Haar onderzoek kan scholen en ouders meer taal geven om daarover met jongeren in gesprek te gaan, zonder van docenten psychologen te maken. Want het geweten is volgens Tiemersma geen vaststaand kenmerk, maar een dynamische functie die zich tijdens de adolescentie nog volop ontwikkelt.
De moord op een klasgenoot in de Netflix-serie Adolescence roept vragen op over het geweten van de dertienjarige dader, maar net zo goed over de omgeving waarin jongeren hun moreel kompas vormen. Klinisch psycholoog Julia Tiemersma promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam op het functioneren van dat geweten. Haar conclusie: het geweten is geen vaststaand kenmerk, maar een functie die zich in de adolescentie nog volop ontwikkelt. Scholen kunnen daarover het gesprek helpen voeren, al moeten docenten volgens haar niet tot psycholoog worden gemaakt.
De wereld rond een jongere
Tiemersma opende haar lekenpraatje met een vraag aan de zaal: wie had de serie gezien? Daarin is al snel duidelijk dat de dertienjarige Jamie een klasgenote heeft vermoord, waarmee de vraag verschuift naar waarom het zover kwam.
Zijn omgeving komt daarbij nadrukkelijk in beeld. “We zien zijn school, zijn vrienden. We kijken naar wat het voor hem betekent om een jongen te zijn, naar afwijzing, status en sociale media”, vertelde Tiemersma. Die ervaringen raken volgens haar aan de centrale ontwikkelingstaak van de adolescentie: de vorming van identiteit en zelfwaardering.
Niet alleen naar de daad kijken
Wie alleen naar de ernst van die daad kijkt, concludeert al snel dat Jamie geen geweten heeft. Daartegen verzet Tiemersma zich. “Dat er een verschrikkelijke daad is begaan, zegt nog niets over hoe zijn geweten functioneert”, benadrukte zij. “Bij ernstig gedrag gebeurt het namelijk dat onze boosheid en angst ervoor zorgen dat we het kind achter de dader uit het oog verliezen.”
Haar model onderscheidt drie samenhangende aspecten: empathie, zelfbewuste emoties en moreel redeneren. Zakt het zelfgevoel te ver weg, dan is correctie nodig, en die kan net zo goed uit ontkenning of agressie bestaan als uit verantwoordelijkheid nemen. “Gedrag dat op het eerste gezicht gewetenloos lijkt, kan daardoor samenhangen met de manier waarop een jongere probeert om te gaan met een zelfgevoel dat bedreigd wordt”, legde zij uit.
Houvast voor de praktijk en de opleidingen
Om het geweten systematischer te beoordelen ontwikkelde Tiemersma de Clinical Assessment of Conscience (CAC), bedoeld voor onder meer de forensische jeugd-ggz en pro Justitia-rapporteurs. Tot dusver waren professionals aangewezen op ervaringskennis of losse vragenlijsten. Het moet hen nieuwsgierig houden naar de jongere achter het gedrag.
Het verandert ook hun blik: na een of twee toepassingen hadden professionals die drie aspecten al in hun hoofd. “Dan heb ik niet eens meer het instrument nodig op het moment dat ik een jongere tegenover me heb.”
UvA-hoogleraar EvA Mulder vroeg of dat gevolgen moet hebben voor de opleidingen: pedagogiek, psychologie en forensische vakgebieden, maar ook de opleiding tot gz- of klinisch psycholoog. Tiemersma is daar inmiddels uitgenodigd om te komen vertellen. “Ik merk dat vanuit het veld geïnteresseerd wordt gekeken naar dit onderzoek. De klinische praktijk zit ook verlegen om zo’n instrument dat meer houvast geeft.”
Gewetensontwikkeling als onderwerp op school
UvA-Hoogleraar Levi van Dam bracht de schoolvraag scherp aan de orde: nu correctie en confrontatie ook online plaatsvinden, hoort onderwijs over gewetensontwikkeling dan niet op elke school thuis? Daarover was in het project al gesproken, zei Tiemersma. “We hebben zelfs in ons project gefantaseerd over hoe dit ook zou zijn op middelbare scholen: om te praten over hoe dat zit met het geweten, wat dat betekent en hoe het zit met empathie.”
Op school spelen empathie, schaamte, schuld en morele afwegingen voortdurend mee, maar zelden komen ze er rechtstreeks ter sprake. “Het gaat inderdaad weinig over dit soort onderwerpen op school, terwijl het ondertussen wel de hele tijd aan de orde is. Ik zou ouders en ook onderwijsgevend personeel gunnen om hier meer taal voor te krijgen, om hierover gemakkelijker in gesprek te gaan.”
Tegelijk plaatste zij een kanttekening: docenten hebben al veel op hun bord en krijgen de lesstof soms al nauwelijks behandeld. “Ook moeten we oppassen dat we het niet psychologiseren, dat de docenten dan allemaal mentoren worden en allemaal heel goed op de hoogte moeten zijn van wat er met die leerlingen aan de hand is”, waarschuwde zij. Een nieuw verplicht vak bepleitte zij dus niet, wel een gedeelde taal voor ouders, docenten en jongeren.
De serie toont volgens haar wat een school doet die vooral op controle stuurt. “Daar schrik je wel van. Ik denk dat het bij onze scholen nog niet zover is. Maar het zit meer in de controle, iedereen moest in rijtjes staan en het werd bijna een soort legerachtige aanpak, zonder veel oog voor de persoon achter de leerling.”
Een momentopname in ontwikkeling
Ook met een instrument blijft zo’n beoordeling een momentopname. “Het is ook nog eens sterk situationeel gebonden”, zei zij: een jongere gedraagt zich thuis anders dan op straat of online. Daarom telt ook wat ouders en vertrouwde anderen zien.
Bij jongeren uit de ggz en justitiële instellingen vond Tiemersma onderbouwing voor de kwaliteit van de CAC, al liet empathie zich lastiger vangen. Vooral emotionele verwaarlozing in de vroege jeugd hing samen met een minder goede samenwerking tussen de aspecten van het geweten.
De ontwikkeling is niet afgerond, maar het onderzoek maakt al duidelijk dat de gebruikelijke vraag tekortschiet. “Het geweten is geen vaststaand kenmerk, niet iets wat je hebt of niet hebt, maar een dynamische functie die zich tijdens de adolescentie nog volop ontwikkelt en afhankelijk is van verschillende situaties.” De vraag is dus niet of deze jongen een geweten heeft. “Hoe functioneert het geweten van deze jongen?”