In dezelfde periode bleef de ervaren autonomie van leerlingen onveranderd. Die daling in vertrouwen is zichtbaar bij alle onderwijstypen en in alle regio’s van de provincie. Meisjes ervaren bovendien structureel minder autonomie dan jongens, en dat verschil verandert niet over de jaren.
Dat blijkt uit een factsheet van de OnderwijsMonitor Limburg (OML), die deze week is gepubliceerd door onderzoekers Èvi Kikken, Mélanie Monfrance en Lynn van Vugt van Maastricht University. De monitor volgt het welbevinden en de ontwikkeling van leerlingen in het Limburgse voortgezet onderwijs.
Leerlingen met meer vertrouwen in instituties vallen minder vaak uit
Vertrouwen en autonomie worden daarin meegenomen omdat ze worden gezien als basisvoorwaarden voor leren. Leerlingen met meer vertrouwen in instituties vallen minder vaak uit, vertonen minder probleemgedrag en presteren beter op school. Autonomie, het vermogen om bewust en doelgericht invloed uit te oefenen op het eigen handelen, hangt samen met intrinsieke motivatie.
De gegevens zijn gebaseerd op zelfrapportage van leerlingen. Vertrouwen wordt sinds 2020 gemeten en autonomie sinds 2022. Leerlingen gaven voor vertrouwen hun oordeel over andere mensen, de politie, de overheid en scholen, op een schaal van één tot vijf. Voor autonomie beantwoordden zij stellingen over onder meer zelfcontrole, initiatief en verantwoordelijkheidsgevoel. De antwoorden zijn per thema samengevoegd tot een index. In totaal zijn gegevens beschikbaar van ruim 32.000 leerlingen uit vijf Limburgse regio’s.
In 2024 zet die daling door
De daling in vertrouwen is de meest opvallende uitkomst. Tussen 2020 en 2022 was al sprake van een significante afname, en in 2024 zet die daling door. Ongeveer 40 procent van de leerlingen geeft aan weinig vertrouwen te hebben in de overheid en ongeveer een kwart heeft weinig vertrouwen in de politie. Vwo-leerlingen rapporteren in alle jaren het meeste vertrouwen, gevolgd door havo en vmbo, maar binnen elk onderwijstype neemt het vertrouwen af.
Tussen jongens en meisjes zijn geen verschillen in vertrouwen. Beide groepen laten vanaf 2022 een vergelijkbare daling zien. In 2020 hadden leerlingen met maximaal mbo-opgeleide ouders nog minder vertrouwen dan leerlingen met wo-opgeleide ouders, maar dat verschil is in 2022 verdwenen. Dat komt doordat het vertrouwen onder alle leerlingen is gedaald.
Regionale verschillen zijn beperkt. Leerlingen in Noord-Limburg hebben in 2020 en 2024 meer vertrouwen dan leerlingen in Parkstad. In Noord- en Midden-Limburg en in Sittard-Geleen daalt het vertrouwen elk meetjaar. In Maastricht-Heuvelland en Parkstad treedt de daling alleen op tussen 2020 en 2022, waarna het niveau in 2024 ongeveer gelijk blijft.
Vwo-leerlingen ervaren de meeste autonomie
De ervaren autonomie verandert niet tussen 2022 en 2024. Ook regionaal zijn er geen verschillen. Wel bestaan er duidelijke verschillen tussen groepen leerlingen. Vwo-leerlingen ervaren de meeste autonomie, gevolgd door havo en vmbo. Jongens rapporteren in beide jaren meer autonomie dan meisjes, zonder dat dit verschil kleiner of groter wordt.
In 2022 zijn er geen verschillen naar opleidingsniveau van ouders, maar in 2024 ervaren leerlingen met hbo-opgeleide ouders meer autonomie dan leerlingen met maximaal mbo-opgeleide ouders.
Consistente en transparante schoolcultuur
De factsheet benoemt ook factoren die samenhangen met vertrouwen en autonomie in de schoolpraktijk. Voor vertrouwen wordt gewezen op het belang van een consistente en transparante schoolcultuur, waarin leraren en schoolleiders handelen in lijn met gedeelde afspraken en verwachtingen.
Dat draagt bij aan een gevoel van veiligheid en voorspelbaarheid bij leerlingen. Daarnaast worden samenwerking met ouders en een positief leerklimaat genoemd als factoren die vertrouwen kunnen versterken. Voor autonomie geldt dat leerlingen gebaat zijn bij actieve betrokkenheid bij hun leerproces en ruimte voor eigen keuzes, bijvoorbeeld via reflectie, voorbeeldgedrag van de leraar en samenwerkend leren. Tegelijk is structuur van belang, omdat executieve functies bij adolescenten nog in ontwikkeling zijn.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor scholen en schoolleiders laat dit onderzoek zien dat vertrouwen van leerlingen samenhangt met een consistente en voorspelbare schoolcultuur. Wanneer afspraken, waarden en verwachtingen zichtbaar worden nageleefd, draagt dat bij aan een gevoel van veiligheid en betrouwbaarheid bij leerlingen.
Voor leraren blijkt dat autonomie kan worden ondersteund door leerlingen actief te betrekken bij hun leerproces. Werkvormen waarin leerlingen reflecteren, keuzes maken en samenwerken, zoals peer tutoring, dragen bij aan het ontwikkelen van zelfsturing.
Voor de onderwijspraktijk als geheel maken de resultaten duidelijk dat autonomie en structuur samen moeten worden ontwikkeld. Leerlingen hebben behoefte aan duidelijke kaders en voorspelbaarheid, waarbinnen zij geleidelijk meer verantwoordelijkheid kunnen nemen en hun eigen handelen leren sturen.
Bron: Kikken, È., Monfrance, M. & Van Vugt, L. (2026). Vertrouwen en autonomie onder Limburgse middelbare scholieren, OnderwijsMonitor Limburg.