Een week meelopen op Roemeense scholen zette Nederlandse studenten bewegingsonderwijs aan het denken over hun eigen lespraktijk. Zij ontdekten dat hun informele omgang met leerlingen, vrijheid in het lesgeven en aandacht voor seksuele en genderdiversiteit sterk samenhangen met de Nederlandse onderwijscontext. Sommige vooroordelen over Roemenië verdwenen, terwijl andere tegenstellingen juist werden versterkt. Dat blijkt uit onderzoek van Sebastian Ruin, Paul Tesselaar en Paul Florian Dragos.
Zij onderzochten een internationaal onderwijsprogramma waaraan studenten en docenten bewegingsonderwijs uit Nederland, Oostenrijk en Roemenië deelnamen. Het programma vond in oktober 2024 plaats aan de Universiteit van Oradea in Roemenië.
Voor het onderzoek werden acht studenten geïnterviewd, onder wie drie studenten uit Groningen. De uitkomsten kunnen daarom niet worden gezien als representatief voor alle Nederlandse aankomende gymleraren. De interviews laten wel zien wat er kan gebeuren wanneer studenten buiten hun eigen onderwijsomgeving kennismaken met andere opvattingen over lesgeven, discipline, lichamelijkheid en diversiteit.
Nederlandse gewoonten worden zichtbaar
Van aankomende gymleraren wordt steeds vaker verwacht dat zij kunnen omgaan met verschillen tussen leerlingen. Dat is juist binnen het bewegingsonderwijs belangrijk. Tijdens de gymles zijn lichamen, motorische vaardigheden en onderlinge vergelijking voortdurend zichtbaar. Leerlingen die zich anders voelen of buiten de dominante groep vallen, kunnen daardoor onzekerheid, angst of schaamte ervaren.
Tegelijk voelen docenten bewegingsonderwijs zich volgens eerder onderzoek niet altijd voldoende voorbereid om met zulke verschillen om te gaan. De onderzoekers wilden daarom nagaan of een internationale en praktijkgerichte uitwisseling studenten bewuster kan maken van hun eigen aannames.
Het onderzochte PEACE-programma, voluit Physical Education Across Cultures and Europe, bracht dertig studenten bewegingsonderwijs en vijf docenten uit Groningen, Graz en Oradea bij elkaar. Het ging om een door Erasmus+ gefinancierd programma waarin online onderwijs werd gecombineerd met een gezamenlijke week in Roemenië.
Vooraf maakten de studenten online kennis en namen zij korte video’s op over hun eigen sportvoorkeuren. In Roemenië bezochten zij gymlessen, bespraken zij verschillende opvattingen over bewegingsonderwijs en voerden zij in internationaal samengestelde groepjes kleine observatiestudies uit. Hun bevindingen werden vervolgens met alle deelnemers besproken.
Meer discipline in Roemeense gymlessen
De Nederlandse en Oostenrijkse studenten vielen vooral de hiërarchie en discipline in het Roemeense onderwijs op. Tijdens gymlessen stonden leerlingen bijvoorbeeld in een rij en begroetten zij de docent volgens vaste rituelen. De lessen kwamen op de studenten ernstiger en strenger over dan zij uit hun eigen opleiding en onderwijspraktijk gewend waren.
Nederlandse en Oostenrijkse studenten beschreven hun eigen onderwijssystemen als omgevingen waarin docenten meer vrijheid hebben om zelf te bepalen hoe zij lesgeven. Ook vonden zij de omgang tussen docenten en leerlingen in hun eigen landen minder formeel.
De studenten zagen daarnaast verschillen in de voorzieningen. Waar zij gewend waren aan gymzalen en voldoende materialen, zagen zij in Roemenië lessen die buiten of met weinig hulpmiddelen werden gegeven. Soms moest een docent een volledige les verzorgen met slechts één bal.
Juist die beperkte omstandigheden riepen ook bewondering op. Verschillende studenten waardeerden de creativiteit waarmee Roemeense docenten hun lessen organiseerden. De observaties maakten duidelijk dat goed bewegingsonderwijs niet alleen afhankelijk is van moderne zalen en veel materiaal.
