De onderzoekers onderzochten of het verband tussen vroege ouderlijke sterfte en de plaatsing in het voortgezet onderwijs verschilt naar de opleiding van de overleden en de overgebleven ouder. Daarbij keken zij naar twee mogelijke verklaringen. De eerste is dat kinderen meer verliezen wanneer een hoogopgeleide ouder overlijdt, omdat die ouder doorgaans meer culturele, sociale en economische hulpbronnen kan doorgeven. De tweede is dat een hoogopgeleide overgebleven ouder het verlies juist beter zou kunnen opvangen.
Vroege selectie maakt verlies zichtbaar
Eerder onderzoek liet al zien dat het overlijden van een ouder in de kindertijd samenhangt met minder gunstige onderwijsuitkomsten. Minder duidelijk was welke rol de opleiding van beide ouders daarin speelt. Dat is vooral relevant in Nederland, omdat leerlingen hier al rond hun twaalfde worden verdeeld over vmbo, havo en vwo.
Die vroege selectie is belangrijk voor de verdere schoolloopbaan. Leerlingen kunnen later nog wel doorstromen naar een hoger niveau, maar dat is volgens de onderzoekers vaak lastig. Daardoor kan een verschil bij de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs lang doorwerken.
Voor hun studie gebruikten de auteurs administratieve gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de periode 1994 tot en met 2023. De uiteindelijke steekproef bestond uit 1.773.894 kinderen van in Nederland geboren ouders. Van hen verloren 15.346 kinderen voor hun dertiende een vader of moeder.
De onderzoekers berekenden met lineaire kansmodellen hoe groot de kans was dat kinderen in het vwo of de havo terechtkwamen in plaats van het vmbo. Daarbij keken zij afzonderlijk naar het overlijden van vaders en moeders, en naar de vraag of de overleden of overgebleven ouder een hbo- of wo-opleiding had afgerond. In de analyses werd onder meer rekening gehouden met geboortejaar, geslacht, geboortevolgorde, de leeftijd van de ouders bij de geboorte, een eventuele scheiding en het huishoudinkomen.
Vooral minder kans op vwo
Van de kinderen in de steekproef verloor 0,3 procent de moeder voor de overstap naar het voortgezet onderwijs. Nog eens 0,5 procent verloor de vader. Kinderen die hun moeder verloren, hadden 5,6 procentpunt minder kans om in het vwo terecht te komen in plaats van het vmbo. Bij het overlijden van de vader ging het om 3,9 procentpunt.
Het overlijden van de moeder hing daarmee sterker samen met een lagere kans op vwo dan het overlijden van de vader. Voor de andere vergelijkingen tussen onderwijsroutes vonden de onderzoekers geen duidelijk verschil tussen het overlijden van moeders en vaders.
Voor beide ouders gold dat het negatieve verband groter was wanneer de overleden ouder hoogopgeleid was. Bij het overlijden van de moeder was het nadeel 4,3 procentpunt groter wanneer zij hoogopgeleid was dan wanneer zij lager opgeleid was. Wanneer ook rekening werd gehouden met de opleiding van de vader, hing het verlies van een hoogopgeleide moeder samen met een ongeveer 8 procentpunt lagere kans op vwo. Dat was het grootste gevonden verschil in het onderzoek.
Bij vaders wezen de uitkomsten in dezelfde richting. Ook daar leek het verlies zwaarder te wegen wanneer de overleden vader hoogopgeleid was, al was dat verband niet in alle analyses statistisch significant.
Geen compensatie door overgebleven ouder
Voor de gedachte dat een hoogopgeleide overgebleven ouder het verlies kan compenseren, vonden de onderzoekers geen steun. De opleiding van de overgebleven ouder maakte geen significant verschil voor de sterkte van het negatieve verband tussen ouderlijke sterfte en de onderwijsroute van het kind. Dat gold zowel na het overlijden van de moeder als na het overlijden van de vader.
Met andere woorden: in deze gegevens bood een hoogopgeleide overgebleven vader of moeder geen aantoonbare verzachting van het nadeel dat samenhing met het overlijden van de andere ouder.
Wel vonden de onderzoekers in een aanvullende analyse een aanwijzing dat een nieuwe partner van de overgebleven vader verschil kan maken na het overlijden van een hoogopgeleide moeder. Kinderen die na de dood van hun hoogopgeleide moeder bij een alleenstaande vader bleven wonen, hadden 8,5 procentpunt minder kans om in het vwo terecht te komen. Bij kinderen van wie de vader een nieuwe partner kreeg, was geen significant negatief verband meer zichtbaar. Voor het overlijden van de vader vonden de onderzoekers geen vergelijkbaar patroon bij een nieuwe partner van de moeder.
Geen bewijs voor oorzaak en gevolg
De onderzoekers concluderen dat vroege ouderlijke sterfte samenhangt met een lagere kans op plaatsing in een hogere onderwijsroute, en dat dit verband sterker is wanneer de overleden ouder hoogopgeleid was. Dat past volgens hen bij het idee dat kinderen van hoogopgeleide ouders relatief meer hulpbronnen verliezen wanneer juist die ouder wegvalt.
Dat een hoogopgeleide overgebleven ouder dit verlies niet zichtbaar compenseert, kan volgens de auteurs samenhangen met de emotionele impact van het overlijden zelf. Rouw en aanpassing kosten tijd, ongeacht het opleidingsniveau van de ouder. Ook wijzen zij erop dat hoogopgeleide overgebleven ouders vaker werken, waardoor zij mogelijk minder tijd hebben om hun kinderen intensief te ondersteunen.
De onderzoekers benadrukken dat hun studie geen oorzakelijk verband aantoont. Niet alle factoren die zowel ouderlijke sterfte als onderwijsuitkomsten kunnen beïnvloeden, konden worden meegenomen. Als voorbeeld noemen zij middelengebruik door ouders. Ook gaat het onderzoek alleen over kinderen van in Nederland geboren ouders, omdat volledige opleidingsgegevens van ouders met een migratieachtergrond in de registerdata ontbreken. De resultaten kunnen daarom niet zonder meer worden doorgetrokken naar alle kinderen in Nederland.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor basisscholen laat dit onderzoek zien dat het overlijden van een ouder vóór de overgang naar het voortgezet onderwijs kan samenvallen met een lagere kans op plaatsing in havo of vwo. Dat maakt extra alertheid rond schooladvies en overgangsmomenten van belang, zonder dat uit het onderzoek volgt dat ouderlijke sterfte op zichzelf de oorzaak is van die lagere plaatsing.
Voor schoolleiders en mentoren is relevant dat het nadeel in de analyses groter is wanneer de overleden ouder hoogopgeleid was. Het onderzoek wijst erop dat met het wegvallen van die ouder ook een deel van de culturele, sociale en economische ondersteuning kan verdwijnen die normaal gesproken bijdraagt aan schoolsucces.
Voor beleid rond kansengelijkheid maakt de studie duidelijk dat gezinsverlies niet losstaat van onderwijsongelijkheid. Een hoogopgeleide overgebleven ouder bood in de analyses geen aantoonbare compensatie, wat erop wijst dat ondersteuning rond de overgang naar het voortgezet onderwijs niet alleen op het opleidingsniveau van de overgebleven ouder kan worden gebaseerd.
Bron: Jin, Y., Kalmijn, M. & De Valk, H. (2026). Heterogeneous effects of parental death on secondary school track choice, Research in Social Stratification and Mobility. DOI: https://doi.org/10.1016/j.rssm.2026.101180