Primair onderwijs

Liefdevolle leraar-leerlingrelatie niet voor ieder kind vanzelfsprekend

Kinderen hebben baat bij een liefdevolle, veilige relatie met hun leraar. Juist leerlingen die opgroeien met een lagere sociaaleconomishce status of een niet-westerse achtergrond, profiteren daar het meest van. Toch laat een nieuwe studie van de Universiteit Utrecht zien dat deze leerlingen gemiddeld minder warme relaties met hun leraar ervaren.

Voor leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus hangt dat deels samen met dagelijkse interacties in de klas. Voor Turkse en Marokkaanse leerlingen blijken negatieve interacties een belangrijke rol te spelen in hoe leraren de relatie beoordelen.

Slechte relatie meer kans op schooluitval

De kwaliteit van de relatie tussen leraar en leerling wordt in dit onderzoek opgevat als de mate van nabijheid en conflict die beide partijen ervaren. Warme, ondersteunende relaties bieden kinderen emotionele veiligheid en hangen samen met meer betrokkenheid, beter sociaal gedrag en betere schoolprestaties. Negatieve, vijandige relaties worden juist in verband gebracht met meer gedragsproblemen en een groter risico op schooluitval.

Onderzoekers van de Universiteit Utrecht en KU Leuven volgden 1566 leerlingen uit groep 6 tot en met 8 op 32 Nederlandse basisscholen gedurende een volledig schooljaar. In 73 klassen werden lessen gefilmd op drie momenten tussen september en juni. In totaal werden ruim 183.000 afzonderlijke interacties tussen leraar en leerling geanalyseerd.

Zowel leraren als leerlingen vulden vragenlijsten in

Elke interactie werd ingedeeld als positief, negatief of neutraal. Positieve interacties waren bijvoorbeeld complimenten of aanmoedigingen. Negatieve interacties bestonden uit correcties, afkeuring of uitingen van irritatie. De meeste interacties waren neutraal van aard. Daarnaast vulden zowel leraren als leerlingen vragenlijsten in over hun onderlinge relatie. Leraren gaven per leerling aan in hoeverre zij nabijheid en conflict ervoeren. Leerlingen deden hetzelfde vanuit hun eigen perspectief.

De resultaten bevestigen dat leerlingen met een lage sociaaleconomische status gemiddeld minder gunstige relaties met hun leraar hebben. Leraren rapporteerden bij deze leerlingen minder nabijheid en meer conflict. Leerlingen zelf rapporteerden ook meer conflict, maar niet minder nabijheid.

Ook leerlingen met een niet-westerse achtergrond ervoeren gemiddeld minder nabijheid in de relatie met hun leraar. Leraren bevestigden dit beeld. In de totale groep werd geen verschil gevonden in door leraren gerapporteerd conflict.

Meer negatieve en minder positieve interacties

Vervolgens onderzochten de onderzoekers of dagelijkse interacties deze verschillen konden verklaren. Voor leerlingen met een lage sociaaleconomische status bleek dat deels zo te zijn. Leraren hadden met hen gemiddeld meer negatieve en minder positieve interacties. Deze verschillen in interacties hingen samen met meer conflict en minder nabijheid zoals gerapporteerd door de leraar. Voor de manier waarop leerlingen zelf de relatie beoordeelden, speelden deze interacties geen verklarende rol.

Voor leerlingen met een niet-westerse achtergrond als geheel werden geen verschillen gevonden in het aantal positieve of negatieve interacties. De interacties verklaarden daarom niet waarom deze leerlingen minder nabijheid ervoeren.

Niet alleen minder nabijheid, maar ook meer conflict met Turkse en Marrokaanse leerlingen

In aanvullende analyses werd specifiek gekeken naar Turkse en Marokkaanse leerlingen. In deze groep rapporteerden leraren niet alleen minder nabijheid, maar ook meer conflict dan bij etnisch Nederlandse leerlingen. Bovendien hadden leraren met Turkse en Marokkaanse leerlingen gemiddeld meer negatieve interacties. Deze negatieve interacties verklaarden de verschillen in de door leraren ervaren relatiekwaliteit volledig. Voor deze specifieke groep bleken negatieve momenten in de dagelijkse omgang dus samen te hangen met hoe leraren de relatie beoordelen.

