De eerste is fysieke scheiding. Wanneer leerlingen van verschillende niveaus apart zitten, in andere lokalen les krijgen of zelfs in verschillende gebouwen worden ondergebracht, worden groepsgrenzen zichtbaarder en scherper.
Prestaties sneller toeschrijven aan aangeboren talent
De tweede is het gebruik van labels, zoals kleuren, dierennamen of andere benamingen voor groepen. Zulke labels kunnen ertoe leiden dat kinderen prestaties sneller toeschrijven aan aangeboren talent. De derde factor is competitie. Zodra verschillen tussen groepen nadrukkelijk zichtbaar en vergelijkbaar worden gemaakt, groeit volgens het model het idee dat groepslidmaatschap vastligt.
Vervolgens werken de auteurs drie paden uit waarlangs dat essentialisme de ongelijkheid kan vergroten. Het eerste is het intrapersoonlijke pad. Leerlingen in lagere niveaugroepen kunnen hun plaats dan gaan zien als iets blijvends, met gevolgen voor hun motivatie en zelfbeeld.
Kinderen in lage groepen hebben gevoelens van schaamte en machteloosheid
De auteurs verwijzen naar eerder onderzoek waarin kinderen in lage groepen gevoelens van schaamte en machteloosheid rapporteren, terwijl leerlingen in hoge groepen juist vaker trots uiten. Omdat kinderen uit achtergestelde milieus vaker in lage groepen terechtkomen, zijn zij volgens het model extra kwetsbaar voor dit mechanisme.
Het tweede pad loopt via klasgenoten. Niveaugroepen kunnen stereotypering en uitsluiting versterken. Leerlingen in lagere groepen worden door andere kinderen sneller als minder competent gezien, en onderzoek waarnaar de auteurs verwijzen laat zien dat veel kinderen liever geen vrienden zijn met leeftijdgenoten uit zulke groepen. Volgens de auteurs kan dat extra zwaar uitpakken voor kinderen uit achtergestelde milieus, omdat zij al vaker met stigma, uitsluiting of pesten te maken krijgen. Niveaugroepering kan dat bestaande patroon dan verder aanscherpen.
Het derde pad betreft de leerkracht. Leraren die met niveaugroepen werken, kunnen bekwaamheid zelf ook sneller als vaststaand gaan zien. Volgens het model kan dat ertoe leiden dat zij minder oog hebben voor vooruitgang van leerlingen en hen minder ruimte geven om zelf tot oplossingen te komen.
Signaal van lage verwachtingen
De auteurs verwijzen ook hier naar bestaand onderzoek waaruit blijkt dat overstappen tussen groepen in de praktijk zelden gebeurt, ook al zou dat in theorie wel kunnen. Bovendien kan overdreven lof door leerlingen worden opgevat als een signaal van lage verwachtingen.
Op basis van dit model doen Sierksma en Brummelman enkele voorstellen om niveaugroepering minder schadelijk in te richten. Zij noemen onder meer meer heterogene groepen en meer contact tussen leerlingen van verschillende niveaus, bijvoorbeeld via samenwerkingstaken.
Ook kan het helpen als leerlingen vaker van groep kunnen wisselen en als scholen die mogelijkheid nadrukkelijker zichtbaar maken. Daarnaast adviseren de auteurs om groepslabels en generieke taal zoveel mogelijk te vermijden, verschillen in leermateriaal minder zichtbaar te maken, onderlinge vergelijking te beperken en sterker te sturen op vergelijking met de eigen voortgang in de tijd.
De voorstellen moeten nog wel getoetst worden
Ook onderwijs over essentialisme zelf en over structurele oorzaken van prestatieverschillen kan volgens hen bijdragen aan minder star denken over niveauverschillen. De auteurs benadrukken wel dat deze voorstellen nog empirisch getoetst moeten worden.
De auteurs sluiten daarom af met een onderzoeksagenda. Voor elk onderdeel van hun model bestaat volgens hen al steun in bestaand onderzoek, maar causaal bewijs uit echte klaslokalen ontbreekt nog. Zij pleiten voor studies die experimenten, longitudinaal onderzoek en kwalitatieve methoden combineren om beter vast te stellen hoe niveaugroepering essentialistisch denken oproept en hoe dat op langere termijn doorwerkt in de ontwikkeling van leerlingen.
Het artikel verscheen als preprint en is dus nog niet peer reviewed.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen en schoolleiders laat deze preprint zien dat niveaugroepering niet alleen gevolgen kan hebben voor leerprestaties, maar ook voor de manier waarop leerlingen en leraren over niveauverschillen gaan denken. Vooral zichtbare, vaste en concurrerende groepsindelingen kunnen dat versterken.
Voor leraren is vooral relevant dat fysieke scheiding, groepslabels en voortdurende vergelijking tussen groepen volgens het model essentialistisch denken kunnen voeden. De auteurs noemen als mogelijke alternatieven meer heterogene groepsvorming, minder zichtbare differentiatie en meer nadruk op individuele vooruitgang.
Voor beleid en onderzoek is van belang dat dit om een theoretisch model gaat, niet om een al getoetste interventiestudie. De voorgestelde routes om niveaugroepering minder schadelijk te maken moeten volgens de auteurs nog in echte klaslokalen empirisch worden onderzocht.
Voor beleid en onderzoek is van belang dat dit om een theoretisch model gaat, niet om een al getoetste interventiestudie. De voorgestelde routes om niveaugroepering minder schadelijk te maken moeten volgens de auteurs nog in echte klaslokalen empirisch worden onderzocht.