Primair onderwijs

Meer segregatie tussen scholen hangt samen met meer pesten

Onderzoekers Armen Torchyan, Inge Houkes en Hans Bosma van Maastricht University hebben samen met onderzoekers van King Saud University in Riyad ontekt dat scholieren vaker met pesten te maken hebben naarmate leerlingen uit armere en welvarendere gezinnen sterker over verschillende scholen zijn verdeeld. Zowel zelf pesten als slachtoffer worden kwam vaker voor in landen en regio’s met meer sociaaleconomische scheiding tussen scholen. Deze samenhang werd gevonden bij leerlingen uit alle inkomensgroepen en was dus niet beperkt tot jongeren uit minder welvarende gezinnen.

De onderzoekers bekeken of sociaaleconomische verschillen tussen scholen binnen een land samenhangen met pesten onder scholieren. Uit eerder onderzoek was al bekend dat de mate van pesten sterk verschilt tussen landen en dat omstandigheden binnen scholen en onderwijssystemen daarbij een rol kunnen spelen.

Onderwijssystemen bepalen voor een belangrijk deel met wie leerlingen dagelijks omgaan. De onderzoekers wilden daarom weten of de verdeling van leerlingen uit verschillende sociaaleconomische groepen over scholen samenhangt met het plegen en ondergaan van pesten.

Gegevens van ruim 100.000 leerlingen

Voor het onderzoek werden gegevens gebruikt van 101.287 leerlingen van 11 tot en met 15 jaar uit 4.136 scholen in 21 landen en regio’s in Europa en Canada. De gegevens kwamen uit de Health Behaviour in School-aged Children-studie van 2017-2018, een internationaal onderzoek dat wordt uitgevoerd in samenwerking met de Wereldgezondheidsorganisatie.

De leerlingen vulden in de klas zelf een vragenlijst in. Daarin gaven zij aan hoe vaak zij in de afgelopen maanden anderen hadden gepest en hoe vaak zij zelf waren gepest. De onderzoekers rekenden iemand tot de groep die regelmatig pestte of werd gepest als dit minstens twee tot drie keer per maand gebeurde.

De sociaaleconomische positie van gezinnen werd bepaald met vragen over onder meer auto’s, computers, badkamers, een eigen slaapkamer, een vaatwasser en buitenlandse vakanties. Op basis daarvan werden leerlingen per land ingedeeld in een lage, middelste of hoge sociaaleconomische groep.

Scheiding tussen scholen berekend

Per land berekenden de onderzoekers hoe ongelijk leerlingen uit de onderste en bovenste helft van de sociaaleconomische verdeling over scholen waren verspreid. Daarvoor gebruikten zij een gecorrigeerde versie van de Duncan-dissimilariteitsindex.

Een waarde van 30 procent betekent bijvoorbeeld dat 30 procent van de leerlingen uit een van beide sociaaleconomische groepen naar een andere school zou moeten gaan om iedere school een afspiegeling van de landelijke verdeling te laten zijn. De berekening werd gecorrigeerd voor vertekening die kan ontstaan wanneer per school relatief weinig leerlingen aan een steekproef deelnemen.

Met statistische modellen onderzochten de wetenschappers vervolgens de samenhang met pesten. Daarbij hielden zij rekening met leeftijd, geslacht en de sociaaleconomische positie van het gezin, evenals met het bruto binnenlands product en de inkomensongelijkheid van het land. De uiteindelijke modellen omvatten 90.946 leerlingen voor zelf pesten en 91.043 leerlingen voor slachtoffer worden.

Gemiddeld gaf 3,2 procent van de leerlingen aan minstens twee tot drie keer per maand anderen te pesten. Van de leerlingen meldde 8,8 procent dat zij zelf zo vaak werden gepest. De sociaaleconomische scheiding tussen scholen verschilde sterk. De gecorrigeerde index liep uiteen van 5,7 procent in Portugal tot 30,1 procent in Canada. Het gemiddelde van de onderzochte landen en regio’s bedroeg 13,8 procent.