Een ander belangrijk resultaat is dat negatieve interacties sterker samenhangen met de relatiekwaliteit dan positieve interacties. Meer negatieve uitwisselingen gingen duidelijk samen met minder nabijheid en meer conflict. Positieve interacties hingen wel samen met minder conflict vanuit het perspectief van de leraar, maar hun effect was kleiner. Dit patroon past bij wat in de literatuur wordt aangeduid als een negativiteitsbias: negatieve ervaringen wegen zwaarder dan positieve bij het beoordelen van een relatie.

De onderzoekers hebben ook de impliciete, onbewuste attitudes van leraren gemeten ten opzichte van etnische minderheden en leerlingen met een lage sociaaleconomische status. Gemiddeld lieten leraren een impliciete negatieve voorkeur zien voor de meerderheidsgroep. Deze onbewuste attitudes bleken echter niet samen te hangen met het geobserveerde gedrag in de klas. Ook versterkten of verzwakten zij het verband tussen achtergrondkenmerken van leerlingen en de interacties met de leraar niet.

De onderzoekers concluderen dat leerlingen met een lage sociaaleconomische status en leerlingen met een niet-westerse achtergrond gemiddeld minder positieve relaties met hun leraar ervaren. Voor sociaaleconomische verschillen spelen dagelijkse interacties deels een rol. Voor verschillen op basis van etniciteit geldt dat dit in de totale groep niet via interacties werd verklaard, maar voor Turkse en Marokkaanse leerlingen wel.

Alledaagse uitwisselingen in de klas

In de discussie benadrukken de auteurs dat hun bevindingen vooral laten zien hoe belangrijk dagelijkse interacties zijn als bouwstenen van de relatie tussen leraar en leerling. Verschillen in relatiekwaliteit ontstaan volgens hen niet uitsluitend door achtergrondkenmerken van leerlingen, maar worden mede gevormd in de alledaagse uitwisselingen in de klas.

Voor leerlingen met een lage sociaaleconomische status laten de resultaten zien dat leraren vaker negatieve en minder positieve interacties hebben en dat dit deels samenhangt met de minder gunstige relatie die zij rapporteren. De onderzoekers wijzen erop dat dit betekent dat ongelijkheden in relatiekwaliteit niet alleen een weerspiegeling zijn van bredere maatschappelijke verschillen, maar ook samenhangen met concrete interactiepatronen in de klas.

Positieve, warme en ondersteunende relaties van groot belang zijn voor alle leerlingen


In hun slotbeschouwing benadrukken de onderzoekers dat positieve, warme en ondersteunende relaties van groot belang zijn voor alle leerlingen, maar in het bijzonder voor leerlingen met een verhoogd risico op schooluitval of lagere prestaties. Hun bevindingen onderstrepen volgens hen het belang van bewust omgaan met dagelijkse interacties, omdat juist deze kleine momenten in de klas bijdragen aan het opbouwen of ondermijnen van een liefdevolle en veilige relatie tussen leraar en leerling

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor scholen en leraren toont dit onderzoek aan dat het voorkomen van negatieve interacties belangrijker is dan het verhogen van positieve interacties, omdat negatieve uitwisselingen een onevenredig grote impact hebben op de relatiekwaliteit. Dit is vooral relevant voor leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus, waar deze interactiepatronen deels verklaren waarom zij minder warme relaties ontwikkelen met docenten.

Voor onderwijspraktijk kunnen leraren hun interactiepatronen met verschillende leerlingen kritisch onderzoeken, aangezien zij zich mogelijk niet bewust zijn van het aantal negatieve interacties dat zij hebben. Het onderzoek suggereert dat een “warm demanding” onderwijsstijl – vriendelijk en ondersteunend zijn terwijl structuur wordt geboden – vooral gunstig kan zijn voor leerlingen uit achterstandsgroepen.

Voor het onderwijs benadrukt het onderzoek dat alle leerlingen baat hebben bij positieve relaties met hun docenten, maar dat dit voor etnische minderheden en leerlingen met lage sociaaleconomische status extra belangrijk is omdat zij hier het meest van profiteren. Het creëren van meer positieve relaties met deze groepen blijkt moeilijker te zijn, maar is des te crucialer voor hun schoolsucces.

Bron: Teacher–student relationships and daily dyadic interactions: the role of students’ socioeconomic status and ethnic background, Social Psychology of Education (2026). DOI: https://doi.org/10.1007/s11218-026-10175-4