Verschillen tussen leerlingen met en zonder migratieachtergrond daarentegen worden gedurende de schoolperiode kleiner en slaan uiteindelijk om.
Dat blijkt uit een groot onderzoek van Elke Claes en collega’s van de Universiteit Maastricht onder 31.830 leerlingen van ongeveer 1.250 basisscholen, verspreid over het hele land. De onderzoekers volgden drie groepen leerlingen die in 2014, 2015 en 2016 in groep 3 begonnen en keken hoe hun resultaten zich ontwikkelden tot en met groep 8.
Het gaat om halfjaarlijkse toetsen voor lezen, spelling en rekenen uit het Cito-leerlingvolgsysteem, gekoppeld aan landelijke gegevens van het CBS. Daarmee ontstaat volgens de onderzoekers een zeldzaam compleet beeld van een hele basisschoolloopbaan. Het onderzoek werd ook medegefinancierd door de Onderwijsinspectie.
De kern van de uitkomst is eenvoudig: wie in groep 3 hoog scoort, scoort in groep 8 meestal nog steeds hoog. En wie laag begint, blijft relatief vaak onderaan hangen. Dat betekent niet dat er geen beweging is, maar wel dat vroege verschillen hardnekkig zijn.
Verschillen naar achtergrond
Aan het einde van groep 8 zijn er duidelijke verschillen tussen kinderen van hoog- en laagopgeleide ouders. Leerlingen met hoogopgeleide ouders scoren gemiddeld duidelijk hoger op lezen en rekenen, en ook bij spelling is het verschil merkbaar. Het gaat om verschillen die groot genoeg zijn om in de praktijk zichtbaar te zijn in de klas.
Een belangrijk deel van die verschillen is al aanwezig wanneer kinderen in groep 3 beginnen. Tegelijkertijd groeit de kloof tijdens de basisschool verder. Dat komt vooral doordat kinderen van hoogopgeleide ouders gemiddeld iets sneller vooruitgaan. Ongelijkheid ontstaat dus niet alleen vóór de basisschool, maar kan zich tijdens de schooljaren ook verder verdiepen.
Jongens en meisjes
Ook tussen jongens en meisjes zijn verschillen zichtbaar. Meisjes zijn gemiddeld sterker in lezen, jongens gemiddeld in rekenen. Opvallend is dat het grootste deel van die verschillen al vroeg in de basisschool vastligt. In de hogere groepen veranderen die verschillen nog maar beperkt.
Bij rekenen laat het onderzoek bovendien zien hoe belangrijk het is om zorgvuldig naar data te kijken. Wanneer rekening wordt gehouden met meetfouten in toetsen, blijkt dat meisjes een deel van hun achterstand inlopen, terwijl een eenvoudigere analyse zou suggereren dat jongens hun voorsprong juist vergroten. De manier waarop je rekent, kan dus invloed hebben op de conclusie.
Migratieachtergrond: een ander patroon
Voor leerlingen met een migratieachtergrond ziet het beeld er anders uit. Zij starten in groep 3 gemiddeld met lagere scores dan leerlingen zonder migratieachtergrond. Maar tijdens de basisschool maken zij relatief meer vooruitgang.
Belangrijk is dat dit niet alleen te verklaren is door verschillen in opleidingsniveau van ouders of gezinssituatie. Ook wanneer daarvoor wordt gecorrigeerd, blijft het patroon zichtbaar. Tegen het einde van groep 8 hebben deze leerlingen hun achterstand grotendeels of volledig ingehaald en in sommige vakken scoren zij zelfs hoger dan hun klasgenoten zonder migratieachtergrond.
Niet alles ligt vast
Hoewel vroege prestaties sterk samenhangen met latere uitkomsten, staat niet alles vast. Ongeveer de helft van de leerlingen die in groep 3 bij de zwakste twintig procent hoort, staat in groep 8 niet meer in die onderste groep. Er is dus wel degelijk beweging mogelijk. Tegelijkertijd blijft een aanzienlijk deel van de aanvankelijk zwakste leerlingen ook later onderaan hangen.
Leerlingen met hoogopgeleide ouders, uit tweeoudergezinnen en leerlingen met een migratieachtergrond blijken iets meer kans te hebben om vanuit een lage beginpositie omhoog te klimmen.
Een aanzienlijk deel is al vroeg gevormd
De belangrijkste boodschap van de onderzoekers is dat verschillen in vaardigheden al bij de start van groep 3 groot zijn en vervolgens in belangrijke mate doorwerken tot en met groep 8. Dat betekent dat leerlingen niet met een volledig gelijke uitgangspositie aan het formele leren beginnen. Een aanzienlijk deel van de latere verschillen is dus al vroeg gevormd.
Tegelijkertijd laten de analyses zien dat ongelijkheid niet uitsluitend vóór de basisschool ontstaat. Voor verschillen naar ouderlijk opleidingsniveau groeit de kloof tijdens de schooljaren verder, vooral doordat leerlingen met hoogopgeleide ouders gemiddeld sneller vooruitgaan. Daarmee wijzen de resultaten erop dat zowel de periode vóór groep 3 als de jaren daarna bijdragen aan de uiteindelijke verschillen in groep 8.
De onderzoekers benadrukken dat dit gevolgen heeft voor hoe naar kansenongelijkheid wordt gekeken. Wie verschillen uitsluitend toeschrijft aan omstandigheden vóór de schoolloopbaan, mist het deel dat zich tijdens de basisschool ontwikkelt. Omgekeerd laat het onderzoek ook zien dat scholen niet “alles” kunnen compenseren wat eerder is ontstaan, omdat vroege prestaties sterk samenhangen met latere uitkomsten.
Wat betekent dit voor beleid en praktijk?
Voor schoolbesturen en beleidsmakers maken de resultaten duidelijk dat verschillen in basisvaardigheden al vóór of rond de start van groep 3 aanwezig zijn en in belangrijke mate doorwerken tot en met groep 8. Het verkleinen van ongelijkheid vraagt daarom aandacht voor zowel de beginsituatie van leerlingen als hun leerontwikkeling gedurende de hele basisschoolperiode.
Voor leerkrachten laten de bevindingen zien dat vroege prestaties sterk samenhangen met latere uitkomsten, maar dat verschuivingen in positie mogelijk blijven. Gerichte ondersteuning in de eerste schooljaren kan bijdragen aan extra leerwinst, zeker voor leerlingen die gemiddeld minder snel vooruitgaan.
Bron: Claes, E., Golsteyn, B.H.H., De Leeuw, S. & De Wolf, I. (2026). Primary School Skill Development: from First to Sixth Grade. DOI: https://doi.org/10.1086/740863