Leraren die werken met digitale leerlingdashboards geven hun feedback vooral in de latere fasen van de les, met name wanneer leerlingen zelfstandig aan opdrachten werken. Hoe meer ervaring een leraar heeft met adaptieve leertechnologie, hoe vaker hij of zij de informatie uit het dashboard gebruikt in verschillende momenten van de les. Het soort feedback dat leraren geven verandert daarbij nauwelijks: in alle gevallen gaat het vooral om feedback op de taak zelf of op de manier waarop een leerling een opdracht aanpakt.
Dat blijkt uit onderzoek van wetenschappers van de Universiteit Leiden en de Radboud Universiteit, gepubliceerd in het tijdschrift Computers & Education. De onderzoekers wilden beter begrijpen hoe leraren de informatie uit digitale leerlingdashboards daadwerkelijk gebruiken tijdens hun les. Hoewel steeds meer basisscholen werken met adaptieve digitale leermiddelen, was tot nu toe weinig bekend over wanneer leraren tijdens de les op die gegevens teruggrijpen en hoe ze die informatie vertalen naar concrete feedback aan leerlingen.
Digitale systemen die zich aanpassen aan leerlingen
Adaptieve leertechnologie past opdrachten automatisch aan het niveau van de leerling aan. Als een leerling vragen goed maakt, worden de volgende opgaven moeilijker. Heeft een leerling moeite met een onderwerp, dan worden opdrachten juist eenvoudiger of wordt extra oefening aangeboden. Tegelijkertijd verzamelt het systeem gegevens over het werk van leerlingen, zoals hun voortgang en het aantal gemaakte fouten.
Die informatie wordt zichtbaar voor de leraar via een digitaal dashboard. Tijdens de les kan een leraar zo in één oogopslag zien hoe leerlingen het doen en waar problemen ontstaan. Op basis van die gegevens kan de leraar gerichte feedback geven. In het onderzoek wordt dit feedback genoemd die door het dashboard wordt uitgelokt: feedback die direct voortkomt uit de informatie die het systeem laat zien.
Observaties tijdens echte rekenlessen
Voor het onderzoek observeerden de onderzoekers 25 leraren tijdens een reguliere rekenles in het basisonderwijs. De lessen duurden tussen de 35 en 75 minuten en werden gegeven in groepen 4 tot en met 8. De meeste leraren werkten met het digitale leersysteem Snappet; anderen gebruikten systemen zoals Gynzy, Bingel of Prowise Learn.
Tijdens de lessen registreerden de onderzoekers iedere keer dat een leraar feedback gaf. Daarbij noteerden zij zowel het soort feedback als het moment in de les waarop die plaatsvond. In totaal werden 2062 feedbackmomenten geteld. Van deze momenten waren er 313 direct gebaseerd op informatie uit het dashboard, ongeveer vijftien procent van alle feedback.
Om de timing van feedback goed te kunnen analyseren, verdeelden de onderzoekers de les in zeven fasen. Dit model wordt vaak gebruikt in het Nederlandse basisonderwijs. De fasen lopen van het activeren van voorkennis en uitleg van de lesdoelen, via instructie en begeleide oefening, tot zelfstandig werken, extra uitleg en een gezamenlijke afsluiting van de les.
Feedback vooral tijdens zelfstandig werken
De analyses laten zien dat feedback op basis van dashboardgegevens vrijwel altijd plaatsvindt in de latere fasen van de les. Tijdens het zelfstandig werken van leerlingen werd ruim zeventig procent van deze feedback gegeven. Daarna volgden de fase waarin de leraar extra uitleg geeft aan een kleine groep leerlingen en de afsluiting van de les. In de eerste fasen van de les, zoals de instructie, kwam dit type feedback vrijwel niet voor.
Volgens de onderzoekers hangt dat waarschijnlijk samen met de manier waarop dashboards werken. Pas wanneer leerlingen daadwerkelijk opdrachten maken, ontstaat er voldoende informatie om iets zinnigs te kunnen zeggen over hun voortgang of fouten.
