Voortgezet onderwijs

Risico op seksuele uitbuiting hangt ook samen met de schoolomgeving

Jongeren bij wie relatief veel klasgenoten door de politie als verdachte of slachtoffer zijn geregistreerd, komen vaker voor onder slachtoffers van commerciële seksuele uitbuiting. Dat verband is niet alleen zichtbaar op school, maar ook binnen het huishouden en de familie. De buurt en de werkplek lijken een veel kleinere rol te spelen. Dat blijkt uit onderzoek van Ieke de Vries en Miranda Sentse van de Universiteit Leiden en Arjan Blokland van de Universiteit Leiden en het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving.

De onderzoekers bestudeerden commerciële seksuele uitbuiting van minderjarigen en jongvolwassenen. Daarbij gaat het om situaties waarin jongeren door dwang, manipulatie of misleiding betrokken raken bij seksuele activiteiten waarvan een ander financieel of materieel profiteert.

Niet alleen kijken naar de jongere

Eerder onderzoek naar seksuele uitbuiting richtte zich vooral op persoonlijke omstandigheden. Zo is bekend dat eerder slachtofferschap, betrokkenheid van jeugdzorg, weglopen, spijbelen en schooluitval samenhangen met een verhoogde kwetsbaarheid.

Door deze nadruk bleef de sociale omgeving volgens de onderzoekers vaak buiten beeld. Uit gesprekken met slachtoffers en hulpverleners was al bekend dat jongeren doorgaans niet via onbekenden bij uitbuiting betrokken raken. Familieleden, partners, vrienden of andere bekenden kunnen een rol spelen bij het benaderen, onder druk zetten of afhankelijk maken van een jongere.

Zulke kwalitatieve onderzoeken kunnen echter niet vaststellen hoe sterk de samenhang is en in welke dagelijkse omgeving deze vooral zichtbaar wordt. De Leidse onderzoekers bekeken daarom afzonderlijk het huishouden, de familie, de buurt, de school en de werkplek.

Bijna zevenhonderdduizend contacten

Voor het onderzoek werden zeventien landelijke registerbestanden van het Centraal Bureau voor de Statistiek aan politieregistraties gekoppeld.

Tussen 2016 en 2023 registreerde de politie 1.403 minderjarigen en jongvolwassenen als slachtoffer van commerciële seksuele uitbuiting. Een deel kon niet in het onderzoek worden opgenomen, vooral omdat zij niet in de Basisregistratie Personen stonden of omdat informatie over hun sociale contacten ontbrak. Uiteindelijk bleven 971 geregistreerde slachtoffers over.

De onderzoekers vergeleken hen met drie even grote groepen: slachtoffers van andere zedendelicten, slachtoffers van andere vormen van criminaliteit en jongeren uit de algemene bevolking. In totaal bestond de onderzochte groep uit 6.797 personen van 12 tot en met 27 jaar.

Via de CBS-registers konden de onderzoekers zien met welke huisgenoten, familieleden, buren, klasgenoten en collega’s iemand volgens de administraties verbonden was. Vervolgens keken zij hoeveel van deze personen in de voorgaande vijf jaar bij de politie als verdachte of slachtoffer geregistreerd stonden.

De gegevens laten niet zien of jongeren daadwerkelijk bevriend waren met hun geregistreerde klasgenoten. Als klasgenoot gold iedereen die op dezelfde school, binnen dezelfde opleiding en in hetzelfde leerjaar stond ingeschreven. Bij grote groepen werden maximaal honderd klasgenoten geselecteerd.

Verschillen vooral zichtbaar in de klas en thuis

Onder slachtoffers van commerciële seksuele uitbuiting was gemiddeld bijna 12 procent van de klasgenoten eerder als slachtoffer bij de politie geregistreerd. Bij slachtoffers van andere zedendelicten was dat ruim 7 procent en in de algemene bevolking bijna 7 procent.

Het verschil was nog groter bij klasgenoten die als verdachte bekendstonden. Onder slachtoffers van commerciële seksuele uitbuiting gold dat gemiddeld voor 11 procent van de klasgenoten. Bij slachtoffers van andere zedendelicten was dat ruim 4 procent en in de algemene bevolking iets meer dan 3 procent.

De onderzoekers bekeken vervolgens hoe de blootstelling aan criminaliteit over de verschillende sociale omgevingen was verdeeld. De groep met de hoogste blootstelling werd niet gekenmerkt door één afzonderlijk probleemgebied. Deze jongeren hadden juist binnen het huishouden, de familie én de schoolomgeving relatief veel contacten die als verdachte of slachtoffer waren geregistreerd. Van de onderzochte slachtoffers van seksuele uitbuiting vielen er 329 in deze groep.

Jongeren belanden niet toevallig in zulke sociale omgevingen. Daarom hielden de onderzoekers onder meer rekening met eerdere slachtofferervaringen, eerdere verdenkingen, betrokkenheid van jeugdzorg, verhuizingen en kenmerken van de woonomgeving.

