Voortgezet onderwijs

Kinderen fietsen minder naar school, en dat ligt vooral aan hun omgeving

Kinderen fietsen minder vaak naar school dan voor de coronapandemie, en dat is een probleem voor hun dagelijkse beweging. Nieuw onderzoek laat zien waar de sleutel ligt om dat gedrag te veranderen: niet in betere fietspaden of vaardigheidstraining, maar vooral in de sociale omgeving van het kind.

Ouders en leeftijdsgenoten bepalen in belangrijke mate of een kind op de fiets stapt. Daarmee verschuift de focus voor beleid en scholen van infrastructuur naar beïnvloeding van gedrag in en rond het gezin.

Dat blijkt uit onderzoek van Sanne Veldman, Marthe Westerbroek en Amika Singh van het Mulier Instituut, gebaseerd op een enquête onder 878 Nederlandse ouders van kinderen tussen de vier en twaalf jaar. Na selectie van de relevante groep bleven 630 ouders over voor analyse. De onderzoekers gebruikten het zogeheten COM-B-model om te analyseren welke factoren samenhangen met fietsgedrag.

Plezier in fietsen

Dit model onderscheidt drie elementen: vaardigheden van het kind, zoals kunnen fietsen en verkeersregels kennen; de omgeving, zoals afstand tot school, aanwezigheid van andere fietsende kinderen en praktische omstandigheden thuis; en motivatie, zoals plezier in fietsen of het belang dat ouders eraan hechten. Volgens het model ontstaat gedrag uit de combinatie van deze drie factoren, en niet uit één afzonderlijke oorzaak.

De aanleiding voor het onderzoek ligt in een duidelijke trendbreuk. Hoewel fietsen diep verankerd is in de Nederlandse dagelijkse routine, is het aantal fietsritten naar school afgenomen: van gemiddeld 0,62 ritten per dag in 2019 naar 0,53 in 2023. Juist omdat fietsen een laagdrempelige manier is om dagelijkse beweging in te bouwen, wordt die daling gezien als relevant voor de fysieke activiteit van kinderen.

Verschillen tussen jongens en meisjes zijn er niet

Uit de gegevens blijkt dat 64 procent van de kinderen minstens één dag per week naar school fietst. Bij oudere basisschoolleerlingen ligt dat aandeel hoger. Verschillen tussen jongens en meisjes zijn er niet, en ook het opleidingsniveau van ouders en de mate van verstedelijking hangen niet samen met het fietsgedrag.

De sterkste verbanden liggen niet bij individuele vaardigheden of infrastructuur, maar bij sociale factoren. Ouderlijke aanmoediging hangt het sterkst samen met fietsen naar school. Kinderen van wie ouders hen stimuleren, fietsen aanzienlijk vaker. Ook het gedrag van leeftijdsgenoten speelt een rol: als andere kinderen fietsen, neemt de kans toe dat een kind dat ook doet.

Tegelijkertijd laten praktische omstandigheden zien waar het gedrag juist stokt. Wanneer ouders jongere broertjes of zusjes moeten meenemen, daalt de kans dat een kind fietst. Ook de perceptie dat de afstand te groot is, hangt samen met minder fietsen. In het gecombineerde model verklaren deze factoren samen ruim de helft van de verschillen in fietsgedrag.

Opvallend is dat factoren die vaak als bepalend worden gezien, in deze studie minder gewicht hebben. Verkeersdrukte, snelheid van auto’s en de aanwezigheid van fietspaden blijken niet zelfstandig samen te hangen met fietsen naar school wanneer andere factoren worden meegenomen. De onderzoekers plaatsen dat in de Nederlandse context, waarin fietsinfrastructuur al breed aanwezig is en daardoor minder onderscheidend wordt.

Grote meerderheid van de ouders vindt fietsen belangrijk

Motivatie speelt wel een rol, maar komt minder scherp naar voren in de statistische modellen. Descriptieve gegevens laten zien dat een grote meerderheid van de ouders fietsen belangrijk vindt voor de gezondheid van hun kind, en dat meer dan de helft aangeeft dat hun kind ook bij slecht weer blijft fietsen. Tegelijkertijd geeft een aanzienlijk deel van de ouders aan dat hun kind vaker zou mogen fietsen.

De onderzoekers concluderen dat fietsgedrag niet door één factor wordt bepaald, maar ontstaat uit de samenhang tussen vaardigheden, omgeving en motivatie. Binnen die samenhang nemen ouders een centrale positie in. Zij beïnvloeden niet alleen of kinderen worden aangemoedigd, maar ook hoe zij afstand, veiligheid en praktische haalbaarheid ervaren.

Sociale en huishoudelijke context zijn belangrijk

Daarmee verschuift ook het aangrijpingspunt voor interventies. Initiatieven die zich uitsluitend richten op het verbeteren van fietsvaardigheden zijn volgens de onderzoekers waarschijnlijk onvoldoende om gedrag duurzaam te veranderen. In eerder onderzoek is al gevonden dat dergelijke interventies weinig effect hebben op de lange termijn. Effectievere benaderingen zullen volgens de auteurs rekening moeten houden met de sociale en huishoudelijke context waarin keuzes over vervoer naar school worden gemaakt.

Voor vervolgonderzoek pleiten de auteurs daarom voor een systeemperspectief, waarin de onderlinge samenhang tussen factoren centraal staat. Alleen door die interacties beter te begrijpen, kunnen gerichte en contextgevoelige interventies worden ontwikkeld die het fietsen naar school daadwerkelijk stimuleren.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen betekent dit dat het stimuleren van fietsen naar school niet alleen een kwestie is van voorzieningen, maar ook van sociale beïnvloeding. Initiatieven die ouders betrekken of inspelen op groepsgedrag onder leerlingen sluiten beter aan bij de factoren die samenhangen met fietsgedrag.

Voor ouders laat het onderzoek zien dat hun eigen houding en gedrag direct samenhangen met het fietsgedrag van hun kind. Aanmoediging en praktische keuzes, zoals het al dan niet combineren van schoolritten met jongere kinderen, spelen een belangrijke rol.

Voor beleid maken de resultaten duidelijk dat investeringen in infrastructuur alleen niet voldoende zijn in een context waar die al goed ontwikkeld is. Maatregelen die zich richten op sociale normen en dagelijkse routines, bijvoorbeeld via campagnes of schoolgerichte programma’s, sluiten beter aan bij de factoren die volgens dit onderzoek samenhangen met fietsen naar school.

Bron: Veldman, S. L. C., Westerbroek, M. & Singh, A. S. (2026). Understanding cycling to school behaviour in Dutch primary school-aged children, Transportation Research Interdisciplinary Perspectives. DOI: https://doi.org/10.1016/j.trip.2026.101998