Vooral feedback op de taak of de aanpak
Ook het type feedback dat leraren geven bleek duidelijk herkenbare patronen te volgen. De meeste feedback ging over de taak zelf, bijvoorbeeld of een antwoord goed of fout was of wat er precies moest worden verbeterd. Dit soort taakgerichte feedback vormde ongeveer 44 procent van alle feedback die gebaseerd was op dashboardgegevens.
Daarnaast gaven leraren regelmatig feedback over de aanpak van leerlingen, bijvoorbeeld over de manier waarop een leerling een probleem oplost. Deze procesgerichte feedback maakte ongeveer een kwart van alle dashboardgebaseerde feedback uit. Feedback over persoonlijke eigenschappen van leerlingen of over hun samenwerking kwam veel minder vaak voor. Feedback die leerlingen helpt om hun eigen leerproces te sturen, bijvoorbeeld door hen te laten nadenken over hun strategie, werd eveneens relatief weinig gegeven.
Verschillen tussen leraren in het moment van feedback
De onderzoekers zagen dat leraren onderling vooral verschillen in het moment waarop ze dashboardinformatie gebruiken. Op basis daarvan konden zij drie groepen onderscheiden.
Ongeveer een derde van de leraren gebruikte het dashboard voor feedback in slechts één fase van de les, meestal tijdens het zelfstandig werken. Een tweede groep gebruikte het dashboard in twee fasen van de les. De laatste groep gebruikte dashboardinformatie verspreid over drie verschillende lesfasen.
Opvallend was dat het soort feedback in deze groepen nauwelijks verschilde. In alle gevallen bleef taakgerichte en procesgerichte feedback dominant.
Ervaring met technologie maakt verschil
De leeftijd van leraren en hun algemene onderwijservaring bleken geen verband te hebben met deze verschillen. Wel speelde ervaring met adaptieve leertechnologie een rol. Leraren die het dashboard in meerdere fasen van de les gebruikten, hadden gemiddeld meer ervaring met deze technologie dan leraren die het alleen op één moment in de les gebruikten.
De onderzoekers concluderen dat het gebruik van leerlingdashboards vooral varieert in het moment waarop leraren de informatie inzetten, en minder in het soort feedback dat zij geven. Volgens hen kan ondersteuning van leraren daarom beter aansluiten bij de verschillende fasen van een les. Training kan bijvoorbeeld helpen bij het interpreteren van dashboardgegevens en het koppelen daarvan aan de doelen van specifieke lesmomenten. Ook zou het ontwerp van dashboards leraren kunnen helpen door bijvoorbeeld gegevens uit eerdere lessen zichtbaar te maken, zodat zij ook aan het begin van een les al relevante informatie hebben over het werk van leerlingen.
Wat betekent dit in de praktijk?
Voor leraren in het basisonderwijs laat het onderzoek zien dat leerlingdashboards vooral bruikbaar worden zodra leerlingen daadwerkelijk aan het werk zijn. In de praktijk betekent dit dat de meeste feedback op basis van dashboardgegevens ontstaat tijdens het zelfstandig werken of wanneer een kleine groep extra uitleg krijgt.
Voor scholen en nascholing maken de resultaten duidelijk dat ervaring met adaptieve leertechnologie een rol speelt in hoe leraren dashboards gebruiken. Leraren met meer ervaring gebruiken de beschikbare data op meerdere momenten in de les. Professionalisering kan daarom helpen bij het leren interpreteren van dashboardgegevens en het koppelen daarvan aan verschillende fasen van de les.
Voor ontwerpers van leersystemen suggereren de resultaten dat dashboards vooral informatie bieden wanneer leerlingen al opdrachten maken. Het kan daarom zinvol zijn om ook gegevens uit eerdere lessen zichtbaar te maken, zodat leraren al in de eerste fasen van een les beter zicht hebben op waar leerlingen staan.
Bron: Van Kessel, M., Knoop-van Campen, C., De Jonge, M., Molenaar, I. & Saab, N. (2026). Feedback practices with teacher dashboards in primary education: Exploring dashboard-prompted feedback across lesson phases, Computers & Education. DOI: https://doi.org/10.1016/j.compedu.2026.105203