Verschillen rond seksuele diversiteit
Ook de omgang met seksuele en genderdiversiteit kwam ter sprake. Een Nederlandse student kreeg de indruk dat in Roemenië minder aandacht bestaat voor lhbti’ers dan in Nederland. De internationale vergelijking maakte daarmee zichtbaar dat thema’s die binnen een Nederlandse lerarenopleiding mogelijk als vanzelfsprekend worden behandeld, elders veel minder nadrukkelijk aan bod komen.
De onderzoekers wijzen er echter op dat studenten zulke verschillen geregeld beschreven vanuit hun eigen nationale uitgangspunt. De eigen manier van lesgeven of omgaan met diversiteit werd soms als de juiste of meest ontwikkelde benadering gepresenteerd. De uitwisseling hielp studenten daardoor niet alleen om vooroordelen te herkennen, maar liet ook zien hoe gemakkelijk nieuwe tegenstellingen tussen “wij” en “zij” kunnen ontstaan.
Beeld van Roemenen bijgesteld
Een van de Nederlandse studenten vertelde dat hij vooraf een negatief beeld van Roemenen had. Hij had hen ingeschat als koppig en boos. Tijdens de gezamenlijke week ervoer hij de Roemeense studenten juist als open en warm, waarna hij zijn eerdere oordeel bijstelde.
Ook andere studenten zeiden dat zij minder snel mensen wilden indelen op grond van hun uiterlijk, nationaliteit of achtergrond. In het begin bleven deelnemers nog vaak bij studenten van hun eigen universiteit. Naarmate de week vorderde, ontstonden er meer contacten tussen de verschillende groepen.
Volgens de deelnemers droeg de uitwisseling daardoor niet alleen bij aan hun professionele ontwikkeling, maar ook aan hun persoonlijke houding tegenover mensen uit andere landen.
Ideeën voor de eigen gymles
De kennismaking met andere lesvormen bracht studenten bovendien op ideeën voor hun eigen onderwijs. Sommigen wilden meer aandacht gaan besteden aan de technische uitvoering van bewegingen. Anderen overwogen om in hun lessen iets meer structuur, discipline of vaste rituelen te gebruiken.
Daarmee namen de studenten niet eenvoudigweg de Roemeense manier van lesgeven over. Zij vergeleken wat zij zagen met hun eigen opleiding en selecteerden onderdelen die mogelijk bruikbaar waren in hun toekomstige lessen.
Voor Nederlandse studenten betekende de uitwisseling vooral dat zij hun eigen onderwijsgewoonten beter leerden herkennen. De vrijheid van de docent, de informele omgang met leerlingen en de beschikbare voorzieningen zijn geen universele kenmerken van bewegingsonderwijs, maar hangen samen met de omgeving waarin zij worden opgeleid.
Niet alle vooroordelen verdwijnen
De onderzoekers concluderen dat het programma bij veel studenten nieuwsgierigheid en waardering voor andere perspectieven opriep. De deelnemers werden zich bewuster van hun eigen positie binnen een internationaal samengestelde groep en stonden meer open voor contact met studenten uit andere landen.
Dat betekent niet dat de uitwisseling automatisch alle vooroordelen wegnam. Studenten bleven nationale groepen soms tegenover elkaar plaatsen en konden hun eigen onderwijsbenadering als beter beschouwen. Bestaande beelden werden daardoor niet alleen ter discussie gesteld, maar soms ook bevestigd of opnieuw gevormd.
Volgens de onderzoekers bood het programma wel een omgeving waarin studenten over deze aannames konden nadenken. De combinatie van lesbezoeken, gezamenlijk onderzoek en gesprekken met studenten uit andere landen maakte verschillen concreet en bespreekbaar.
De onderzoekers plaatsen verschillende kanttekeningen bij hun studie. Er werden slechts acht studenten geïnterviewd, onder wie drie Nederlandse studenten, en de gesprekken duurden tien tot zestien minuten. Ook waren de interviewers als docent bij het programma betrokken, waardoor studenten mogelijk sociaal wenselijke antwoorden gaven.
De interviews vonden bovendien plaats op de laatste dag van de uitwisseling. Daardoor is niet duidelijk of de genoemde veranderingen ook op langere termijn standhouden en later daadwerkelijk zichtbaar worden in de manier waarop de studenten lesgeven.