Ook na deze correcties bleef hetzelfde beeld bestaan. Jongeren die in hun directe sociale omgeving veel met geregistreerde criminaliteit te maken hadden, kwamen in alle drie de vergelijkingen vaker voor onder slachtoffers van commerciële seksuele uitbuiting. Kenmerken van de buurt lieten veel minder duidelijke en consistente verbanden zien.

Speciaal onderwijs valt op

Ook deelname aan het speciaal onderwijs hing samen met slachtofferschap. Jongeren die speciaal onderwijs volgden, kwamen in alle drie de vergelijkingen vaker voor onder de slachtoffers van commerciële seksuele uitbuiting. Dat verschil bleef bestaan nadat de onderzoekers rekening hadden gehouden met andere persoonlijke omstandigheden en kenmerken van de omgeving.

Daaruit kan niet worden afgeleid dat speciaal onderwijs het risico veroorzaakt. Het onderzoek laat evenmin zien welke eigenschappen, ervaringen of omstandigheden achter deze samenhang liggen. Wel maakt de uitkomst volgens de onderzoekers duidelijk dat jongeren in het speciaal onderwijs bijzondere aandacht verdienen bij preventie en vroegtijdige ondersteuning.

Voor schooluitval was het beeld minder eenduidig. Schooluitval hing alleen duidelijk met seksuele uitbuiting samen wanneer de slachtoffers werden vergeleken met slachtoffers van andere zedendelicten. In de andere vergelijkingen bleef geen overtuigend verschil over.

Niet alleen afzonderlijke leerlingen begeleiden

Volgens de onderzoekers moeten preventieprogramma’s niet alleen proberen individuele jongeren weerbaarder te maken. De uitkomsten wijzen erop dat kwetsbaarheid mede samenhangt met de relaties en sociale omgevingen waarin jongeren verkeren.

Voor scholen kan dit betekenen dat zij niet alleen letten op het gedrag van één leerling, maar ook op veranderingen in diens sociale contacten. De onderzoekers noemen bijvoorbeeld plotselinge veranderingen in een vriendengroep, toenemende geheimhouding of een sterke afhankelijkheid van een bepaalde persoon.

Leraren, verzorgers en andere volwassenen zouden zulke mogelijke signalen moeten leren herkennen. Daarbij is het volgens de auteurs belangrijk dat jongeren niet verder worden geïsoleerd. Scholen moeten juist zorgen voor voldoende vertrouwen, zodat leerlingen durven te vertellen dat zij zich zorgen maken over iemand in hun directe omgeving.

Ook moeten jongeren leren hoe zij manipulatie, grensoverschrijding en dwang kunnen herkennen. Dat is volgens de onderzoekers vooral belangrijk wanneer dit gedrag voorkomt binnen een vriendschap, relatie of familieband en daardoor minder gemakkelijk als gevaarlijk wordt herkend.

Geen bewijs voor oorzaak en gevolg

De onderzoekers benadrukken dat hun gegevens beperkingen hebben. De registers laten wel zien wie formeel als klasgenoot, buur of collega geldt, maar niet hoe intensief of hecht het contact werkelijk was.

Ook is de volgorde van gebeurtenissen niet altijd duidelijk. Seksuele uitbuiting kan al lange tijd plaatsvinden voordat een slachtoffer bij de politie bekend wordt. Daardoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de blootstelling aan criminaliteit aan de uitbuiting voorafging.

Daarnaast is het mogelijk dat de politie binnen bepaalde sociale netwerken extra onderzoek heeft gedaan. Daardoor kunnen verdachten en slachtoffers uit dezelfde omgeving vaker in registraties voorkomen.

De bevindingen wijzen daarom op een samenhang en niet op een bewezen oorzakelijk verband. Wel laat het onderzoek zien dat commerciële seksuele uitbuiting niet uitsluitend kan worden begrepen vanuit de kenmerken of het gedrag van individuele jongeren. Ook hun directe sociale omgeving speelt een rol.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen laat het onderzoek zien dat signalering zich niet alleen op afzonderlijke leerlingen moet richten. Ook veranderingen in sociale contacten, geheimhouding en sterke afhankelijkheid van bepaalde personen kunnen aanleiding zijn om zorgvuldig te onderzoeken of een leerling ondersteuning nodig heeft.

Voor het speciaal onderwijs is relevant dat leerlingen uit deze onderwijssector in alle drie de vergelijkingen vaker voorkwamen onder de geregistreerde slachtoffers. Het onderzoek verklaart niet waardoor deze samenhang ontstaat, maar onderstreept wel het belang van passende preventie, signalering en een veilige route om zorgen te melden.

Voor leraren en ondersteuners betekent dit dat zij niet alleen kennis nodig hebben van seksuele uitbuiting, maar ook van de relationele signalen die eraan vooraf kunnen gaan. Een vertrouwelijke reactie is daarbij belangrijk, zodat een leerling niet verder wordt geïsoleerd en zorgen over vrienden, partners of familieleden durft te bespreken.

Bron: De Vries, I., Sentse, M. & Blokland, A. (2026). Everyday Network Exposure to Crime and Victimization and its Association with Commercial Sexual Exploitation, Journal of Quantitative Criminology. DOI: https://doi.org/10.1007/s10940-026-09684-4

Ontdek meer onderwerpen