Ieder procentpunt meer scheiding hing samen met 5 procent hogere odds op zelf pesten en 6 procent hogere odds op slachtoffer worden. De oddsratio bedroeg respectievelijk 1,05 en 1,06. Bij een verschil van 10 procentpunten komt dit neer op ongeveer 63 procent hogere odds op zelf pesten en 79 procent hogere odds op slachtoffer worden. Deze percentages hebben betrekking op de verhouding tussen het wel en niet voorkomen van pesten en zijn geen stijgingen van de absolute percentages met 63 en 79 procentpunt.

Na toevoeging van de scheidingsindex aan de modellen nam de geschatte variatie tussen landen met 49,6 procent af voor zelf pesten en met 56,3 procent voor slachtoffer worden. De onderzoekers benadrukken dat zowel de omvang van de samenhang als de absolute verschillen tussen landen bescheiden waren.

Voor het bruto binnenlands product en de landelijke inkomensongelijkheid werd geen statistisch significante samenhang met pesten gevonden. Ook verschilde de samenhang tussen de scheiding van scholen en pesten niet significant tussen leerlingen met een lage, middelste of hoge sociaaleconomische positie. Analyses waarbij telkens één land of regio werd weggelaten, leverden vergelijkbare resultaten op.

Samenhang over de volle breedte

Volgens de onderzoekers is sociaaleconomische scheiding tussen scholen een contextuele factor die samenhangt met pesten onder adolescenten. Omdat deze samenhang in alle sociaaleconomische groepen werd gevonden, stellen zij dat maatregelen tegen pesten naast gerichte ondersteuning van minder bevoorrechte groepen ook universeel en structureel van aard zouden moeten zijn.

Als mogelijke beleidsrichtingen noemen zij het aanpassen van schoolgrenzen, het reguleren van schoolkeuze, gelijke toelatingspraktijken, het beperken van vroege selectie en het makkelijker maken om tussen onderwijsniveaus of -richtingen over te stappen.

Beperkingen van het onderzoek

Pesten werd gemeten via zelfrapportage. Daardoor kan vooral het zelf pesten zijn ondergerapporteerd. De gegevens maakten bovendien niet duidelijk wat de sociaaleconomische positie van de dader en het slachtoffer binnen afzonderlijke pestincidenten was. Ook is niet onderzocht of de samenhang verschilde naar de sociaaleconomische samenstelling van afzonderlijke scholen.

Factoren zoals woonsegregatie, regionale inkomensverschillen, selectieve toelating en indeling naar schoolprestaties konden niet volledig worden meegenomen. Daarnaast kon de studie geen sociaaleconomische scheiding binnen scholen, bijvoorbeeld tussen klassen of onderwijsniveaus, in kaart brengen. Omdat alleen hoge-inkomenslanden werden onderzocht, zijn de bevindingen mogelijk niet toepasbaar op landen met lage of middelhoge inkomens.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor onderwijsbeleidsmakers wijzen de resultaten op een samenhang tussen de verdeling van leerlingen over scholen en pesten. De onderzoekers noemen aanpassing van schoolgrenzen, regulering van schoolkeuze, gelijke toelatingspraktijken, beperking van vroege selectie en betere overstapmogelijkheden tussen onderwijsniveaus als mogelijke structurele maatregelen.

Voor scholen en professionals die pesten tegengaan is relevant dat de samenhang niet beperkt bleef tot leerlingen uit minder welvarende gezinnen. Volgens de onderzoekers zouden maatregelen daarom niet uitsluitend op sociaaleconomisch kwetsbare groepen moeten zijn gericht, maar ook alle leerlingen moeten omvatten.

Voor de beoordeling van mogelijke maatregelen is voorzichtigheid nodig. De studie toont een bescheiden samenhang en stelt niet vast dat een andere verdeling van leerlingen over scholen pesten daadwerkelijk vermindert. Ook konden woonsegregatie, schoolselectie en verschillen binnen scholen niet volledig worden onderzocht.

Bron: Torchyan, A.A., Houkes, I., Papikyan, S.L., Baghdadi, L.R. & Bosma, H. (2026). Between-school socioeconomic segregation and adolescent bullying: a cross-national multilevel study, Social Science & Medicine, 119729. DOI: https://doi.org/10.1016/j.socscimed.2026.119729

Ontdek meer onderwerpen