De onderzoekers bestudeerden de relatie tussen vaderafwezigheid, de kwaliteit van de vader-kindrelatie en schooluitkomsten bij jongvolwassenen op Curaçao en in Nederland. Onder vaderafwezigheid verstaan zij het ontbreken van de biologische vader in het huishouden tussen de geboorte en het vijftiende levensjaar, bijvoorbeeld na een relatiebreuk zonder co-ouderschap.
Schoolbetrokkenheid ging in de studie over de mate waarin jongeren zich gedragsmatig en emotioneel verbonden voelen met school en leeractiviteiten. De onderzoekers onderscheidden gedragsmatige en emotionele betrokkenheid, maar ook gedragsmatige en emotionele onbetrokkenheid. Daarnaast keken zij naar het gevolgde onderwijsniveau en naar verzuim door ziekte en spijbelen.
Vaderafwezigheid in beide landen in een andere context
De vergelijking tussen Curaçao en Nederland was volgens de auteurs relevant omdat vaderafwezigheid in beide landen in een andere context voorkomt. Op Curaçao groeit volgens eerder onderzoek ongeveer 40 procent van de kinderen op zonder biologische vader in huis. Grootouders, ooms en tantes hebben daar vaak een actieve rol in de opvoeding. In Nederland woont ongeveer 10 procent van de kinderen nooit met de biologische vader samen.
De studie maakt deel uit van een breder, door NWO gefinancierd onderzoeksproject naar vaderafwezigheid. De gegevens werden vanaf het najaar van 2018 gedurende ongeveer een jaar verzameld op scholen en onderwijsinstellingen. De vragenlijsten waren in beide landen gelijk; de Papiamentstalige versie werd professioneel vertaald en vooraf getest.
Twee duidelijk afgebakende nationale groepen
De oorspronkelijke onderzoeksgroep bestond uit 2.222 deelnemers van 16 tot 23 jaar, afkomstig van zeventien onderwijsinstellingen op Curaçao en twintig in Nederland. De instellingen liepen uiteen van praktijk- en speciaal onderwijs tot universiteiten. Voor de uiteindelijke analyses bleven 528 jongvolwassenen op Curaçao en 636 in Nederland over. De onderzoekers namen alleen deelnemers mee van wie de biologische vader nog leefde. Deelnemers met een migratieachtergrond werden buiten de analyse gelaten, zodat twee duidelijk afgebakende nationale groepen konden worden vergeleken.
De deelnemers gaven via een digitale tijdlijn aan gedurende welke jaren hun biologische vader bij hen in huis woonde. Het aantal jaren zonder inwonende vader werd als doorlopende variabele geanalyseerd. De kwaliteit van de vader-kindrelatie werd gemeten aan de hand van ervaren emotionele warmte van de biologische vader. Daarbij gingen de analyses alleen over deelnemers die deze vragen daadwerkelijk over hun biologische vader hadden beantwoord.
In alle analyses hielden de onderzoekers rekening met geslacht, leeftijd en sociaaleconomische status. Ook namen zij mee hoe de moeder volgens de deelnemer over de biologische vader sprak, of er een stiefvader in huis woonde en hoe vaak er contact was met de biologische vader.
Minder emotionele warmte in de relatie met hun vader
Curaçaose deelnemers hadden gemiddeld meer jaren zonder biologische vader in huis gewoond en rapporteerden minder emotionele warmte in de relatie met hun vader dan Nederlandse deelnemers. Nederlandse deelnemers rapporteerden vaker ziekteverzuim en spijbelen en hadden gemiddeld een hogere sociaaleconomische status. Zij waren ook vaker vertegenwoordigd in theoretische en academische onderwijsroutes, terwijl Curaçaose deelnemers vaker praktijkgerichte en middelbaar beroepsgerichte opleidingen volgden.
In de modellen waarin voor de andere kenmerken werd gecontroleerd, hing vaderafwezigheid in geen van beide groepen samen met gedragsmatige of emotionele schoolbetrokkenheid, onbetrokkenheid, schoolniveau, ziekteverzuim of spijbelen. Bij enkele uitkomsten was aanvankelijk een verband zichtbaar, onder meer met schoolniveau, maar dat bleef niet overeind nadat de onderzoekers corrigeerden voor het grote aantal statistische toetsen. Ook waren die effecten klein.
De kwaliteit van de vader-kindrelatie liet een beperkt beeld zien. Onder Nederlandse jongvolwassenen hing een hogere kwaliteit van die relatie samen met meer gedragsmatige betrokkenheid bij school en minder emotionele onbetrokkenheid. In de Curaçaose groep vonden de onderzoekers vergelijkbare patronen, maar die waren na statistische correctie niet significant.
Een positievere relatie tussen de biologische ouders hing in de Curaçaose groep samen met meer gedragsmatige en emotionele betrokkenheid en met minder emotionele onbetrokkenheid. Voor Nederlandse deelnemers bleven zulke verbanden na correctie niet overeind. De aanwezigheid van een stiefvader en de frequentie van contact met de biologische vader hingen in geen van beide groepen significant samen met de onderzochte schooluitkomsten.
Meisjes volgden gemiddeld een hoger onderwijsniveau
Geslacht en leeftijd hingen wel consistenter samen met de uitkomsten. Meisjes rapporteerden in beide groepen meer gedragsmatige betrokkenheid. Nederlandse meisjes rapporteerden daarnaast minder gedragsmatige onbetrokkenheid en volgden gemiddeld een hoger onderwijsniveau. Curaçaose meisjes spijbelden minder. Een hogere leeftijd hing in beide groepen samen met een hoger schoolniveau en meer emotionele betrokkenheid.
Bij Nederlandse deelnemers hing een hogere sociaaleconomische status samen met een hoger schoolniveau. In de Curaçaose groep hing een hogere sociaaleconomische status samen met meer ziekteverzuim. De onderzoekers konden door verschillen in de manier waarop beide groepen de vragenlijst invulden niet formeel toetsen of de verbanden tussen Curaçao en Nederland van elkaar verschilden.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor leraren en mentoren betekent dit onderzoek dat het ontbreken van een biologische vader in huis op zichzelf geen verklaring is voor geringe schoolbetrokkenheid, een lager schoolniveau of verzuim bij jongvolwassenen. De auteurs adviseren om naar de bredere situatie van een jongere te kijken.
Voor jeugdhulpverleners en begeleiders wijzen de resultaten op het belang van individuele kenmerken en sociaaleconomische omstandigheden. De kwaliteit van de vader-kindrelatie hing in de Nederlandse groep wel samen met twee aspecten van schoolbetrokkenheid, maar die verbanden waren beperkt.
Voor ouders en scholen noemen de onderzoekers ondersteuning van goed contact tussen vader en kind en constructieve communicatie tussen ouders als mogelijke aandachtspunten. Hun onderzoek kan echter niet vaststellen of zulke ondersteuning schoolbetrokkenheid veroorzaakt of vergroot.
Bron: Osinga, M., Van Brummen-Girigori, O. J. & Kretschmer, T. (2026). Vaderafwezigheid en schoolbetrokkenheid onder Curaçaose en Nederlandse jongvolwassenen, Jeugd in Ontwikkeling, 6. DOI: https://doi.org/10.54447/JiO.23647